Zo stelde de verdachte in de andere zaken bijvoorbeeld ook een beter leven in Spanje in het vooruitzicht.
HR, 14-10-2025, nr. 24/03803
ECLI:NL:HR:2025:1546
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-10-2025
- Zaaknummer
24/03803
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1546, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑10‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1029
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2024:3506
ECLI:NL:PHR:2025:1029, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 23‑09‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1546
Beroepschrift, Hoge Raad, 01‑05‑2025
- Vindplaatsen
Uitspraak 14‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Mensenhandel met misbruik van kwetsbare positie van slachtoffer, art. 273f.1.1, 273f.1.4, 273f.6 en 273f.1.9 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht dwangmiddelen. Kon hof oordelen dat verdachte met zijn handelingen opzettelijk heeft veroorzaakt dat slachtoffer de prostitutiewerkzaamheden tegen haar wil heeft ondergaan? 2. Bewijsklacht uitbuiting. Had slachtoffer vrije keuze over inhoud, omvang en momenten van haar werkzaamheden? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Ad 1. O.b.v. vaststellingen in zijn bewijsvoering heeft hof kennelijk geoordeeld dat gedachte van slachtoffer (dat zij verdachte kwijt zou raken) geen losstaande gedachte betreft maar resultaat is van door verdachte (bewust) uitgeoefende (psychische) druk op verstandelijk beperkte vrouw en dat derhalve sprake is van “dwangmiddelen” a.b.i. art. 273f Sr. Dat oordeel is gelet op feiten en omstandigheden in deze zaak niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd. Ad 2. ’s Hofs oordeel dat handelingen van verdachte tot uitbuiting strekten c.q. dat uitbuiting zich heeft voorgedaan, is niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd. Enkele omstandigheid dat slachtoffer in uitvoering mogelijk enige praktische keuzes kon maken, neemt uitbuitingssituatie in deze zaak niet weg. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/03803
Datum 14 oktober 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 4 oktober 2024, nummer 20-000519-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten M.M. Kuyp en J.L. Baar bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) het bewezenverklaarde.
2.2
De bewezenverklaring, de bewijsoverwegingen en de bewijsmiddelen zijn weergegeven in de uitspraak van het hof die is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHSHE:2024:3506.
2.3
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2025.
Conclusie 23‑09‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Mensenhandel. Middel klaagt over 's hofs motivering dat sprake is van 'dwangmiddelen' en 'uitbuiting' in de zin van artikel 273f Sr. Middel faalt. Artikel 81 lid 1 RO. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/03803
Zitting 23 september 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 4 oktober 2024 (parketnummer 20-000519-22) door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie de in artikel 273f, eerste lid onder 1°, 4°, 6° en 9° van het Wetboek van Strafrecht omschreven feiten worden gepleegd, een persoon is bij wie misbruik van een kwetsbare positie wordt gemaakt", veroordeeld tot eenentwintig maanden gevangenisstraf, met aftrek van het voorarrest conform artikel 27 lid 1 Sr. Het hof heeft ook een beslissing genomen inzake het beslag en ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer), een en ander als nader in het arrest bepaald. Daarnaast heeft het hof de tenuitvoerlegging van de straf bevolen, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van 23 januari 2020 (parketnummer 01-880453-18) van de rechtbank Oost-Brabant, te weten een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.M. Kuyp, advocaat in Laren (Noord-Holland), en J.L. Baar, advocaat in Arnhem, hebben één middel van cassatie voorgesteld met motiveringsklachten over de bewezenverklaring.
Het middel
Deelklacht 1
3. In het middel zijn twee deelklachten te ontwaren. Allereerst richten de stellers van het middel hun pijlen op ’s hofs vaststelling dat de verdachte met zijn handelingen opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer de prostitutiewerkzaamheden tegen haar wil heeft ondergaan (‘dwangmiddelen’).
4. De stellers van het middel formuleren in dat kader twee standpunten:
1. Uit de verklaringen van het slachtoffer volgt dat de verdachte heeft gezegd dat er ook andere vrouwen voor hem in de prostitutie wilden werken. Nu het slachtoffer aan die verklaring van de verdachte zelf de gevolgtrekking heeft verbonden dat de relatie over zou zijn als zij dat niet (meer) zou willen, is van een dwangmiddel geen sprake;
2. Uit de verklaringen van het slachtoffer volgt tevens dat de verdachte aan het slachtoffer een leven in Spanje in het vooruitzicht heeft gesteld en dat daarvoor eerst geld verdiend moest worden. Ook dit levert, ondanks de kwetsbare positie van het slachtoffer (welke kwetsbaarheid de stellers van het middel op zichzelf niet betwisten), geen dwangmiddel op.
