HR, 18-09-2020, nr. 19/04365
19/04365
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-09-2020
- Zaaknummer
19/04365
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2020:1419, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑09‑2020; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2019:3644
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑09‑2020
- Vindplaatsen
NLF 2020/2319 met annotatie van Khadija Bozia
FED 2020/145 met annotatie van M.H.W.N. Lammers
NTFR 2020/2663 met annotatie van mr. A.J.C. Perdaems
FutD 2020-2663
Viditax (FutD) 2020091807
Uitspraak 18‑09‑2020
Inhoudsindicatie
Art. 7:2 e.v. Awb; Afzegging (volgend) hoorgesprek kort tevoren en onder opgave van redenen. Ondubbelzinnig kenbaar maken niet (verder) te willen worden gehoord?
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/04365
Datum 18 september 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie gericht tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 augustus 2019, nr. 18/00400, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 17/3380) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Namens belanghebbende is de zaak schriftelijk toegelicht door J.R.R. Oevering, advocaat te Amsterdam.
2. Beoordeling van het middel
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1
Aan belanghebbende is een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2015 (hierna: de aanslag) opgelegd.
2.1.2
Naar aanleiding van het door belanghebbende tegen de aanslag ingediende bezwaarschrift heeft op 13 juni 2017 een hoorgesprek plaatsgevonden. Tijdens dit hoorgesprek is afgesproken dat een tweede hoorgesprek zou worden gehouden waarin door belanghebbende nog over te leggen stukken zouden worden besproken. Bij e-mail van 14 juni 2017 is belanghebbende door de Inspecteur uitgenodigd voor dat tweede hoorgesprek op 19 juni 2017.
2.1.3
Voor aanvang van het tweede hoorgesprek heeft belanghebbende telefonisch contact met de Inspecteur opgenomen met de mededeling dat zij onderweg naar het hoorgesprek door de politie is aangehouden en dat zij het hoorgesprek afzegt. Bij uitspraak op bezwaar van 20 juni 2017 is de aanslag gehandhaafd.
2.2.1
Bij het Hof was onder meer in geschil of de Inspecteur de hoorplicht heeft geschonden.
2.2.2
Het Hof heeft overwogen dat niet is komen vast te staan dat belanghebbende na het afzeggen van het tweede hoorgesprek heeft verzocht om een nieuwe datum voor het tweede hoorgesprek. De stellingen van partijen spreken elkaar op dit punt tegen en nader bewijs voor een dergelijk verzoek ontbreekt, aldus het Hof. Voorts is niet aannemelijk geworden dat na het eerste hoorgesprek van 13 juni 2017 en vóór het doen van uitspraak op bezwaar feiten en omstandigheden aan de Inspecteur bekend zijn geworden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing aanmerkelijk van belang hadden kunnen zijn. Daaruit volgt dat de Inspecteur niet op grond van artikel 7:9 Awb was gehouden om een tweede hoorgesprek te laten volgen.
2.3
Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat de Inspecteur niet gehouden was om een tweede hoorgesprek te houden. Betoogd wordt dat de Inspecteur uit de afzegging niet zonder meer mocht afleiden dat belanghebbende afstand heeft gedaan van haar recht te worden gehoord.
2.4
De door het Hof vastgestelde feiten houden in dat belanghebbende een afgesproken (volgend) hoorgesprek kort tevoren en onder opgave van redenen heeft afgezegd, en dat die afspraak voor dat hoorgesprek was gemaakt om belanghebbende in staat te stellen om nadere stukken over te leggen en te bespreken. Gelet op deze feiten is niet zonder meer begrijpelijk dat het Hof heeft aangenomen dat de Inspecteur ervan uit kon gaan dat belanghebbende ondubbelzinnig kenbaar had gemaakt niet (verder) te willen worden gehoord.Het middel slaagt in zoverre en behoeft voor het overige geen behandeling. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
3. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank een vergoeding moet worden toegekend.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 128, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 2.100 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2020.
Beroepschrift 18‑09‑2020
betreft : [X] / Staatssecretaris van Financiën (uw kenmerk: 19/04365)
Edelhoogachtbaar college,
In vervolg op het beroep in cassatie in bovengenoemde zaak van [X], wonende te [a-straat 1] te [Z], stel ik mij als advocaat-gemachtigde in deze procedure met bovengenoemd kenmerk. Voorts zend ik u bijgaand de onderhavige uitspraak van het Hof Amsterdam.
Hierna vul ik graag de gronden nader aan. Met betrekking tot dit cassatieberoep worden de volgende middelen van cassatie voorgedragen:
Cassatiemiddel i
Schending van het recht althans onjuiste toepassing van het recht, dan wel verzuim van vormen, doordat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld bij r.o. 4.4.4. en r.o. 4.5 dat er geen gehoudenheid was tot een tweede hoorgesprek. Dat oordeel is onjuist, althans zonder nadere motivering —welke ontbreekt— niet begrijpelijk.
Cassatiemiddel i (toelichting)
Artikel 7:2 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt als volgt: "Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. Uit vast jurisprudentie volgt dat het horen een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftprocedure.
Uit de verdere omstandigheid dat belanghebbende expliciet heeft aangegeven dat zij gehoord wenste te worden en zij niet is teruggekomen op haar eerder gedane verzoek te worden gehoord, mocht de Inspecteur niet zonder meer afleiden en beslissen dat belanghebbende niet meer gehoord wilde worden en afstand zou hebben gedaan van haar recht te worden gehoord, alsmede geen nadere stukken ingediend zouden worden tot op het hoorgesprek (vgl. HR 15 mei 2009, nr. 08/00437, ECLI:NL:HR:2009:BI3751 en HR 19 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:59).
Het oordeel in de bestreden uitspraak dat de Inspecteur kon afzien van het nader horen, is derhalve onjuist. De Inspecteur dient derhalve alsnog toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 7:2 Algemene wet bestuursrecht. Ik verzoek u dan ook om de bestreden uitspraak niet in stand te laten blijven.
Conclusie
Op grond van vorenstaande verzoek ik Uw Raad namens [X] de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam te vernietigen en de aangelegenheid te verwijzen naar de Inspecteur voor verdere behandeling.
Teneinde er zeker van te zijn dat deze brief met stukken u bereikt, zend ik deze zowel per post als fax. Mocht u nog vragen of opmerkingen hebben, dan hoor ik dat graag.
Hoogachtend,
[….] (advocaat)