Zie op eenzelfde wijze m.b.t. de ‘eigen wetenschap’ van de verdachte mijn conclusie van 1 april 2014, ECLI:NL:PHR:2014:1056, onder nr. 11 (HR: 81 RO).
HR, 17-02-2015, nr. 13/02347
ECLI:NL:HR:2015:348
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-02-2015
- Zaaknummer
13/02347
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:348, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 17‑02‑2015; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:2895
ECLI:NL:PHR:2014:2895, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 16‑12‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:348
- Vindplaatsen
Uitspraak 17‑02‑2015
Inhoudsindicatie
HR: art. 80a RO.
Partij(en)
17 februari 2015
Strafkamer
nr. S 13/02347
LNU
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 18 april 2013, nummer 21/003394-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. D. Greven, advocaat te Enschede, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier S.C. Rusche, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2015.
Conclusie 16‑12‑2014
Inhoudsindicatie
HR: art. 80a RO.
Nr. 13/02347 Zitting: 16 december 2014 | Mr. Aben Conclusie inzake: [verdachte] |
1. Het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft bij arrest van 18 april 2013 de verdachte ter zake van 1. primair “poging doodslag” en 2. “mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Voorts bevat het arrest enkele bijkomende beslissingen.
2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. D. Greven, advocaat te Almelo, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Beide middelen komen op tegen de motivering van de onder 1 bewezenverklaarde poging doodslag. Het hof heeft – kort gezegd – bewezenverklaard dat de verdachte heeft gepoogd zijn vrouw van het leven te beroven door haar meermalen met een mes in haar buik en het bovenlichaam te steken.
4. Het eerste middel klaagt dat het hof niet heeft gereageerd op een namens de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.
5. Door de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de verklaringen van de aangeefster niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd omdat: (1) deze niet zijn gebaseerd op haar eigen waarneming, en (2) de verklaringen onbetrouwbaar zijn vanwege tegenstrijdigheden in deze verklaringen en zij bovendien onder invloed verkeerde van alcohol en medicatie.
6. Voor zover, gelet op de summiere onderbouwing, al gesproken kan worden van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt vindt hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht zijn weerlegging in de bewijsvoering van het hof. In zijn nadere bewijsmotivering heeft het hof immers geoordeeld dat de eerste verklaring van de aangeefster inhoudende dat er ruzie was, dat zij de verdachte naar het mes zag lopen en dat zij zichzelf niet heeft gestoken betrouwbaar is. Die verklaringen vinden ook steun in de bij de aangeefster aangetroffen verwondingen, aldus het hof. Dat de aangeefster later is teruggekomen op haar aangifte acht het hof wel begrijpelijk, gelet op de telkens herstelde relatie met de verdachte, maar niet geloofwaardig.
7. Voor zover het middel nog aanvoert dat de verklaring van de aangeefster dat (het niet anders kan dan dat) de verdachte haar heeft gestoken niet is gebaseerd op haar eigen waarneming, faalt het eveneens. Het hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de verklaring dat de verdachte haar heeft gestoken een toelaatbare gevolgtrekking betrof die voortvloeide uit haar eigen waarneming en ondervinding dat zij ruzie met de verdachte had, dat zij de verdachte naar het mes zag lopen, dat zij zichzelf niet heeft gestoken en dat er niemand anders in de woning was.1.
8. Het middel faalt.
9. Het tweede middel klaagt erover dat het hof in de bewijsoverweging feiten en omstandigheden met betrekking tot de meest aannemelijke locaties van het letsel redengevend heeft geacht voor de bewezenverklaring, terwijl deze feiten en omstandigheden niet uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid.
10. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de overweging van het hof dat de diepe steekwonden aan de rechterzijde van het lichaam minder goed passen bij het zelf steken door een rechtshandige vrouw, niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Nog afgezien van het feit dat een dergelijke eis geen steun vindt in het recht indien – zoals in het onderhavige geval – in de bewijsoverweging met voldoende mate van nauwkeurigheid is aangegeven waaraan die redengevende feiten en omstandigheden zijn ontleend,2.mist het middel feitelijke grondslag. De in het middel bedoelde passage uit het NFI-rapport is immers als bewijsmiddel 16 tot het bewijs gebezigd. Daaruit valt voorts af te leiden dat drie van de vier verwondingen rechts van het midden zijn gelokaliseerd. Bewijsmiddel 15 houdt vervolgens in dat de aangeefster rechtshandig is.
11. Het middel faalt.
13. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest aanleiding behoort te geven.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑12‑2014
Vgl. HR 23 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA5858, NJ 2008/70, m.nt. Borgers.