Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/9.4:9.4 Samenvatting en conclusies
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/9.4
9.4 Samenvatting en conclusies
Documentgegevens:
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491408:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk is de volgende deelvraag onderzocht:
Dient de fiscale wetgever te voorkomen dat (wenselijke) splitsingen worden belemmerd in de vorm van vennootschapsbelasting en zo ja, moet dan worden voorzien in doorschuif- of betalingsregelingen?
Naar mijn mening is het wenselijk dat de fiscale wetgever voorkomt dat (wenselijke) splitsingen worden belemmerd met vennootschapsbelasting. In het algemeen heeft een splitsing een (bedrijfs)economische, organisatorische en/of juridische achtergrond. Daarmee is een splitsing doorgaans ook vanuit maatschappelijk oogpunt wenselijk. Het is volgens mij dan in overeenstemming met de fiscaal-theoretische toets ervoor te zorgen dat de betrokkenen bij splitsingen niet fiscaal worden belemmerd met (in dit geval) vennootschapsbelasting. Dit kan worden gebaseerd op het welvaartsbeginsel, de economische dimensie van het neutraliteitsbeginsel en het liquiditeitsbeginsel. Het is naar mijn mening niet wenselijk om aan een splitsing zonder fiscale belemmeringen een ‘liquiditeitstoets’ te koppelen. Door wenselijke splitsingen niet te belemmeren, wordt naar mijn mening ook rechtgedaan aan de fiscaaltechnische toets, in die zin dat de wetgever ook voor andere herstructurerings- en (interne) reorganisatievormen heeft voorzien in regelingen waarmee fiscale belemmeringen in de vorm van vennootschapsbelastingheffing worden voorkomen. Ten slotte is het vermijden van vennootschapsbelastingbelemmeringen bij splitsingen in overeenstemming met het hoger recht in de vorm van de Fusierichtlijn.
Voor het antwoord op de vraag of moet worden voorzien in doorschuif- of betalingsregelingen heb ik beide methoden naast elkaar gezet. Betalingsregelingen zijn ten opzichte van doorschuifregelingen mijns inziens per definitie suboptimaal. Bij betalingsregelingen staat namelijk vooraf vast dat de belastingaanslag (uiterlijk) op een of meer vooraf vastgestelde tijdstippen moet worden voldaan. Het is denkbaar dat dan (nog steeds) liquiditeiten ontbreken. Voor zover dit het geval is, worden het welvaarts-, neutraliteits- en liquiditeitsbeginsel (alsnog) geweld aangedaan, tenzij opnieuw uitstel van betaling wordt verleend. Om die reden hebben doorschuifregelingen de voorkeur. Bovendien verplicht de Fusierichtlijn voor bepaalde betrokkenen bij een splitsing te voorzien in een doorschuifregelingen.