Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/3.8
3.8 De toegang tot het Gerecht en het Hof van Justitie tegen Uniehandelingen
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Enige nuancering is hier wel op zijn plaats. Het Statuut van het Hof van Justitie en het Reglement van het Gerecht bevatten namelijk belangrijke aanvullende procedurele bepalingen.
Zie uitgebreid daarover Jans, De Lange, Prechal en Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht (2002), p. 307 en Lauwaars en Timmermans, Europees recht in kort bestek (2003), hoofdstuk.
HvJ EG 16 juni 1966, 54/65 (Companie des Forges de Chatillon).
HvJ EG 15 maart 1967, 8-11/66.
HvJ EG 11 november 1981, 60/81 (IBM).
HvJ EG 31 maart 1993, gevoegde zaken C-89/85, C-104/85, C-114/85, C-116/85, C-117/85 en C125/85 tot C-129/85 (Ahlstrbm).
HvJ EG 9 maart 1994, C-188/92 (TWD Textilwerke Deggendorf).
HvJ EG 20 september 2007, AB 2007/344 (Commissie versus Spanje).
HvJ EG 20 september 2007, AB 2007/344 (Commissie versus Spanje).
HvJ EG 1 juli 1965, 106 en 107/63 (Toepfer) en 23 november 1971, 62/70 (Bock).
HvJ EG 22 oktober 1986, 75/84 (Metro) en 9 juli 1987, 43/85 (Ancides).
HvJ EG 28 januari 1986, 169/84 (Cofaz).
In de Nederlandse terminologie gaat het hier om beleidsvrijheid. Zie Jans, De Lange, Prechal en Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht (2002), p. 99.
HvJ EG 13 mei 1971, 41-44/70 (Appels).
HvJ EG 23 november 1971, 62/70 (Bock).
Ondermeer HvJ EG 8 maart 2007, AB 2007/137 (Roquette Frères).
Zie ook Jans, De Lange, Prechal en Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht (2002), p. 315.
HvJ EG 11 juli 1968, 6/68 (Watenstedt).
HvJ EG 18 november 1975, 100/74 (CAM); 31 maart 1977, 88/76 (Suiker Export) en 23 april 2009, IB 2009/170 (Stahlstedt).
HvJ EG 20 maart 1985, 264/82 (Timex). Zie voorts 11 juni 1992, C-358/89 (Extramet).
HvJ EG 25 juni 2002, C-50/00 P (Pequefios Agricultores) en 1 april 2004, AB 2004/210 (Jégo-Quéré).
Jans, De Lange, Prechal en Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht (2002), p. 306307.
Verordeningen, richtlijnen en besluiten die zijn aangenomen volgens de gewone of volgens een bijzondere wetgevingsprocedure worden gepubliceerd (art. 297 VWEU). Gelet op art. 102 lid 1 Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en art. 81 lid 1 Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie vangt eerst 14 dagen nadien de beroepstermijn aan. Het gaat hier niet om een verlenging van de beroepstermijn, maar om een specificatie van het begrip bekendmaking in de zin van het slotgedeelte van art. 263 VWEU, aldus Barents, EU-procesrecht (2010), p. 540.
Ook in de gevallen dat publicatie niet verplicht is maar de wetgever dit wel pleegt te doen, mag de verzoeker zich baseren op de verwachting dat publicatie plaats zal hebben. De beroepstermijn vangt dan pas 14 dagen later aan. Zie GvEA 25 maart 2004, T-264/03.
HvJ EG 13 december 2000, C-44/00 P (Sodima).