5. Het hof heeft hierover het volgende overwogen:
“Verder acht het hof bewezen dat de verdachte heeft gedwongen door en gedreigd met een ‘andere feitelijkheid’. Aan het begin van de relatie werd [slachtoffer] al te kennen gegeven dat de verdachte ook andere vrouwen kende die wel in de prostitutie wilden werken. [slachtoffer] was daardoor bang dat het einde relatie zou zijn als zij niet in de prostitutie ging werken. Dat aandringen en geen nee durven zeggen komt ook terug in de zaken van [naam 1] en [naam 2] . Verder heeft de verdachte, zoals hiervoor al is genoemd, een mooie toekomst in Spanje in het vooruitzicht gesteld. Daar moest echter wel wat tegenover staan, namelijk dat [slachtoffer] voldoende geld zou verdienen met prostitutiewerkzaamheden. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte door deze handelingen opzettelijk veroorzaakt dat [slachtoffer] de handelingen tegen haar wil heeft ondergaan. Zij was dit niet van plan, wilde dit niet, maar de verdachte heeft opzettelijk een zodanige psychische druk uitgeoefend dat het slachtoffer zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen die handelingen heeft kunnen verzetten. Daarbij betrekt het hof wederom de (kwetsbare) persoonlijkheid van [slachtoffer].”
6. Het hof baseert zijn oordeel kennelijk onder andere op het volgende, voor de beoordeling van deze klacht relevante bewijsmiddel:
“Het proces-verbaal van aangifte d.d. 5 januari 2021, dossierpagina’s 53-58, voor zover inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:
(…)
V: Je gaf in het gesprek ook aan dat je het gevoel had dat je misleid was door [verdachte] . Waardoor heb je dat gevoel?
A: Eerst hadden we een date, hij kwam lief en leuk over. Het werk wat hij deed bij [A] vond hij niks. Ik werkte op dat moment in de wellness in [plaats] bij [B] . [verdachte] vertelde me dat hij zijn oude baantje als chauffeur van een prostituee wel weer wilde oppakken. De ex-vrouw van [verdachte] deed dit werk ook in het verleden. Hij zei dat hij een betrouwbaar iemand nodig had en vroeg of ik dat misschien wilde doen. Ik was bang dat als ik het niet deed dat ik hem dan kwijt zou raken. Wij hadden deze gesprekken helemaal in het begin van onze relatie via WhatsApp. Ik heb deze gesprekken niet meer op mijn telefoon.
V: Waardoor dacht je dat?
A: Ik hou zoveel van hem en hij was zo lief en hij gaf mij complimentjes.
V: Wat zou er gebeuren als je het niet in de prostitutie was gaan werken?
A: Dan denk ik dat het einde relatie was. Hij zei wel eens tegen mij dat er wel meer vrouwen waren die het wel wilde doen. Ik dacht dan ‘oh nee ik wil hem niet kwijt’.
V: Je leerde vervolgens [verdachte] in augustus 2020 kennen. Wat waren jullie toekomstplannen samen?
A: [verdachte] liet mij zien dat het erg mooi was om in Spanje in [plaats] een appartement te hebben en om daar een leven op te bouwen. [verdachte] zei dat als we aan onze toekomst wilden werken, we daar wel wat voor moesten doen. En zo kwam de escort ter sprake. Het idee was om direct te starten in de escort, in de eerste instantie in de illegaliteit, maar om niet gepakt te worden sloten we ons aan bij een escortbedrijf, zodat we konden zeggen dat we daarvoor werkten als we aan de kant gezet zouden worden door de politie.”
7. Uit het bestreden arrest blijkt verder dat het hof nadrukkelijk heeft stilgestaan bij de kwetsbare persoon en positie van het slachtoffer. Vastgesteld is dat bij het slachtoffer sprake is van een lage intelligentie (zwakbegaafdheid), (al dan niet in combinatie met) PTSS en de nader in het arrest omschreven persoonlijkheidsstoornis met vermijdende en afhankelijke trekken. Dit zorgde er volgens het hof voor dat de keuzevrijheid van het slachtoffer was ingeperkt en dat zij ten tijde van het ten laste gelegde in een kwetsbare positie verkeerde. Daarnaast betrekt het hof in zijn oordeel de eerdere veroordeling van de verdachte van 23 januari 2020 wegens mensenhandel van twee vrouwen. Die zaken vertonen een aantal belangrijke overeenkomsten met de onderhavige zaak, zodat daaruit een herkenbaar en gelijksoortig patroon in het handelen van de verdachte kan worden opgemaakt,1.en dienen derhalve als steunbewijs in de onderhavige zaak.
8. Op basis hiervan heeft het hof kennelijk geoordeeld dat de gedachte van het slachtoffer – dat zij de verdachte kwijt zou raken – geen losstaande gedachte betreft, maar het resultaat is van door de verdachte (bewust) uitgeoefende (psychische) druk op een verstandelijk beperkte vrouw en dat derhalve sprake is van ‘dwangmiddelen’ in de zin van artikel 273f Sr. Dat oordeel acht ik gelet op de feiten en omstandigheden in deze zaak, niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd.
