2517/2504
Rb. Rotterdam, 30-08-2017, nr. C/10/510549 / HA ZA 16-942
ECLI:NL:RBROT:2017:6816
- Instantie
Rechtbank Rotterdam
- Datum
30-08-2017
- Zaaknummer
C/10/510549 / HA ZA 16-942
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2017:6816, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 30‑08‑2017; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
ECLI:NL:RBROT:2017:921, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam, 01‑02‑2017; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBROT:2015:10117
Uitspraak 30‑08‑2017
Inhoudsindicatie
Afwikkeling huwelijksvoorwaarden afgesloten vóór 1 september 2002, houdende een (vorm van) deelgenootschap én een periodiek verrekenbeding van overgespaarde inkomsten. Overgangsrecht. Nieuw recht toepasselijk. Bewijsvermoeden ex art. 1:141 lid 3 BW.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
team handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/510549 / HA ZA 16-942
Vonnis van 30 augustus 2017
in de zaak van
[eiseres]
wonende te Bodegraven, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. drs. G. van der Wende te Capelle aan den IJssel,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te Rotterdam,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. A. Zwart te Roosendaal.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 1 februari 2017
- -
de akte van de man, met producties (rolzitting 15 maart 2017)
- -
de akte na vonnis tevens wijziging van eis, van de vrouw (rolzitting 12 april 2017)
- -
de akte na vonnis van de vrouw (rolzitting 7 juni 2017; in de aanhef van deze akte staat dat het tevens een eiswijziging is, maar dat is onjuist)
- -
de antwoordakte van de man (rolzitting 7 juni 20170.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling in conventie en reconventie
2.1.
In geschil is de afwikkeling, na echtscheiding, van de huwelijksvoorwaarden van partijen, houdende een (vorm van) deelgenootschap én een periodiek verrekenbeding van overgespaarde inkomsten. Het deelgenootschap houdt in dat partijen dienen te verrekenen als waren zij gehuwd in gemeenschap van goederen, dit tenzij (minstens) één der partijen een negatief vermogen heeft bij het einde van het deelgenootschap, in welk geval dié verrekening achterwege dient te blijven.
2.2.
De rechtbank heeft partijen in voormeld tussenvonnis gelast een akte houdende een vermogensopstelling over te leggen.
2.3.
De man heeft een vermogensopstelling overgelegd die de volgende posten omvat:
- lijfrentes/ polissen: € 209.081,56 (€ 175.298,79 + € 33.782,77)
- banksaldi ten name van de man: € 2.807,61
- banksaldi op naam van partijen € 12.872,64, waarvan aan de man toekomt: € 6.436,32
- overwaarde woning man: € 98.487,92
- vordering man op vrouw wegens overbedeling vrouw bij de verdeling van de inboedel:
€ 3.908,50
- waarde onderneming man: nihil.
2.4.
De vrouw heeft voor wat betreft haar vermogensopstelling verwezen naar haar productie 5 bij dagvaarding. Deze vrouw komt in deze productie tot de conclusie dat zij recht heeft op betaling door de man van een bedrag van € 353.269,53, nog te vermeerderen met de helft van de waarde van de onderneming van de man, Assurantiekantoor [Z.] te Rotterdam (de rechtbank komt hier op terug).
2.5.
De vrouw heeft niet geheel voldaan aan de opdracht van de rechtbank. Haar productie 5 bij dagvaarding is geen beschrijving van haar eigen vermogen. Het is een berekening van hetgeen de man (gesteld) aan de vrouw moet betalen, onder opgave van het vermogen van beide partijen en waarbij de vrouw ook alvast diverse verrekeningen toepast (zoals bijvoorbeeld de na te melden post wegens onderbedeling van de vrouw omdat sprake is van een woning met een onderwaarde van circa € 525.000,-). Het standpunt van de vrouw in haar productie 5 laat zich, naar de rechtbank begrijpt, als volgt samenvatten (exclusief verrekenposten):
- overwaarde van het huis aan [straatnaam X] in Rotterdam, waar de
man in woont en dat op zijn naam staat (waarde € 270.000,- minus
schuld € 180.000,-) € 90.000,-
- onderwaarde van het huis aan [straaatnaam Y] in Bodegraven, waar
de vrouw in woont en dat op haar naam staat (waarde € 675.000,-
minus schuld € 1.200.000,-) -/- € 525.000,-
- waarde polissen/lijfrentes op naam van de man € 209.081,56
- waarde lijfrentes op naam van de vrouw € 90.686,45
- spaar-/beleggings-/levenslooptegoeden € 13.000,-
- waarde inboedel € 24.598,85
- partijen zijn tezamen met de ouders van de vrouw eigenaar van
een boot. Het aandeel van partijen daarin bedraagt 50% en
dat vertegenwoordigt een waarde van € 6.039,50. € 6.039,50,-
- waarde van de onderneming van de man € 150.000,- tot
€ 400.000,-.