Die kan uit objectieve elementen (abnormale omstandigheden gelegen buiten verzoeker) of subjectieve elementen (het gedrag van verzoeker in die situatie) bestaan. Zie HvJ EG 12 juli 1984, 2009/83 (Fereira Valsabbia). Maatstaf is die van een zorgvuldig handelende ondernemer, die er bijvoorbeeld rekening mee houdt dat de postbezorging wat kan zijn vertraagd. Zie HvJ EG 2 maart 1967, 26/65 (Simet) en 7 mei 1998, C-239/97. Indien zoals in de zojuist genoemde zaak Simet het Hof zelf te laat de stukken afhaalt wordt wel overmacht aangenomen. Zie verder Barents, EU-procesrecht (2010), p. 535-537.
GvEA 14 februari 2001, T-3/00. Zie verder Barents, EU-procesrecht (2010), p. 537-538.
GvEA 17 september 2007, T-201/04 (Microsoft), par. 94.
HvJ EG 8 november 2007, C-242/07 P.
HvJ EG 27 november 2007, C-163/07 P, par. 26.
Dit geldt ook voor de vraag of een partij beroep kan instellen. Zie HvJ EG 23 april 2009, J73 2009/170 (Stahlstedt).
Zie daarover De Grave, 'Ambtshalve toetsing door de Europese rechter: een ander perspectief', SEW 2009/3, p. 12-20.
Zie de door Molengraaff in zijn noot bij HR 31 januari 1919, NJ 1919/161 (Lindenbaum Cohen) aangehaalde jurisprudentie.
Jans, De Lange, Prechal en Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht (2002), p. 307 en Lauwaars en Timmermans, Europees recht in kort bestek (2003), p. 155.
Barents, EU-procesrecht (2010), p. 103 en 160.
Barents, EU-procesrecht (2010), p. 161-162. Zie ook De Grave, 'Ambtshalve toetsing door de Europese rechter: een ander perspectief', SEW 2009/3, p. 12-20.
HvJ EG 3 juli 2003, C-457/00, par. 102. Zie voor meer voorbeelden HvJ EG 17 december 1959, 14/59 (Pont-á-Mousson); 7 mei 1991, C-291/89 (Interhotel) en GvEA 8 juli 2004, T-44/00. Uit een ambtenarenzaak bleek overigens dat de bevoegdheid van een diensthoofd om namens de Commissie een besluit te nemen niet ambtshalve wordt onderzocht. Zie HvJ EG 14 december 1988, 280/87 (I-lecq). Anders dan attributie of delegatie is mandaat dus niet een kwestie van openbare orde.
Gezien het allesomvattende karakter van de beroepsgrond schending van het recht is de praktische betekenis van dit verschil beperkt, want een volle toets houdt niet in dat de Unierechter doelmatigheidsoverwegingen aan zijn oordeel ten grondslag legt, aldus Barents, EU-procesrecht (2010), p. 163.
Lauwaars en Timmermans, Europees recht in kort bestek (2003), p. 155.
Jans, De Lange, Prechal en Widdershoven, Inleiding tot het Europees bestuursrecht (2002), p. 307308. Zie ook curia.europa.eu/n1. waarin onder de rubriek bijzondere procedures bij het Hof over het kort geding wordt opgemerkt: 'Het kort geding is gericht op de opschorting van de tenuitvoerlegging van een handeling van een instelling waartegen eveneens beroep is ingesteld, of enige andere voorlopige maatregel die noodzakelijk is om ernstige en onherstelbare schade in het nadeel van een partij te voorkomen.'
Gerecht 29 april 2004, T-308/02 (SGL Carbon), par. 51-53. Zie voor meer jurisprudentie B arents, EU-procesrecht (2010), p. 143-144.
HvJ EG 26 november 1996, C-68/95 (T-Port).
HvJ EG 1 maart 1966, 48/65 (Liiticke).