9. De klacht is tevergeefs voorgesteld.
Deelklacht 2
10. De tweede deelklacht borduurt in zekere zin voort op de eerste en stelt dat zelfs als er dwangmiddelen in het spel waren, daaruit niet volgt dat sprake is van uitbuiting. Niet is gebleken dat het slachtoffer niet de vrije keuze had over de inhoud, omvang en momenten van haar werkzaamheden. Zo ging bijvoorbeeld al het door het slachtoffer en de verdachte verdiende geld op één hoop, kon het slachtoffer haar eigen schuld met het verdiende geld afbetalen en heeft zij zelf het gesprek gevoerd met het escortbureau teneinde daar in dienst te treden. Ook blijkt volgens de stellers van het middel niet dat haar keuzevrijheid op een andere wijze is ingeperkt en is van een uitbuitingssituatie dus niet gebleken.
11. Het hof heeft ten aanzien van de uitbuiting als volgt overwogen:
“(Oogmerk van) uitbuiting
In het eerste onderdeel van het eerste lid van art. 273f Sr zijn gedragingen strafbaar gesteld die betrekking hebben op de activiteit van mensenhandel; handelingen die ertoe strekken een ander in een uitbuitingssituatie - dat wil zeggen een situatie die gelegenheid tot uitbuiting schept - te brengen. Voor de vervulling van de delictsomschrijving volstaat dat de verdachte met zijn gedragingen het oogmerk van uitbuiting van een ander heeft gehad. Niet is vereist dat de ander daadwerkelijk is uitgebuit (HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:B17099).
Voor een bewezenverklaring van art. 273f, lid 1, sub 4, Sr hoeft niet vast te staan dat de verdachte het oogmerk van uitbuiting had. Wel moet worden vastgesteld dat de in die onderdelen omschreven gedragingen zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld.
In art. 273f, lid 1, sub 9, Sr is uitbuiting ook een impliciet bestanddeel. Van uitbuiting in de context van sub 9 is niet slechts sprake als het verrichten van seksuele handelingen plaatsvindt onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld, maar ook als de wijze waarop degene die een ander dwingt, dan wel beweegt, hem te bevoordelen uit de opbrengst van (vrijwillig) verrichte seksuele handelingen meebrengt dat die bevoordeling plaatsvindt onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld (ECLI:NL:HR:2020:191).
Het zesde onderdeel van het eerste lid van art. 273f Sr tot slot, stelt het profijt trekken uit de uitbuiting van een ander strafbaar. Voor een bewezenverklaring van dit onderdeel is vereist dat het opzet van de dader behalve op het voordeel trekken ook (al dan niet voorwaardelijk) gericht was op de uitbuiting van een ander (HR 8 september 2015, NJ 2015/374).
De vraag of - en zo ja, wanneer - sprake is van 'uitbuiting' in de zin van de onderhavige bepalingen, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd.
Dat in de onderhavige zaak sprake is geweest van een uitbuitingssituatie, volgt naar het oordeel van het hof genoegzaam uit het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen. Daaruit kan immers worden afgeleid dat de verdachte - gedurende een periode van 3 maanden - economisch voordeel heeft getrokken uit de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer] en dat hij haar, door het gebruik van vorenbedoelde dwangmiddelen, in een positie heeft gebracht waarin het voor haar niet mogelijk was om zich aan de situatie te onttrekken. De situatie van [slachtoffer] was niet gelijk te stellen aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. De verdachte was uit op het verdienen van geld en gebruikte (de relatie met) [slachtoffer] daarvoor. Door de genoemde middelen en handelingen werd [slachtoffer] belemmerd in haar keuzevrijheid.
Artikel 273f, eerste lid, sub 9 van het Wetboek van Strafrecht
Uit de bewijsmiddelen komt naar het oordeel van het hof naar voren dat [slachtoffer] de opbrengst van de prostitutiewerkzaamheden steeds eerst aan de verdachte moest afstaan en dat dit geld vervolgens in een kluis moest worden gedaan. Die kluis stond in de woning van de verdachte. De helft van de opbrengst, althans wat overbleef na aftrek van het deel dat moest worden afgestaan aan het escortbedrijf, ging naar de verdachte. Het hof is van oordeel dat de verdachte aangeefster heeft bewogen om geld af te staan door middel van de vorenbedoelde dwangmiddelen. Zulks wordt onderschreven door de invloed die de verdachte uitoefende op aangeefster om geld te (blijven) verdienen met prostitutie zodat ze een mooie toekomst zouden hebben, hij de bedragen voorstelde en hij boos werd als [slachtoffer] zonder zijn medeweten een (in zijn visie te lage) prijs bepaalde. Daarmee stelt het hof vast dat de verdachte aangeefster heeft gedwongen en bewogen geld uit de prostitutiewerkzaamheden aan hem af te staan, hetgeen leidt tot een bewezenverklaring van art. 273f, lid 1, sub 9 Sr.
