Het voorlopig getuigenverhoor
Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/342:342 Bewijs ziet niet op de kern van de feiten
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/342
342 Bewijs ziet niet op de kern van de feiten
Documentgegevens:
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS457058:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie de conclusie van A-G Huydecoper voor HR 24 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4980 en de in noot 7 van zijn conclusie genoemde jurisprudentie; Hof Amsterdam 20 januari 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AT5992, NJF 2005, 184.
HR 24 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0382, NJ 1989, 121, m.nt. J.B.M. Vranken (Van Ewijk/Staat).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De verzoeker die vage en/of niet relevante feiten wil onderzoeken, kan zijn verzoek zien stranden omdat het niet voldoet aan de wettelijke eisen (zie par. 5.5) of omdat misbruik op grond van het doelcriterium wordt aangenomen (de verzoeker is op fishing expedition en blijft daarmee niet binnen de grenzen van het doel van het voorlopig getuigenverhoor, zie par. 8.4.3). In beide gevallen is er geen ruimte meer voor een belangenafweging. In minder duidelijke gevallen van weinig specifiek omschreven te bewijzen feiten en bij minder grote vraagtekens of de te bewijzen feiten iets hebben uit te staan met de vordering in de hoofdzaak, kan de factor van te vage en/of niet relevante feiten een rol spelen in de belangenafweging.1 In de praktijk speelt deze factor vaak een rol.
In het arrest Van Ewijk/Staat2 overwoog de Hoge Raad dat het hof als uitgangspunt had genomen dat “het verzoekschrift niet betrekking heeft op het bewijs van de kern van de feiten die als grondslag in aanmerking komen voor een vordering tegen de Staat als verzoekster stelt voornemens te zijn in te stellen”. Daarop was door het hof een belangenafweging gemaakt. Hieruit mag worden opgemaakt dat ook een rol speelt of de te bewijzen feiten al dan niet rechtstreeks relevant zijn voor de beslissing van de vordering in de hoofdzaak.