Art. 263 VWEU, voorziet in de mogelijkheid van een beroep op de Gemeenschapsrechter waar het gaat om handelingen van de instellingen. Gelet op art. 256 lid 1 VWEU en het daarin genoemde statuut is het Gerecht (van Eerste Aanleg) bevoegd in eerste aanleg kennis te nemen van het beroep. Gelet op diezelfde bepaling is het hoger beroep bij het Hof van Justitie beperkt tot rechtsvragen. Art. 263 VWEU luidt:
`Het Hof van Justitie van de Europese Unie gaat de wettigheid na van de wetgevingshandelingen, van de handelingen van de Raad, van de Commissie en van de Europese Centrale Bank, voor zover het geen aanbevelingen of adviezen betreft, en van de handelingen van het Europees Parlement en de Europese Raad die beogen rechtsgevolgen ten aanzien van derden te hebben. Het gaat ook de wettigheid na van de handelingen van de organen of instanties van de Unie waarmee rechtsgevolgen ten aanzien van derden worden beoogd.
Te dien einde is het Hof bevoegd uitspraak te doen inzake elk door een lidstaat, het Europees Parlement, de Raad of de Commissie ingesteld beroep wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van de Verdragen of van enige uitvoeringsregeling daarvan, dan wel wegens misbruik van bevoegdheid.
Het Hof is onder dezelfde voorwaarden bevoegd uitspraak te doen inzake elk door de Rekenkamer, de Europese Centrale Bank of het Comité van de Regio's ingesteld beroep dat op vrijwaring van hun prerogatieven is gericht.
Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder de in de eerste en tweede alinea vastgestelde voorwaarden beroep instellen tegen handelingen die tot hem gericht zijn of die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen.
De handelingen tot oprichting van organen en instanties van de Unie kunnen voorzien in bijzondere voorwaarden en bepalingen inzake de beroepen welke door natuurlijke of rechtspersonen worden ingesteld tegen handelingen van deze organen of instanties waarmee rechtsgevolgen ten aanzien van hen worden beoogd.
Het in dit artikel bedoelde beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, al naar gelang van het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, vanaf de dag van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen.'
Art. 263 VWEU bevat zo'n beetje het hele procesrecht inzake rechtsbescherming tegen Uniehandelingen alsmede de daarbij behorende toetsingsmaatstaf.1 In de Awb moet men verschillende bepalingen met elkaar verbinden om een vergelijkbaar resultaat te bereiken.2 Ik zal hieronder kort op de verschillende aspecten ingaan, niet noodzakelijkerwijs in de chronologische volgorde waarin art. 263 VWEU de kwesties inzake de toegang tot de Unierechter behandelt. Ook zal ik aan het eind van deze paragraaf art. 265 VWEU, dat voorziet in een aanvullende rechtsbescherming tegen nalaten van gemeenschapinstellingen, kort bespreken. De bevoegdheid inzake vorderingen tot schadevergoeding uit hoofde van niet-contractuele aansprakelijkheid van de gemeenschap (zie art. 268 VWEU) laat ik buiten beschouwing.3 Ook laat ik bijzondere procedures buiten beschouwing.
Welke handelingen van de instellingen zijn nu vatbaar voor beroep bij het Gerecht? Waar het gaat om de Commissie en de Europese Centrale Bank moet het blijkens de tekst van art. 263 VWEU niet gaan om aanbevelingen of adviezen. Verder moet het gaan om handelingen die beogen rechtsgevolgen ten aanzien van derden te hebben. Dit zijn blijkens de tekst de enige beperkingen. Het kan dus gaan al de in art. 288 VWEU genoemde besluiten, dus onder meer om verordeningen, richtlijnen en besluiten (voorheen beschikkingen), maar ook andere handelingen met rechtsgevolg. De vorm waarin het besluit is gegoten is volgens het Hof niet van belang. Het volgt aldus een materiële benadering, met dien verstande dat het wel moet gaan om een eindbeslissing.