Artikel 273f, eerste lid, sub 6, van het Wetboek van Strafrecht
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat er sprake is geweest van een uitbuitingssituatie van [slachtoffer] . [slachtoffer] leerde verdachte kennen in augustus 2020 en zij krijgen vrijwel direct een relatie. Al snel na het begin van de relatie begint [slachtoffer] op instigatie van de verdachte met prostitutiewerk. De verdachte draagt financieel niets bij aan [slachtoffer] , maar teert wel op haar inkomsten uit de prostitutiewerkzaamheden. De verdachte beheert het geld en wendde dit voor een aanzienlijk deel te eigen bate aan. Ook werden de auto’s waar de verdachte (ook) gebruik van maakte, de boodschappen en een deel van zijn eigen vaste lasten, betaald van de opbrengsten van [slachtoffer] uit prostitutiewerk. Het hof komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat de verdachte eveneens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer].”
12. In het bestreden arrest heeft het hof nadrukkelijk stilgestaan bij de vraag of sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van artikel 273f Sr. In dit verband heeft het hof acht geslagen op de kwetsbaarheid van het slachtoffer, de afhankelijkheidsrelatie, de dwangmiddelen en het financieel voordeel waartoe het handelen van de verdachte strekte. De verdachte beheerde het door het slachtoffer verdiende geld en wendde dit routineus te eigen bate aan, zonder dat het slachtoffer hierin enige zeggenschap had. Het oordeel van het hof dat de handelingen van de verdachte tot uitbuiting strekten c.q. dat uitbuiting zich heeft voorgedaan, acht ik niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd. De enkele omstandigheid dat het slachtoffer volgens de stellers van het middel in de uitvoering enige praktische keuzes kon maken (de vraag in hoeverre daar overigens werkelijk sprake van is/was laat zich m.i. overigens niet in cassatie beantwoorden), neemt de uitbuitingssituatie in deze zaak niet weg.
13. De klacht is tevergeefs voorgesteld.
Slotsom
14. Het middel faalt in alle onderdelen en kan naar mijn mening worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
15. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
16. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 23‑09‑2025
Beroepschrift 01‑05‑2025
Cassatieschriftuur
Houdende 1 middel tot cassatie
Hoge Raad der Nederlanden (Strafkamer)
Digitaal ingediend
Gegevens van de zaak:
Arrest van Gerechtshof | : Den Bosch |
Rolnummer | : 20-000519-22 |
Datum arrest | : 4 oktober 2024 |
In de zaak van | : De heer [verdachte] |
Geboren op | : [geboortedatum]-1973 |
Wonende te | : [adres] |
Dossiernummer | : D202500260 |
Advocaten | : mrs. M.M. Kuyp & J.L. Baar |
Middel I
Het recht is geschonden en/of er zijn vormen verzuimd waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt. In het bijzonder zijn art. 273f Sr en/of art. 359 juncto art. 415 Sv geschonden, doordat het oordeel van het hof dat (telkens) sprake is van ‘een uitbuitingssituatie’ en dat sprake is van het gebruik van dwangmiddelen die (mede) die uitbuitingssituatie vormen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans is de bewezenverklaarde mensenhandel ontoereikend gemotiveerd. Niet afdoende heeft het hof vastgesteld dat sprake is geweest van uitbuiting, of van het oogmerk op die uitbuiting of van een veronderstelde uitbuitingsituatie.
Toelichting
1.
Het Gerechtshof heeft ten laste van verzoeker tot cassatie bewezenverklaard dat hij zich aan mensenhandel in de zin van artikel 273f lid 1 sub 1, sub 4, sub 9 en sub 6 Sr. Het hof heeft —terecht— voor deze verschillende subonderdelen van voornoemd artikel vastgesteld dat uitbuiting telkens een al dan niet impliciet bestanddeel is. Zo moet voor sub 1 sprake zijn van het oogmerk van uitbuiting, voor sub 4 moet het gaan om gedragingen die zijn begaan onder omstandigheden waarbij uitbuiting kan worden verondersteld, voor sub 9 geldt eveneens en voor sub 6 geldt dat het opzet ook op de uitbuiting gericht moet zijn geweest en dat die uitbuiting aldus ook bewezen zal moeten worden. Zoals het hof aldus overweegt op pagina 29 van het arrest.
2.
Het hof vervolgt dan echter met te overwegen:
‘De vraag of — en zo ja, wanneer — sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van de onderhavige bepalingen, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd.
Dat in de onderhavige zaak sprake is geweest van een uitbuitingssituatie, volgt naar het oordeel van het hof genoegzaam uit het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen. Daaruit kan immers worden afgeleid dat de verdachte — gedurende een periode van 3 maanden — economisch voordeel heeft getrokken uit de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer] en dat hij haar, door het gebruik van vorenbedoelde dwangmiddelen, in een positie heeft gebracht waarin het voor haar niet mogelijk was om zich aan de situatie te onttrekken. De situatie van [slachtoffer] was niet gelijk te stellen aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. De verdachte was uit op het verdienen van geld en gebruikte (de relatie met) [slachtoffer] daarvoor. Door de genoemde middelen en handelingen werd [slachtoffer] belemmerd in haar keuzevrijheid.’
