NJB 2025/487:Het als leider deelnemen aan een terroristische organisatie, art. 140a lid 1 en lid 2 Sr: HR verwijst naar CAG. Dat uit de bewijsvoering van het hof niet volgt dat de organisatie Ghuraba’a Mohassan vanaf een bepaald tijdstip nog daden van geweld heeft gepleegd, neemt niet weg dat het ook na dat tijdstip nog een organisatie was die het oogmerk had terroristische misdrijven te plegen. Daartoe komt betekenis toe aan de eerder gepleegde terroristische misdrijven, het gestructureerde karakter van de organisatie, de samenwerking met andere strijdende groeperingen en de omstandigheid dat zij in die periode ook nog deel uitmaakten van de strijd tegen het Syrische regeringsleger. Met name de eerder gepleegde misdrijven zeggen namelijk iets over de wijze waarop de organisatie haar deelname aan de strijd beoogde vorm te geven. Nadat tijdstip kon verdachte bovendien nog worden aangemerkt als leider van die organisatie. Daartoe telt mede dat in hoger beroep niet naar voren is gebracht dat de verdachte in dat deel van de bewezenverklaarde periode de organisatie zou hebben verlaten of het leiderschap zou hebben opgegeven. Het ‘wederrechtelijk’ dwingen van een overheid bij terroristisch oogmerk, art. 83a Sr: waren de gedragingen van de verdachte in casu niet wederrechtelijk omdat zij waren gericht tegen ‘het verwerpelijke regime van Assad’? De toevoeging van het begrip ‘wederrechtelijk’ aan art. 83a Sr sluit aan bij art. 1 lid 1 Kaderbesluit terrorismebestrijding en strekt ertoe buiten twijfel te stellen dat personen – waarbij genoemd zijn demonstranten en activisten – die op rechtmatige wijze proberen de overheid tot iets te bewegen, niet handelen met het hier bedoelde terroristisch oogmerk. Onjuist is de opvatting dat van het in art. 83a Sr bedoelde oogmerk tot het ‘wederrechtelijk dwingen’ van een overheid geen sprake kan zijn als het gaat om een misdrijf als genoemd in art. 83 Sr, dat moet worden aangemerkt als een verzetshandeling tegen ‘een verwerpelijk regime’. Overigens zal strafvervolging niet in alle gevallen opportuun worden geacht en voorts is niet uitgesloten dat in bijzondere situaties een beroep op een strafuitsluitingsgrond kan worden aanvaard als een verdachte zich op het standpunt stelt dat hij een in art. 83 Sr genoemd misdrijf heeft gepleegd met het doel het ‘repressieve apparaat van een abject regime aan te tasten’.