In dit verband is van belang dat het Hof een beschikking heeft gedefinieerd als een handeling van het bevoegde orgaan, bestemd om rechtsgevolgen in het leven te roepen en genomen ter afsluiting van de interne behandeling door dit orgaan, waarmee het zich definitief uitspreekt in een vorm die de handeling duidelijk als beschikking kwalificeert.4 Zo achtte het Hof een brief van de Directeur-Generaal Mededinging, waarin aan Noordwijks Cement Akkoord' werd meegedeeld dat hun overeenkomst onder het kartelverbod viel en niet in aanmerking kwam voor een ontheffing een voor beroep vatbare beschikking,5 terwijl de schriftelijke 'mededeling van punten bezwaar' waarmee de Commissie een kartelprocedure tegen een onderneming opent geen beschikking oplevert.6 Het verschil tussen beide brieven is dat de eerste wel rechtsgevolgen voor de ondernemingen sorteerde (die konden zich in de boeteprocedure niet meer beroepen op een ontheffing) en de tweede nog niet. Hoewel een overeenkomst tussen een instelling en een particulier geen eenzijdige rechtshandeling is, kan een dergelijke overeenkomst toch een voor beroep vatbare handeling behelzen indien die overeenkomst samenhangt met bevoegdheden van de instelling. Te denken valt aan het afkopen van een boete door een verbintenis aan te gaan.7 Indien tegen een beschikking niet of niet tijdig beroep wordt ingesteld wordt die beschikking onaantastbaar. Zo kan een bedrijf dat onmiskenbaar individueel en rechtstreeks wordt geraakt door een Commissie-beschikking aan de lidstaat strekkende tot de verplichting steun terug te vorderen niet eerst bij de nationale rechter in beroep komen tegen het nationale tenuitvoerleggingsbesluit.8 Evenmin kan eerst tijdens een inbreukprocedure wegens het verzuim uitvoering te geven aan terugvorderingsbeschikkingen van de Commissie wegens ten onrechte verleende staatssteun, door de betrokken lidstaat de Commissie worden tegengeworpen dat die beschikkingen onwettig zijn.9 Dit zou slechts anders zijn, indien de beschikkingen zulke ernstige en kennelijke gebreken vertonen dat zij als non existent zouden moeten worden beschouwd in welk geval geen beroepstermijn geldt. Van een volstrekte onmogelijkheid aan een beschikking te voldoen is echter niet snel sprake.10
Wie kunnen beroep instellen? Uit art. 263 VWEU volgt dat de instellingen en lidstaten zelf een onbeperkt beroep toekomt en dat particulieren onder voorwaarden een beroep toekomt. Een particulier kan opkomen tegen een tot hem gerichte handeling. Voorts is een niet geadresseerde particulier ontvankelijk in zijn beroep, indien sprake is van een handeling die hem rechtstreeks en individueel raakt, alsmede indien sprake is van regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen. Het Hof neemt niet snel aan dat een aan een lidstaat gerichte beschikking particulieren individueel raakt. Zo wordt voor een positieve beantwoording bepalend geacht dat degenen die door de aan de lidstaat gerichte beschikking worden geraakt, op het moment waarop zij werd genomen naar aantal en personen konden worden vastgesteld en dat de Commissie kon weten dat haar beschikking slechts de belangen en de rechtspositie van deze personen betrof.11 Waar het gaat om een beschikking gericht aan een particulier wordt een soepeler maatstaf gehanteerd. Zo wordt bij klachten tegen bijvoorbeeld kartelbeschikkingen als maatstaf gehanteerd of de betrokken particulier gerechtigd is een klacht in te dienen.12 Diezelfde lijn wordt overigens ook gevolgd bij aan lidstaten gerichte steunmaatregelen.13 Volgens het Hof worden particulieren rechtstreeks door de beschikking geraakt wanneer de nationale autoriteiten geen `beoordelingsvrijheid'14 bezitten, dat wil zeggen dat het optreden van de