3.
Belangrijk voor de beoordeling van dit middel is dat het hof bij deze overweging ook terugwijst naar de eerdere bewijsoverwegingen, waar is ingegaan op de veronderstelde kwetsbaarheid van het slachtoffer, het gebruik van dwangmiddelen en de vermeende onmogelijkheid voor het slachtoffer om zich aan de situatie te onttrekken.
4.
Naar het verzoeker tot cassatie voorkomt getuigt de vaststelling van het hof dat sprake is geweest van een uitbuitingsituatie van een onjuiste rechtsopvatting, althans van een gebrekkige motivering.
5.
Belangrijk is voorts ook nog dat ook uit de motivering van het hof volgt dat de veronderstelde dwangmiddelen die het hof bewezen acht, mede het bewijs voor de uitbuitingssituatie vormen. In zoverre valt dit middel dan ook uiteen in twee deelklachten, te weten dat het hof ten onrechte heeft vastgesteld dat van dwangmiddelen sprake is en ook ten onrechte heeft vastgesteld dat die dwangmiddelen mede tot de conclusie nopen dat van een uitbuitingssituatie sprake is geweest.
6.
Het hof bezigt tot het bewijs de verklaring van [slachtoffer] zoals opgenomen in het proces-verbaal van bevindingen, weergegeven op p. 7 en verder van het arrest, waar deze [slachtoffer] verklaart:
‘V: Je hebt eerst [verdachte] leren kennen en daarna ben je in de prostitutie gaan werken. Wat vond [verdachte] daarvan? .
A: Ja, ik moet een lening van mijn ex afbetalen. Het is een lening van 40.000 euro. Mijn ex heeft dit geld geleend toen wij nog getrouwd waren in gemeenschap van goederen. Ik heb nu een relatie en het geld wat ik nu verdien daar doen we gewoon samen mee, en daar betaal in mijn vaste lasten van en daar betaal ik die schuld mee af.’
7
En:
‘V: Hoe lang ben je aan het werk geweest bij VIP-escort?
A: Daar werk ik nog steeds. Afgelopen dinsdag is het dicht gegaan in verband met corona.
V: Is [verdachte] dan ook in dienst daar?
A: Ik ben daar in dienst en [verdachte] krijgt onkostenvergoeding van het escortbedrijf. Je moet het zo zien, ik krijg geld, voor 1 uur krijg ik 150 euro, daar gaat geld voor de chauffeur van af 40 euro en de dame, ik dus, krijgt ook 40 en de rest gaat naar het escortbureau.’
8.
En ook:
‘V: En hoe heb je het gedaan met het geld wat je hebt ontvangen van de klanten (…) illegaal zeg maar?
A: Gewoon voor mijzelf.
V: En [verdachte] dan?
A: Dat is gewoon samen.’
9.
Daarnaast heeft het hof het proces-verbaal van aangifte van 5 januari 2021 tot het bewijs gebezigd (p. 9 en verder van het arrest), waar [slachtoffer] verklaart:
‘V: Op een gegeven moment kwam het idee om jullie aan te melden bij een escortbedrijf. Hoe ging dat aanmelden?
A: Halverwege oktober heb ik me aangemeld bij het escortbedrijf. Ik heb contact gelegd met het escortbedrijf en zodoende kwam er een afspraak. Ik ging daar met [verdachte] heen. Ik had wel alleen het gesprek. Ze vertelde mij administratieve dingen over hoe het ging met belasting, maar ze vertelde mij ook dat ze werkten met chauffeurs. Toen gaf ik aan dat ik een chauffeur had. Ze vroegen me ook of ik gedwongen werd, maar op dat moment voelde dat niet zo voor mij. Dus gaf ik aan dat het niet gedwongen was. Achteraf heb ik alles gedaan met de gedachte ‘anders raak ik hem kwijt’, dat was altijd de achterliggende gedachte.’
10.
En:
‘V: Je gaf in het gesprek ook aan dat je het gevoel had dat je misleid was door [verdachte]. Waardoor heb je dat gevoel?
A: Eerst hadden we een date, hij kwam lief en leuk over. Het werk wat hij deed bij [A] vond hij niks. Ik werkte op dat moment in de wellness in [a-plaats] bij [B]. [verdachte] vertelde me dat hij zijn oude baantje als chauffeur van een prostituee wel weer wilde oppakken. De ex-vrouw van [verdachte] deed dit werk ook in het verleden. Hij zei dat hij een betrouwbaar iemand nodig had en vroeg of ik dat misschien wilde doen. Ik was bang dat als ik het niet deed dat ik hem dan kwijt zou raken. Wij hadden deze gesprekken helemaal in het begin van onze relatie via WhatsApp. Ik heb deze gesprekken niet meer op mijn telefoon.
V: Waardoor dacht je dat?