2.6.
Later in de procedure heeft de vrouw de waarde van de onderneming van de man gesteld op:
- tussen de € 150.000 en de € 354.012,-, waarbij de vrouw verklaart bereid te zijn om uit te gaan van het gemiddelde van € 252.006,- (akte voor de rolzitting van 12 april 2017);
- € 693.168,- ( akte voor de rolzitting van 7 juni 2017). Hierbij beroept de vrouw zich op een brief/ taxatie de dato 1 juni 2017 van het bedrijf “[A.] .”
2.7.
De bestanddelen uit voormelde opgave van de vrouw die betrekking hebben op alleen het vermogen van de vrouw lijken de navolgende te zijn:
- onderwaarde van het huis aan [straaatnaam Y] in Bodegraven, waar
de vrouw in woont en dat op haar naam staat
(waarde € 675.000,- minus schuld € 1.200.000,-) -/- € 525.000,-
- waarde lijfrentes op naam van de vrouw € 90.686,45
- helft van spaar-/beleggings-/levenslooptegoeden ad € 13.000,- € 6.500,-
- aandeel vrouw in inboedel helft van € 24.598,85 € 12.299,43
- aandeel vrouw in boot helft van € 6.039,50 € 3.019,75,-
Negatieve waarde vermogen vrouw (zonder eventuele verrekening
van overgespaarde inkomsten): € 412.494,37.
2.8.
De vrouw heeft – afgezien van nog te verrekenen overgespaarde inkomsten - derhalve een negatief vermogen bij einde huwelijk. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat voor de vaststelling van de beide vermogens bij einde huwelijk rekening dient te worden gehouden met de verplichting tot verrekening van tijdens huwelijk overgespaarde inkomsten. Deze verrekening kan ertoe leiden dat zowel de man als de vrouw over een positief vermogen bij einde huwelijk beschikten, in welk geval de beide vermogens moeten worden samengevoegd en verdeeld als waren partijen gehuwd in gemeenschap van goederen.
2.9.
Peildatum voor de samenstelling en de omvang van het te verrekenen vermogen is, zoals reeds is geoordeeld, 17 april 2013, behalve ten aanzien van de verzekeringen, waarvoor 15 januari 2013 als peildatum geldt.
2.10.
Op 1 september 2002 is in werking getreden de nieuwe wettelijke regeling omtrent verrekenbedingen in huwelijksvoorwaarden (Burgerlijk Wetboek boek 1, Titel 8, Afdeling 2). Op dat moment waren de huwelijksvoorwaarden van partijen al opgesteld. Dan is het de vraag of het oude dan wel het nieuwe recht toepasselijk is met betrekking tot de verrekening van overgespaarde inkomsten.
2.11.
Op de op 1 september 2002 reeds bestaande huwelijksvoorwaarden die uitsluitend een finale verrekening van vermogen bevatten, blijft het recht zoals dit gold onmiddellijk voorafgaand aan 1 september 2002, van toepassing. Ten aanzien van huwelijkse voorwaarden, die - mede - een periodiek of finaal verrekenbeding omvatten, heeft deze nieuwe regeling onmiddellijke werking. In de huwelijksvoorwaarden van partijen is mede sprake van een periodiek of finaal verrekenbeding, zodat de nieuwe wettelijke regeling hier van toepassing is.
2.12.
Volgens de nieuwe wettelijke regeling wordt het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen vermoed te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de rekenplicht anders voortvloeit (art. 1:141 lid 3 BW).
2.13.
De man heeft zich niet beroepen op de eisen van redelijkheid en billijkheid om overgespaarde inkomsten niet te hoeven verrekenen, noch is de rechtbank gebleken van feiten en omstandigheden die een zodanig beroep zouden kunnen rechtvaardigen.
2.14.
De rechtbank zal de man in staat stellen te bewijzen dat het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen geheel of gedeeltelijk niet is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden. Het ligt in de rede dat de man daarbij in acht zal nemen dat de vrouw stelt dat met overgespaard inkomen geïnvesteerd is in aanschaf van diverse vermogensbestanddelen zoals de polissen, de onderneming van de man (die door hem is gekocht van zijn ouders en volgens de vrouw betaald zou zijn met een lening die tijdens huwelijk is afgelost) en in aanschaf van de woning in Rotterdam.
2.15.
De vrouw zal desgewenst, en zonodig, tegenbewijs mogen leveren.
2.16.
De rechtbank zal vervolgens beoordelen of de man geheel of gedeeltelijk is geslaagd in zijn bewijslevering.
2.17.