lidstaat beperkt blijft tot een zuiver technische uitvoeringshandeling.15 Zelfs indien de beschikking nog wel beoordelingsvrijheid laat wordt een particulier er rechtstreeks door geraakt als de lidstaat haar gedragslijn reeds geheel heeft vastgelegd.16 Indien een verordening voor een particulier zou moeten worden beschouwd als een beschikking en een beroep van die particulier zonder twijfel ontvankelijk zou zijn geweest, dan kan die particulier zich niet meer voor de nationale rechter beroepen op de onwettigheid van die verordening, aldus het Hof.17 Het moet dus wel zonder twijfel zijn dat de betrokken particulier kon opkomen tegen het besluit alvorens hem een beroep op 'onwettigheid' van de verordening in een nationale procedure kan worden ontzegd.18
Voor zover materieel sprake is van een handeling met algemene strekking stond onder art. 230 EG geen beroep open voor particulieren. De algemene strekking van een verordening hield volgens het Hof in dat zij op objectief omschreven situaties van toepassing is en rechtsgevolgen heeft voor algemene en in abstracte omschreven categorieën van personen.19 Hier werd een materiële maatstaf gehanteerd. Van `rechtstreeks en individueel raken' was sprake indien (een artikel uit) een verordening de betrokken natuurlijke of rechtspersonen raakte (in hun rechtspositie) uit hoofde van hun feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseerde en individualiseerde op een soortgelijke wijze als een geadresseerde.20 Uit art. 230 EG volgde voorts dat een handeling zowel een verordening als een beschikking kon zijn. Het Hof overwoog in dit verband dat verordeningen tot instelling van een antidumpingsrecht, voor zover zij voor alle betrokken ondernemers golden, naar aard en strekking normatieve maatregelen waren, maar tegelijkertijd ten aanzien van de verzoekster een beschikking was die haar rechtstreeks en individueel raakte.21 Het Hof van Justitie nam overigens niet snel aan dat een verordening particulieren individueel raakte. De lidstaten dienden zelf zorg te dragen voor een stelsel van rechtsmiddelen en procedures teneinde effectieve rechtsbescherming te verzekeren.22 Het Hof zag hier aldus vooral een taak voor de nationale rechter weggelegd. Die zou in een rechtszaak tegen een op de verordening of richtlijn gebaseerd nationaal uitvoeringsbesluit de geldigheidsvraag met behulp van de prejudiciële procedure aan het Hof kunnen voorleggen.23 Met art. 263 VWEU kan dit anders zijn komen te liggen, omdat met betrekking tot wetgevingshandelingen nog slechts het rechtstreeks raken als ontvankelijkheidseis voor particulieren geldt, mits die geen uitvoeringshandelingen met zich meebrengen. Voor zover de regelgevingshandelingen nog uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen, zal de particulier eerst tegen die uitvoeringshandelingen op kunnen komen. In dit laatste verband kan de hiervoor genoemde jurisprudentie inzake de ontvankelijkheid van particulieren ter zake van aan lidstaten gerichte beschikkingen relevant blijven.
Het beroep moet worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, al naar gelang van het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de handeling,24 vanaf de dag van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen.25 Hierop geldt een uitzondering. Ingevolge art. 277 VWEU kan iedere partij, ook na het verstrijken van deze termijn naar aanleiding van een geschil waarbij een door een instelling, een orgaan of een instantie van de Unie vastgestelde handeling van algemene strekking in het geding is, een beroep doen op de nietigheid van die handeling. Het gaat hier om een zogenoemde exceptieve toetsing van regelgeving in een concreet geschil waarin die regelgeving een rol speelt.