A: Ik hou zoveel van hem en hij was zo lief en hij gaf mij complimentjes.
V: Wat zou er gebeuren als je het niet in de prostitutie was gaan werken?
A: Dan denk ik dat het einde relatie was. Hij zei wel eens tegen mij dat er wel meer vrouwen waren die het wel wilde doen. Ik dacht dan ‘oh nee ik wil hem niet kwijt.’
V: Je leerde vervolgens [verdachte] in augustus 2020 kennen. Wat waren jullie toekomstplannen samen?
A: [verdachte] liet mij zien dat het erg mooi was om in Spanje in [b-plaats] een appartement te hebben en om daar een leven op te bouwen. [verdachte] zei dat als we aan onze toekomst wilden werken, we daar wel wat voor moesten doen. En zo kwam de escort ter sprake. Het idee was om direct te starten in de escort, in de eerste instantie in de illegaliteit, maar om niet gepakt te worden sloten we ons aan bij een escortbedrijf, zodat we konden zeggen dat we daarvoor werkten als we aan de kant gezet zouden worden door de politie.’
11.
En:
‘V: Op een gegeven moment kwam het idee om jullie aan te melden bij een escortbedrijf. Hoe ging dat aanmelden?
A: Halverwege oktober heb ik me aangemeld bij het escortbedrijf. Ik heb contact gelegd met het escortbedrijf en zodoende kwam er een afspraak. Ik ging daar met [verdachte] heen. Ik had wel alleen het gesprek. Ze vertelde mij administratieve dingen over hoe het ging met belasting, maar ze vertelde mij ook dat ze werkten met chauffeurs. Toen gaf ik aan dat ik een chauffeur had. Ze vroegen me ook of ik gedwongen werd, maar op dat moment voelde dat niet zo voor mij. Dus gaf ik aan dat het niet gedwongen was. Achteraf heb ik alles gedaan met de gedachte ‘anders raak ik hem kwijt’, dat was altijd de achterliggende gedachte.’
Dwangmiddelen
12.
In het arrest wordt vervolgens uitgebreid stilgestaan bij de kennelijk kwetsbare positie van deze [slachtoffer]. De vaststelling van haar kwetsbaarheid kan verzoeker tot cassatie in zoverre volgen. Dat ook het opzet op het misbruik van die kwetsbare positie kan worden bewezen, zoals het hof concludeert, en dat aldus überhaupt misbruik is gemaakt van die kwetsbare positie, echter niet. Belangrijk daarbij is dat het hof dat misbruik ziet in het feit dat aan [slachtoffer] een mooi leven in Spanje in het vooruitzicht zou zijn gesteld, en ook de vermeende ‘andere feitelijkheid’, waarmee zou zijn gedreigd, te weten dat er ook andere vrouwen in de prostitutie voor hem wilden werken, waardoor [slachtoffer] bang was dat de relatie zou eindigen. Het hof concludeert (p. 28 en 29 arrest).):
‘[slachtoffer] voldoende geld zou verdienen met prostitutiewerkzaamheden. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte door deze handelingen opzettelijk veroorzaakt dat [slachtoffer] de handelingen tegen haar wil heeft ondergaan. Zij was dit niet van plan, wilde dit niet, maar de verdachte heeft opzettelijk een zodanige psychische druk uitgeoefend dat het slachtoffer zich daardoor naar redelijke verwachting niet tegen die handelingen heeft kunnen verzetten. Daarbij betrekt het hof wederom de (kwetsbare) persoonlijkheid van [slachtoffer].’
13.
Deze vaststelling volgt echter niet uit de door het hof aangehaalde bewijsmiddelen en is naar het verzoeker tot cassatie voorkomt daarmee onvoldoende met redenen omkleed.
14.
Uit die bewijsmiddelen en met name de in deze schriftuur aangehaalde passages uit de verklaringen van [slachtoffer], volgt dat de heer [verdachte] weliswaar gezegd zou hebben dat er ook andere vrouwen voor hem in de prostitutie wilden werken, maar het is [slachtoffer] zelf die daar de gevolgtrekking aan verbindt dat de relatie over zou zijn als zij dat niet (meer) zou willen. Zij zegt in haar aangifte immers ook expliciet dat ze achteraf alles deed met de gedachte ‘anders raak ik hem kwijt’, dat was altijd de achterliggende gedachte.
15.
Dat zij zelf die gedachte had, kan echter niet tot de conclusie leiden dat de enkele opmerking dat er ook andere vrouwen waren die voor [verdachte] in de prostitutie zouden willen werken, een dwangmiddel oplevert of zodanige psychische druk genereerd dat daarmee van een dwangmiddel sprake is.
16.
Ook kan de vaststelling van het hof dat een leven in Spanje in het vooruitzicht is gesteld en dat zulks een dwangmiddel oplevert kan niet gevolgd worden, nu immers uit de verklaring van [slachtoffer] blijkt dat verzoeker tot cassatie weleens waar heeft opgemerkt dat het mooi zou zijn een toekomst in Spanje op te bouwen en dat daar eerst geld voor verdiend zou moeten worden, maar ook niet meer dan dat. Ook hier blijkt geen dwang of psychische druk uit.
