RAV 2025/52
Caribische zaak. Is het gerechtvaardigd dat Caribische advocaten, bij gebrek aan een wettelijke regeling, geen toegang hebben tot de cassatiebalie bij de Hoge Raad, ondanks dat zij procederen voor dezelfde hoogste rechter als hun Europees-Nederlandse collega’s?
HR 04-04-2025, ECLI:NL:HR:2025:518
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
4 april 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Kroeze, C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, G.C. Makkink
- Zaaknummer
24/00037
- Conclusie
A-G mr. B.J. Drijber
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD16761:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Grondrechten
Verbintenissenrecht / Onrechtmatige daad
Juridische beroepen / Advocaat
Staatsrecht / Staatsinrichting
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:518, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑04‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:1328, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 06‑12‑2024
Beroepschrift, Hoge Raad, 02‑01‑2024
- Wetingang
Essentie
Caribische zaak. Gelijkheidsbeginsel. Cassatieadvocaat.
Is het gerechtvaardigd dat Caribische advocaten, bij gebrek aan een wettelijke regeling, geen toegang hebben tot de cassatiebalie bij de Hoge Raad, ondanks dat zij procederen voor dezelfde hoogste rechter als hun Europees-Nederlandse collega’s?
Samenvatting
A is advocaat en houdt mede kantoor op Bonaire. Op 27 september 2012 heeft hij, met een beroep op art. 9j van de Advocatenwet, de secretaris van de algemene raad van de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) verzocht om (voorlopige) inschrijving op het tableau van de NOvA als advocaat bij de Hoge Raad. Dit verzoek is afgewezen ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.