In art. 21 Statuut van het Hof van Justitie en art. 43 en 44 Reglement voor de procesvoering van het Gerecht is aangegeven welke verzuimen kunnen worden hersteld buiten de beroepstermijn. Aan de overige ontvankelijkheidsvoorwaarden — waaronder het instellen van het beroep zelf en het indienen van gronden — moet binnen de beroepstermijn, die van openbare orde is,26 zijn voldaan. Het Statuut voorziet er wel in dat ingeval van overmacht overschrijding van de beroepstermijn niet wordt tegengeworpen.27 Daarnaast wordt in de jurisprudentie verschoonbare dwaling gehanteerd als grond voor verschoonbare termijnoverschrijding (vergelijk met art. 6:11 Awb). Het gaat hier om een enge uitzondering. Indien de verzoeker door de betrokken instelling op de beroepsmogelijkheden is gewezen zal van dwaling geen sprake kunnen zijn.28 Ook ten aanzien van de gronden geldt onverkort dat die in elk geval rudimentair moeten zijn opgenomen in het verzoekschrift. Het gaat hier niet slechts om een ontvankelijkheidseis, maar ook om de omvang van het beroep, dat wil zeggen dat nieuwe gronden niet nadien kunnen worden aangevoerd. De jurisprudentie is op dit punt streng.
Zo overwoog het Gerecht in een boetezaak: 'Volgens artikel 21 van het statuut van het Hof en artikel 44, lid 1, sub c, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht moet elk verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten. Voor de ontvankelijkheid van een beroep is het volgens vaste rechtspraak noodzakelijk dat de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, op zijn minst summier, maar coherent en begrijpelijk uit de tekst van het verzoekschrift zelf blijken. De tekst daarvan mag weliswaar op specifieke punten worden gestaafd en aangevuld door verwijzingen naar bepaalde passages uit bijgevoegde stukken, maar een algemene verwijzing naar andere stukken, ook al zijn die als bijlage bij het verzoekschrift gevoegd, kan het ontbreken van de wezenlijke elementen van het juridische betoog, die volgens bovengenoemde bepalingen in het verzoekschrift moeten worden vermeld, niet goedmaken (...). Bovendien is het niet de taak van het Gerecht om in de bijlagen de middelen en argumenten te zoeken en te ontdekken die het als grondslag voor het beroep zou kunnen beschouwen, aangezien de bijlagen slechts als bewijsmiddel dienen (..). ‘29
Uit dit citaat volgt voorts dat het Gerecht weinig ziet in het ambtshalve aanvullen van rechtsgronden, althans buiten het juridisch vertalen van een wel aangevoerde grond. Wel moet hierbij worden bedacht dat in deze Microsoft-zaak een ingewikkelde marktanalyse was gemaakt door de Europese Commissie en de rechter bij zijn toetsing afhankelijk is van hetgeen partijen aanvoeren, omdat hij anders die analyse en het daaraan ten grondslag liggende feitenonderzoek zelf zou moeten overdoen. Een andere ontvankelijkheidseis is dat de originele stukken binnen tien dagen na indiening per faxbericht ondertekend worden aangeleverd.30 Het beroep moet verder worden ingesteld door een advocaat die bevoegd is als zodanig op te treden binnen de lidstaten.