Aan de eventuele beoordeling van de waarde van de diverse vermogensbestanddelen kan nog niet worden toegekomen, nu nog niet vaststaat dat voor deze vermogensbestanddelen het finale verrekenbeding geldt.
2.18.
Het navolgende aspect behoeft nog nadere onderbouwing door de vrouw: op naam van alleen de vrouw staat de woning te Bodegraven, met een door de vrouw geschatte onderwaarde van € 525.000,-. De vrouw stelt dat de man de helft van de onderwaarde dient te dragen. De vrouw dient deze stelling nader te onderbouwen, nu tussen partijen geen sprake is van gemeenschap van goederen. Overigens is dit aspect niet relevant indien verrekening van overgespaarde inkomsten er toe mocht leiden dat zowel de vrouw als de man een positief vermogen hebben, want dan moet er ook nog verrekend worden als waren partijen in gemeenschap van goederen gehuwd.
3. De beslissing
De rechtbank
in conventie en reconventie
3.1.
draagt de man op te bewijzen dat het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen (geheel of gedeeltelijk) niet is gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden;
3.2.
bepaalt dat indien de man dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gerechtsgebouw te Rotterdam aan Wilhelminaplein 100/125, voor de ondergetekende rechter als rechter-commissaris,
3.3.
bepaalt dat indien de man indien deze getuigen wil laten horen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank
- Administratie haven en handel, afdeling planningsadministratie, kamer E12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, faxnummer 088-36 10555 -
de namens hem te horen getuigen en de verhinderdagen van de getuigen, alle partijen en hun advocaten in de maanden oktober 2017 tot en met december 2017 moet opgeven, waarna dag/dagen en uur van het getuigenverhoor zal worden bepaald;
3.4.
bepaalt dat de vrouw, indien zij getuigen in contra-enquête wil voorbrengen, bij de opgave van verhinderdata rekening moet houden met de in dat kader (vermoedelijk) te horen getuigen; voor contra-enquête zal een dagdeel dag worden gereserveerd na de voor het getuigenverhoor bepaalde dag en tijd;
3.5.
bepaalt dat de man, indien hij het bewijs niet door getuigen wil leveren maar door overlegging van bewijsstukken en/of door een ander bewijsmiddel, het voornemen hiertoe binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk aan de rechtbank
- Administratie haven en handel, afdeling roladministratie, kamer E12.55, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, faxnummer 088-36 10554 -
en aan de wederpartij moet opgeven, waarna de verdere procesvoering zal worden bepaald;
3.6.
bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken, voor zover nog niet in het geding gebracht, aan de rechtbank
- Administratie haven en handel, afdeling planningsadministratie, kamer E12.43, Postbus 50954, 3007 BR Rotterdam, faxnummer 088-36 10555 -
en de wederpartij moeten toesturen;
3.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2017.
2517/2504
Uitspraak 01‑02‑2017
Inhoudsindicatie
Afwikkeling huwelijksvoorwaarden (met verrekenbeding én wettelijk deelgenootschap). De rechtbank staat tussentijds appel toe maar de partij die zulks verzocht appelleert te laat (beslissing Gerechtshof). De rechtbank komt niet terug op haar bindende eindbeslissing inzake uitleg huwelijksvoorwaarden. De rechtbank gaat verder waar zij was gebleven: partijen moeten een vermogensstaat overleggen.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Handel
zaaknummer / rolnummer: C/10/510549 / HA ZA 16-942
Vonnis van 1 februari 2017
in de zaak van
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. drs. G. van der Wende te Capelle aan den IJssel,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. A. Zwart te Roosendaal.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 9 september 2015,
- -
de brief van 16 oktober 2015 van mr. Zwart,
- -
de antwoordbrief van 22 oktober 2015, aangevuld bij faxbrief van 23 oktober 0215, van mr. Van der Wende,
- -
de akte van 18 november 2015 van de vrouw, tevens wijziging van eis,
- -
de antwoordakte van 13 januari 2016 van de man,
- -
de akte van de vrouw van 13januari 2016,
- -
het tussenvonnis van 24 februari 2016 waarbij de rechtbank aan de man toestemming verleende om tussentijds hoger beroep aan te tekenen tegen het tussenvonnis van 9 september 2015,
- -
de verwijzing van de zaak in hoger beroep door het gerechtshof Den Haag naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch,
- het arrest van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch van 15 november 2016 waarbij de man niet-ontvankelijk is verklaard in het hoger beroep wegens overschrijding van de appeltermijn,
- het opbrengen van de zaak bij de rechtbank op verzoek van de vrouw.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De verdere beoordeling
in conventie en reconventie
2.1.
