De geschillenregeling ten gronde
Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/IV.1:IV.1 Inleiding
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/IV.1
IV.1 Inleiding
Documentgegevens:
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS374902:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De geschillenregeling lijkt op het eerste gezicht het domein van de aandeelhouders. Zo is het instellen van de vordering tot uitstoting en uittreding exclusief aan hen voorbehouden. Daarbij geldt voor de uitstoting (art. 2:336 BW) wel dat niet iedere aandeelhouder de vordering kan instellen. Hij moet een zeker aandelenpakket bezitten, om als eiser ontvankelijk te zijn. In art. 2:336 lid 1 BW is als vereiste opgenomen dat de aandeelhouder minimaal een derde van het geplaatste kapitaal behoort te verschaffen. Dit aandeel in het kapitaal mag hij ook tezamen met een andere aandeelhouder houden. De grens van een derde en het antwoord op de vraag of er niet een betere grens is te stellen, komen in de volgende paragraaf aan de orde. Tevens ga ik in op de positie van de eisende aandeelhouder in een uittredingsprocedure (art. 2:343 BW). Deze behoeft niet een bepaald aantal aandelen te hebben. Een aandeelhouder met slechts één aandeel mag de vordering instellen. De eisende aandeelhouders staan in § IV.2 centraal.
Aan de kant van de gedaagden ligt het eenvoudiger. De uitstotingsvordering kan tegen iedere aandeelhouder worden ingesteld. Het aandelenbezit speelt geen rol. Dit geldt voor de gedaagde in een uittredingsprocedure eveneens. De vordering kan worden ingesteld tegen een of meer medeaandeelhouders, aldus de eerste zin van art. 2:343 lid 1 BW. Heeft echter de gedaagde aandeelhouder zijn woonplaats niet in Nederland, dan liggen rechtsmachtperikelen op de loer. De (Nederlandse) rechter van de geschillenregeling (zie art. 2:336 lid 3 BW) is mogelijk niet bevoegd om van de vordering tegen een buitenlandse aandeelhouder kennis te nemen. In § IV.3 ga ik nader in op deze rechtsmachtproblemen.
Ook al lijkt de geschillenregeling op het eerste gezicht gericht op de aandeelhouders, de vennootschap heeft wel degelijk een rol in de procedure. De positie is echter niet goed te duiden, en wijzigt met de invoering van het wetsvoorstel FlexBV. Over deze materie gaat § IV.4.
Naast de uitstoting en de uittreding, kent de geschillenregeling in art. 2:342 BW de mogelijkheid de overgang van het stemrecht te vorderen. Het gaat dan niet om een vordering tegen een aandeelhouder, maar tegen een pandhouder of vruchtgebruiker die het stemrecht op de aandelen heeft. De vordering is tot op heden nimmer ingesteld, al werd in het kader van een gestarte procedure bij wege van incidentele vordering eenmaal wel de schorsing van het stemrecht gevraagd. De gedwongen overgang van stemrecht ex art. 2:342 BW komt in dit boek niet elders aan bod, omdat zij geen rol van betekenis speelt in de praktijk. Ik analyseer de procedure in § IV.5.
Tot slot zijn er nog enkele andere personen, die mogelijk als betrokkenen kunnen worden aangeduid. Het gaat om de certificaathouder, de houder van gecertificeerde aandelen (veelal een stichting administratiekantoor), en de ondernemingsraad. Hun posities bespreek ik in § IV.6. In de laatste paragraaf (§ IV.7) sluit ik af met een synthese.