Zo overwoog het Hof: 'Weliswaar voorzien het Statuut van het Hof van Justitie en het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht in een mogelijke regularisatie van een verzoekschrift, waarin bepaalde vormvereisten zijn verzuimd, maar dat neemt niet weg dat de niet-nakoming van de verplichting zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat die bevoegd is om op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat of van een andere staat die partij is bij de EER-overeenkomst, niet behoort tot de vereisten waarvoor regularisatie na het verstrijken van de beroepstermijn overeenkomstig artikel 21, tweede alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie en artikel 44, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht mogelijk is.’31
Deze ontvankelijkheidskwesties, die als van openbare orde worden beschouwd, worden ambtshalve beoordeeld.32 In dit verband kan worden gewezen op art. 92 Procesreglement van het Hof en art. 113 Procesreglement van het Gerecht, waaruit volgt dat de Unierechter in iedere stand van het geding ambtshalve uitspraak kan doen over middelen van niet-ontvankelijkheid die van openbare orde zijn.33
In de eerste twee zinnen van art. 263 VWEU wordt gesteld dat het Hof de wettigheid van de handelingen (van de instellingen) nagaat. De term wettigheid doet denken aan onze onrechtmatige daadsjurisprudentie van voor Lindenbaum Cohen.34 Uit de derde zin blijkt wat onder onwettigheid moet worden verstaan: onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van de Verdragen of van enige uitvoeringsregeling daarvan, dan wel misbruik van bevoegdheid. Wat behelst deze limitatieve opsomming van vernietigingsgronden nu precies? Bij bevoegdheid kan worden gedacht aan de vraag of een instelling wel bevoegd is een bepaalde handeling te verrichten (het gaat hier om de bevoegdheid een besluit als zodanig te nemen). De schending van wezenlijke vormvoorschriften ziet op het niet inachtnemen van de juiste besluitvormingsprocedure, op het niet publiceren van besluiten en op het niet (afdoende) motiveren van besluiten). Bij schending van 'de Verdragen of van enige uitvoeringsregeling daarvan' gaat het om primair en secundair Gemeenschapsrecht, maar ook om beginselen van Gemeenschapsrecht en regels van volkerenrecht.35 Bij misbruik van bevoegdheid gaat het om het gebruiken van een formele bevoegdheid voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven. Juist door de ruime uitleg van 'schending van de Verdragen of van enige uitvoeringsregeling daarvan' is sprake van een volledige rechtmatigheidstoetsing en dus niet van een meer beperkte wetmatigheidstoetsing, met als gevolg dat deze grond in feite de andere gronden is gaan omvatten.36 Barents ziet nog wel een wezenlijk onderscheid tussen de gronden, in die zin dat de gronden met betrekking tot onbevoegdheid en wezenlijke vormvoorschriften ambtshalve door het Gerecht en het Hof worden opgeworpen.37
Zo overwoog het Hof: Wat de vierde en laatste grief betreft staat vast dat het Koninkrijk België deze pas in het stadium van de repliek heeft aangevoerd. Een gebrek aan motivering of een ontoereikende motivering, waardoor toetsing door de gemeenschapsrechter wordt belemmerd, is evenwel een middel van openbare orde dat door deze laatste ambtshalve kan en zelfs moet worden opgeworpen (...). Derhalve moet ook deze laatste grief worden onderzocht.'38
De toetsing uit hoofde van art. 263 VWEU is een rechtmatigheidstoetsing. Een meer volle toetsing is mogelijk bij sancties. In art. 263 VWEU is bepaald dat de door het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk, alsmede de door de Raad krachtens de bepalingen van de Verdragen vastgestelde verordeningen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie volledige rechtsmacht kunnen verlenen wat betreft de sancties welke in die verordeningen zijn opgenomen. Dit is onder meer het geval in de mededingingsverordening 1/2003, zo zullen we verderop zien. Een dergelijk vol beroep heeft twee gevolgen: ook andere dan de in art. 261 VWEU genoemde gronden kunnen bij de beoordeling van het geschil worden betrokken39 en het Hof en het Gerecht hebben de bevoegdheid de opgelegde sancties te verhogen of te verlagen.
Indien het Gerecht of het Hof het beroep gegrond acht zal het de betwiste handeling nietig verklaren (art. 264 VWEU). De nietigverklaring werkt terug tot het moment waarop de handeling is verricht (ex tune) en geldt ten opzichte van eenieder (erga omnes).40 Om te voorkomen dat een vernietigde verordening in het geheel geen rechtsgevolgen meer heeft voorzag art. 231 EG er in dat het Hof de gevolgen van de vernietigde verordening kan aanwijzen, die als gehandhaafd moeten worden beschouwd. Art. 264 VWEU is anders geformuleerd. Het Hof kan nu juist aangeven welke gevolgen van de vernietigde handeling definitief zijn.
