Zekerheid voor de vastgoedfinancier
Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor de vastgoedfinancier (R&P nr. VG9) 2019/3.1:3.1 Inleiding
Zekerheid voor de vastgoedfinancier (R&P nr. VG9) 2019/3.1
3.1 Inleiding
Documentgegevens:
S.J.L.M. van Bergen, datum 13-11-2018
- Datum
13-11-2018
- Auteur
S.J.L.M. van Bergen
- JCDI
JCDI:ADS624054:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De eerste Engelse hypothecaire bevoegdheid die in dit proefschrift wordt besproken, is meteen een belangrijke, vergaande bevoegdheid. Het is het recht van de Engelse hypotheekhouder om het verhypothekeerde vastgoed in bezit te nemen.1 De rechtspositie van bezitter levert de hypotheekhouder allerlei concretere bevoegdheden op, waarvan er twee al in het vorige hoofdstuk zijn aangestipt: het ontruimen van krakers en het innen van de huurinkomsten. Andere bevoegdheden die naar Engels recht aan bezit zijn gekoppeld, zijn onder meer het uitvoeren van (technische) werkzaamheden, het aanbrengen van verbeteringen (renoveren) en het sluiten van nieuwe huurovereenkomsten met betrekking tot het vastgoed.2
Waar inbezitneming van commercieel vastgoed feitelijk op neerkomt, is dat de controle over (de verhuur) van het vastgoed volledig in handen komt van de hypotheekhouder. Voor de hypotheekhouder is inbezitneming daarom een nuttig instrument als de hypotheekgever het vastgoedbeheer laat versloffen en hij het pand bijvoorbeeld onnodig leeg laat staan of tegen slechte voorwaarden verhuurt. Of wanneer hij niet bereid of in staat is om de nodige investeringen te doen die het vastgoed verhuurbaar houden. De hypotheekhouder kan dan ingrijpen door het vastgoed zelf in bezit te nemen en op die manier het beheer ter hand te nemen.
In deze paragraaf komen verschillende aspecten van dit recht op inbezitneming aan bod. Eerst wordt ingegaan op de ingangsvoorwaarden waaronder de Engelse hypotheekhouder het onderpand in bezit kan nemen (par 3.2), hoe dat vervolgens moet gebeuren (par. 3.3) en welke bevoegdheden hij aan zijn bezit ontleent (par. 3.4 en 3.5). Daarna wordt aandacht besteed aan de zorgplichten die op de hypotheekhouder rusten en de daarmee corresponderende aansprakelijkheidsrisico’s die hij loopt (par. 3.6). Tot slot wordt in gegaan op de rekening-en-verantwoordingsplicht (par. 3.7), op de vraag of een eventueel faillissement van de hypotheekgever zijn bevoegdheid beïnvloedt (par. 3.8) en de wijze waarop inbezitneming in de praktijk als instrument wordt ingezet (par. 3.9).