De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 9 september 2015 (onder 4.5) een uitleg gegeven aan de huwelijks voorwaarden die erop neer komt dat het (niet uitgevoerde) periodieke verrekenbeding van artikel 10 in geval van echtscheiding zijn werking blijft behouden naast het finale verrekenbeding (deelgenootschap) van de artikelen 11 en 12 . De man heeft de rechtbank verzocht tussentijds hoger beroep open te stellen althans van deze beslissing terug te komen. Het tussentijds hoger beroep heeft geleid tot het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 15 november 2016 waarbij de man niet-ontvankelijk is verklaard. Voor zover de man verlangt dat de rechtbank terugkomt van haar uitleg van de huwelijksvoorwaarden, heeft het volgende te gelden.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende grond bestaat terug te komen van de door haar in voornoemd tussenvonnis gegeven uitleg van in het bijzonder de artikelen 10, 11 en 12 van de huwelijks voorwaarden. Deze uitleg behoeft mogelijk wel enige verduidelijking. De huwelijksvoorwaarden bevatten op zichzelf een duidelijke regeling in het geval het deelgenootschap eindigt door ontbinding van het huwelijk door echtscheiding. Voor dat geval bepalen de huwelijksvoorwaarden (in artikel 12 in verband met artikel 11) dat de vermogens van ieder van partijen worden verrekend op basis van een algehele gemeenschap van goederen (tenzij één van de echtgenoten of beiden bij het einde van het deelgenootschap een negatief vermogen heeft). Daartoe dient iedere echtgenoot een beschrijving van zijn/haar vermogen te geven met een schatting van de waarde daarvan, onder aftrek van de waarde van goederen die een echtgenoot tijdens het deelgenootschap door erfopvolging, making of gift heeft verkregen; ten huwelijk aangebrachte goederen zijn niet van de verrekening uitgesloten, wel uitgezonderd zijn lijfsieraden, kleinodiën en verder lijfstoebehoren (artikel 11 lid 1 in verband met artikel 9).
2.3.
Deze regeling sluit echter niet uit dat ieder van de echtgenoten in zijn/haar opstelling vermogen opneemt waarop aanspraak bestaat op grond van het periodieke verrekenbeding van artikel 10. Uit lid 3 van artikel 10 volgt immers dat de aanspraak op periodieke verrekening gedurende vijf jaar na afloop van een boekjaar blijft bestaan. In de vermogensopstelling kunnen hoe dan ook aanspraken uit hoofde van periodieke verrekening over de jaren vanaf 2008 worden opgenomen. Op grond van rechtspraak van de Hoge Raad is een dergelijk vervalbeding bovendien in beginsel onaanvaardbaar, zodat de verreken-aanspraak hoogstwaarschijnlijk langer terugwerkt, in welk geval ook aanspraken uit hoofde van een niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding in de vermogensstaat kunnen worden opgenomen. Onder omstandigheden kan daartoe juist de redelijkheid en billijkheid die de verhouding tussen ex-echtgenoten beheerst daartoe nopen, bijvoorbeeld in een geval waarin één van de echtgenoten - als geen toepassing wordt gegeven aan artikel 10 - een negatief eigen vermogen heeft, zodat dan evenmin verrekening op grond van artikel 12 kan plaatsvinden, maar wel over een substantiële verrekenaanspraak op grond van artikel 10 beschikt..
2.4.
Partijen dienen thans uitvoering te geven aan artikel 12 in verband met de artikelen 10 en 11 van de huwelijks voorwaarden. Daarbij zal als peildatum gelden 17 april 2013, de dag waarop het verzoek tot echtscheiding is ingediend, met dien verstande dat voor de levens- en spaarpolissen als peildatum 15 januari 2013 zal worden gehanteerd op grond van een nadere afspraak van partijen (samengevat in het tussenvonnis van 9 september 2015, onder 4.13).
2.5.
De rechtbank zal partijen dan ook gelasten een akte te nemen houdende een vermogensopstelling als bedoeld in dit vonnis. Voor zover de vermogensopstelling van een van partijen – afgezien van aanspraken uit hoofde van het periodieke verrekenbeding – een negatief eindsaldo mocht vertonen, bestaat naar voorshands oordeel voldoende aanleiding deze aanspraken eveneens in de staat op te nemen. Vervolgens kan worden beoordeeld in hoeverre het verweer van de man dat niet aan verrekening wordt toegekomen op de grond dat de vrouw een negatief eindvermogen heeft, hout snijdt.
2.6.
Het bezwaar van de man tegen de eiswijziging van de vrouw bij akte van 18 november 2015 wordt verworpen. Niet is gebleken dat de eisen van de goede procesorde zich daartegen verzetten.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1.
verwijst de zaak naar de rolzitting van 15 maart 2017 voor het nemen van een akte door ieder van partijen houdende een vermogensopstelling als bedoeld in dit vonnis,
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. van den Bergh en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2017.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 01‑02‑2017