17.
Het feit dat [slachtoffer] dit zo heeft ervaren omdat zij kennelijk kwetsbaar zou zijn maakt dat niet anders en ook kan niet gesteld worden, ook niet op basis van de overige bewijsmiddelen, dat daarmee sprake is geweest van misbruik van die kwetsbare positie. Gewezen kan daarbij worden op een al wat ouder arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden, waar is overwogen:
‘Het feit dat iemand in een zakelijke relatie met een prostituee geld verdient aan haar werkzaamheden maakt nog niet dat gesproken kan worden van uitbuiting. Dat wordt niet anders door het feit dat de vrouw op basis van haar geestelijke ontwikkeling als een kwetsbare persoon kan worden aangeduid. Evenmin wordt dit ander door de enkele omstandigheid dat de vrouw met enige regelmaat drugs gebruikt noch doordat een persoon ervoor kiest in de prostitutie te gaan werken om schulden af te betalen.’1.
18.
In die zaak was overigens ook de tenlastelegging toegesneden op de subjes 1,4, 6 en 9. Opmerking verdient nog dat opportunistisch handelen door geld te verdienen aan iemand die in de prostitutie werkzaam is, moreel laakbaar mag zijn, maar niet strafbaar is.2.3.
19.
Kortom: Het oordeel van het hof dat sprake is van dwangmiddelen is onjuist althans ontoereikend gemotiveerd, hetgeen op zichzelf al maakt dat de bewezenverklaring niet in stand kan blijven, nu immers ten aanzien van alle subjes is bewezenverklaard dat die gedragingen steeds werden verricht met gebruikmaking van die dwangmiddelen.
Uitbuiting
20.
Daarbij komt dat —los daarvan— de conclusie dat sprake was van een uitbuitingssituatie niet in stand kan blijven. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verzoeker tot cassatie als chauffeur optrad. Het werk werd deels via een escortbureau verricht, waar het escortbureau een deel van het geld voor kreeg, de sekswerker een deel en de chauffeur een deel. Uit verklaringen van [slachtoffer] blijkt bovendien dat al het door haar en door [verdachte] verdiende geld op één hoop ging en dat zij daar gezamenlijk van leefden. Daarnaast betaalde zij daarvan haar eigen schuld die zij had uit haar vorige relatie. Zij droeg dus niet bijvoorbeeld apart af voor kost en inwoning. Ook blijkt niet dat zij zelf geen invloed had op de tarieven, de werkuren of tijden, de te verrichten handelingen, etc. Zij heeft ook zelf het gesprek gehad bij het escortbureau en werkte dus ook in ieder geval deels via een legaal bureau.
21.
De strafbaarstelling van mensenhandel is gericht op het tegengaan van uitbuiting van mensen. Bij de strafbaarstelling staat het belang van het individu voorop. Dat belang is het behoud van zijn of haar geestelijke en lichamelijke integriteit en persoonlijke vrijheid.4.
22.
Het element van uitbuiting is daarmee kenmerkend voor mensenhandel.5. Uit het tweede lid van artikel 273f Sr volgt dat uitbuiting onder andere omvat: ten minste uitbuiting van een ander in de prostitutie en andere vormen van seksuele uitbuiting.6. De nadere invulling van het begrip is overgelaten aan de rechtspraak.
23.
De vraag wanneer sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van de onderhavige bepaling, is sterk verweven met de omstandigheden van het geval, zoals ook het hof terecht heeft overwogen. Zo komt onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene(n) meebrengt en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald. Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd.7.
24.
Gezien de wetgeschiedenis over het begrip mensenhandel en de constructie van art. 273f lid 1 Sr, veronderstelt de kwalificatie mensenhandel dat in elk geval sprake dient te zijn van ofwel oogmerk van uitbuiting ofwel daadwerkelijke uitbuiting.8. Bovendien blijkt uit de jurisprudentie van de Hoge Raad dat uitbuiting in alle gevallen onvrijwilligheid inhoudt.9. Het slachtoffer moet in een situatie gebracht zijn of gehouden worden, waarin redelijkerwijs geen andere keus meer is dan zich te laten exploiteren.10.
25.
Lid 2 van 273f Sr geeft een zeer globale definitie van uitbuiting. De uitwerking is voor het overige aan de rechtspraak overgelaten. Hiervoor, onder punt 22, is het toetsingskader, zoals de Hoge Raad dit in een arrest uit 2009 uiteengezet heeft, al geschetst.11. Deze overweging is in een arrest van eind 2018 nogmaals herhaald.12.
26.