Het nietigheidsberoep heeft geen schorsende werking. De particulier kan het Hof verzoeken de opschorting van de uitvoering van de beschikking te gelasten dan wel de noodzakelijke voorlopige maatregelen te gelasten (art. 278 en 279 VWEU). Hier geldt een connexiteitseis; er moet een verzoekschrift in de hoofdzaak voorliggen. Verzoeken van particulieren worden in eerste aanleg beoordeeld door de President van het Gerecht. Hoger beroep — alleen ten aanzien van rechtsvragen — staat open bij de President van het Hof van Justitie. De ontvankelijkheid in de hoofdzaak wordt in deze kort gedingprocedure marginaal onderzocht. Vervolgens wordt gekeken of de vordering op het eerste gezicht gerechtvaardigd voorkomt, de spoedeisendheid, de voorlopigheid en de belangenafweging.41
De adressaat van een handeling heeft het recht om op grond van feiten die 'nieuw en van wezenlijke betekenis' zijn de betrokken instelling te verzoeken die handeling opnieuw in overweging te nemen. Indien dergelijke nova zijn aangevoerd en de instelling bevestigt na heronderzoek de eerdere handeling dan staat daartegen beroep open bij het Gerecht. Zijn geen nova gesteld dan zal een beroep tegen de confirmerende handeling niet-ontvankelijk zijn.42
Art. 265 VWEU (voorheen art. 232 EG) voorziet in aanvullende rechtsbescherming tegen nalatigheden van de Gemeenschapsinstellingen. Art. 265 VWEU luidt:
`Ingeval het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, de Commissie, of de Europese Centrale Bank in strijd met de Verdragen, nalaat een besluit te nemen, kunnen de lidstaten en de overige instellingen van de Unie zich wenden tot het Hof van Justitie van de Europese Unie om deze schending te doen vaststellen. Dit artikel is onder dezelfde voorwaarden van toepassing op de organen en de instanties van de Unie die nalaten een besluit te nemen. Dit beroep is slechts ontvankelijk indien de betrokken instelling, het betrokken orgaan of de betrokken instantie vooraf tot handelen is uitgenodigd. Indien deze instelling na twee maanden, te rekenen vanaf de uitnodiging, haar standpunt nog niet heeft bepaald, kan het beroep worden ingesteld binnen een nieuwe termijn van twee maanden.
Iedere natuurlijke of rechtspersoon kan onder de in de voorgaande alinea's vastgestelde voorwaarden bij het Hof zijn bezwaren indienen tegen het feit dat een der instellingen, organen of instanties van de Unie heeft nagelaten te zijnen aanzien een andere handeling te verrichten dan het geven van een aanbeveling of een advies.'
De tekst spreekt met betrekking tot particulieren over 'te zijnen aanzien', hetgeen lijkt te veronderstellen dat het nalaten zou moeten zien op het niet afgeven van een aan die natuurlijke of rechtspersoon gericht besluit. Het Hof acht het echter voldoende dat de betrokkene door het gewenste besluit rechtstreeks en individueel in zijn belang zou worden getroffen.43 Voorts dient de instelling eerst een termijn van twee maanden te worden gegund om alsnog tot een standpuntbepaling te komen. Het betreft een ontvankelijkheidseis voor het beroep (vergelijk art. 6:12 Awb). Eerst nadien gaat de twee maandentermijn voor het instellen van beroep lopen. Wat is een standpunt? Het Hof stelt dit niet gelijk aan een voor beroep vatbaar besluit, zodat indien een instelling schriftelijk meedeelt dat het niet tot een (handhavings)besluit zal komen, er geen verdere mogelijkheden zijn om alsnog een besluit af te dwingen. Te denken valt hier aan een brief van de Directeur-Generaal Mededinging waarin hij meedeelde dat de Commissie geen procedure wegens Verdragsschending zou inleiden.44 De strekking van deze bepaling is dus beperkter dan die van art. 6:2 Awb.