NJ 1930, p. 529
Voorrecht slechts geldend te maken hij rangschikking tusschen de crediteuren. Verkooper maakt aanspraak op voorrecht, terwijl, bij faillissement schuldenaar, niet de goederen, doch wel de gelden, waarvoor die goederen waren verkocht, in den boedel aanwezig waren.
HR 30-01-1930, ECLI:NL:HR:1930:52, m.nt. Prof. Mr. Paul Scholten
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
30 januari 1930
- Magistraten
Mrs. Fentener van Vlissingen, Kosters, Schepel, van Gelein Vitringa, Polak
- Zaaknummer
[30011930/NJ_1930,_p._529]
- Conclusie
Conclusie van den Proc.-Gen. Tak.
- Noot
Prof. Mr. Paul Scholten
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS152178:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1930:52, Uitspraak, Hoge Raad, 30‑01‑1930
- Wetingang
(BW art. 1177-1184, 1190.)
Essentie
Voorrecht slechts geldend te maken hij rangschikking tusschen de crediteuren. Verkooper maakt aanspraak op voorrecht, terwijl, bij faillissement schuldenaar, niet de goederen, doch wel de gelden, waarvoor die goederen waren verkocht, in den boedel aanwezig waren.
Samenvatting
Uit de in onderling verband en samenhang beschouwde artikelen van den achttienden titel van Boek II B. W. (artt. 1177—1194) blijkt, dat het voorrecht aan een inschuld verbonden eerst dan kan werken en geldend gemaakt worden, wanneer er een rangschikking tusschen crediteuren plaats heeft.
Van zoodanige rangschikking is hier geen sprake.
Art. 1190 B. W. maakt het doen gelden door ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.