Belangrijk daarbij is dat in die zaak het oordeel dat uitbuiting niet bewezen kon worden verklaard, in stand werd gelaten. Het hof nam wel aan dat sprake was van misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, maar bij het ontbreken van uitbuiting, kan dat niet tot de bewezenverklaring van mensenhandel leiden. Het hof overwoog dat de verdachten zich niet hadden gedragen als behoorlijk werkgevers. Zij hebben de betrokkene na diens vertrek bovendien van zijn salaris bestolen. Echter, tijdens de tewerkstelling is zijn salaris wel betaald (op een bankrekening waartoe hij overigens geen toegang had), hij was naar behoren gehuisvest, niet belemmerd in zijn bewegingsvrijheid en werd niet onheus bejegend.
27.
Zoals ook uit dat arrest volgt hoeft het feit dat een of meer dwangmiddelen kunnen worden bewezen niet te betekenen dat altijd sprake is van uitbuiting.13. De overwegingen uit dat arrest zijn overigens sowieso relevant voor onderhavige zaak, met name waar het hof overweegt:
‘Daarbij geldt dat niet uit de bewijsmiddelen blijkt dat de gepleegde winkeldiefstallen een forse beperking van de persoonlijke vrijheid van de aangeefster inhielden. Van bijvoorbeeld ‘lange werkdagen’ is niet gebleken. Dat de (keuze)vrijheid van de aangeefster anderszins was ingeperkt volgt evenmin in voldoende mate uit de bewijsmiddelen. Verder is van belang dat met de winkeldiefstallen weliswaar goed verdiend werd, maar dat die inkomsten niet enkel aan de verdachte toekwamen.’
28.
Zoals hiervoor al uiteengezet is blijkt niet dat [slachtoffer] niet de vrije keuze had over de inhoud, omvang en momenten van haar werkzaamheden en dergelijke. Ook blijkt niet dat haar keuzevrijheid op andere wijze was ingeperkt. Zij zegt —achteraf— het gevoel gehad te hebben dat als zij zou stoppen de relatie voorbij zou zijn, maar van een daadwerkelijke inperking van haar keuzevrijheid of daadwerkelijke onvrijwilligheid door psychische druk blijkt niet. Ook hier geldt dat de inkomsten niet enkel verzoeker tot cassatie toekwamen, maar dat aangeefster daar haar schuld van afbetaalde en dat zij daar voor het overige gezamenlijk van leefden en spaarden.
29.
Kortom, de slotsom is dat van een uitbuitingssituatie gewoonweg niet blijkt. Op dat punt kan het oordeel van het hof niet in stand blijven en is het onvoldoende met redenen omkleed. De vaststelling van het hof dat door de middelingen en handelingen van [verdachte] sprake was van een ‘belemmering in haar keuzevrijheid’,14. is niet enkel niet houdbaar, maar behelst niet dat het vermeende slachtoffer is gebracht of gehouden in een situatie waarin zij redelijkerwijs geen andere keuze had dan zich te laten exploiteren.
30.
Ook daarom kan het bestreden arrest niet in stand blijven.
Volmacht
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mrs. M.M. Kuyp & J.L. Baar, kantoorhoudende aan de Brink 16a (1251 KW) te Laren en de Mr. E.N. van Kleffenstraat 4 te (6842CV) Arnhem, die hierdoor verklaren tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker in cassatie.
Laren, 1 mei 2025,
M.M. Kuyp
J.L. Baar
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 01‑05‑2025
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 april 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ8892. Dit arrest is overigens na cassatie in stand gebleven: HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1504.
Gerechtshof Amsterdam 3 augustus 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3221.
Souteneurschap is op zichzelf immers niet strafbaar, zolang de in 2023 in gewijzigde consultatie Wet Regulering Sekswerk niet in werking is getreden althans.
Kamerstukken II 2003–2004, 29291, nr. 3. p. 2. Zie ook: P. Van Der Meij, Tekst & Commentaar Strafrecht, commentaar op artikel 273f Sr.
A.J. Machielse, ‘Commentaar op artikel 273f Sr’, in: Noyon/Langemeijer/Remmelink, Het Wetboek van Strafrecht, Deventer: Kluwer.
Volledigheidshalve kan worden opgemerkt dat uitbuiting ingevolge artikel 273f, tweede lid, Sr eveneens omvat gedwongen of verplichte arbeid of diensten, met inbegrip van bedelarij, slavernij en met slavernij te vergelijken praktijken, dienstbaarheid en uitbuiting van strafbare activiteiten. Hiermee heeft voornoemde bepaling een veel ruimere strekking dan het oorspronkelijke artikel 250a Sr (oud).
Zie onder meer: Hoge Raad 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099, NJ 2010/598 m.nt. Y. Buruma.
Zie: noot P.H.P.H.M.C. Van Kempen bij NJ 2016/315.
HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:554.
Tekst en Commentaar, artikel 273f, aant. 10b, bijgewerkt tot 01-10-2024.
HR 27 oktober 2009. LJN NI7099.
HR 16-10-2018, ECLI:NL:HR:2018:1946, NJ 2019/271.
Hof Amsterdam 16 juni 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:1398.
P. 30 van het arrest van 4-10-2024.