Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/4.3.2
4.3.2 Stellingen van partijen als kader
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS297331:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Annotatie Mok onder HvJ EU 21 november 2002, C-473/00, Jur. 2002, p. I-10875, NJ 2003, 703 (Cofidis), sub. 2.
Enkele auteurs bepleitten al voor het Cofidis-arrest dat alle bedingen konden worden getoetst: Bernardeau 2000, p. 261 e.v.; Prechal 2001; Loos & Wiersma 2002, p. 330, waarvoor zij verwijzen naar een arrest van het HvJ EU in een zaak tussen de Commissie en Italië (C-372/99, pt. 15). Het kan overigens betwijfeld worden of het Hof daar wel het oog heeft op de ambtshalve toetsing, nu het een actie van een algemene consumentenvereniging betrof.
HvJ EU 21 november 2002, C-473/00, Jur. 2002, p. I-10875 (Cofidis), pt. 32-34.
Loos 2003, p. 72-73.
Na het Océano-arrest werd al wel betoogd dat er sprake was van een verplichting voor de nationale rechter, maar deze opvatting van voornamelijk Loos en Wiersma werd nog niet algemeen gedeeld. Vgl. Loos & Wiersma 2002; Loos 2003, p. 73. De discussie is mooi in kaart gebracht door Pavillon in haar bijdrage in VrA 2006, p. 42 e.v.
HvJ EU 26 oktober 2006, C-168/05, Jur. 2006, p. I-10421 (Mostaza Claro), pt. 38.
HvJ EU 4 juni 2009, C-243/08, Jur. 2009, p. I-4713 (Pannon), pt. 12-18.
Uitgebreid over deze toets: Pavillon 2011.
HvJ EU 4 juni 2009, C-243/08, Jur. 2009, p. I-4713 (Pannon), pt. 19, sub. 2.
HvJ EU 4 juni 2009, C-243/08, Jur. 2009, p. I-4713 (Pannon), pt. 32.
150.
De rechtsstrijd in het Nederlandse civiele recht wordt gevormd door de stellingen die partijen aan hun vordering of verweer ten grondslag leggen. Hierdoor ontstaat een kader waar de rechter niet buiten mag treden. Hiervoor werd het arrest in de Van Schijndel-zaak al besproken, waarin het HvJ EU het beginsel van partij-autonomie in stand liet. Na dat arrest is de discussie met betrekking tot de vraag of rechtsgronden van primair EU-recht ambtshalve moeten worden aangevuld dan ook (vooral) beheerst door de vraag naar de openbare orde. Dat onderwerp wordt hierna nog besproken. In de consumentenrechtelijke geschillen kwam echter al snel na het Océano-arrest de vraag naar de grenzen van de rechtsstrijd op. Dat gebeurde om precies te zijn na het Cofidis-arrest, zij het dat dit een vraag was die werd opgeworpen in de literatuur:
‘Wat onduidelijk blijft is of het Hof daarenboven wil zeggen dat de rechter tevens buiten de rechtsstrijd tussen partijen mag treden. Als regel geldt dat in een civiele procedure de partijen bepalen waarover wordt geprocedeerd. De rechter mag dan slechts oordelen over de geschilpunten die partijen hem hebben voorgelegd.’1
Het Cofidis-arrest – een zaak die onder de reikwijdte van de Richtlijn oneerlijke bedingen viel – betrof de vraag of het Océano-arrest een bredere reikwijdte heeft dan slechts forumkeuzebedingen.2 In Cofidis ging het namelijk om een boetebeding. Ook dat beding dient ambtshalve getoetst te worden door de rechter, aldus het HvJ EU, die daarvoor dezelfde argumenten hanteerde als in Océano: de Richtlijn oneerlijke bedingen beoogt consumenten te beschermen tegen oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Als die bescherming afhankelijk zou worden gemaakt van een beroep van de consument op de oneerlijkheid van een beding, wordt die bescherming illusoir.3 Met het Cofidis-arrest staat dus vast dat de bevoegdheid tot ambtshalve toetsing geldt ten aanzien van alle, niet afzonderlijk onderhandelde bedingen in een consumentenovereenkomst.4 Toch werd de vraag naar de grenzen van de rechtsstrijd nog niet beantwoord in het arrest dat volgde op het Cofidis-arrest. In dit Mostaza Claro-arrest werd wel verduidelijkt of het slechts ging om een bevoegdheid van de rechter, of dat de rechter ook verplicht was om tot een ambtshalve toetsing over te gaan.5 Het HvJ EU sprak zich eenduidig uit voor een verplichting: ‘(…) de nationale rechter [dient] ambtshalve (…) te beoordelen of een contractueel beding oneerlijk is en aldus het tussen de consument en verkoper bestaande gebrek aan evenwicht (…) tecompenseren.”6
Met de prejudiciële verwijzing van de Hongaarse rechter in de Pannon-zaak werd het HvJ EU voor het eerst bevraagd met betrekking tot de houdbaarheid van een nationaal rechtsstrijdbegrip in een consumentengeschil.
151.
Na het Mostaza Claro-arrest kwam de vraag naar de rechtsstrijd opnieuw op. Hoe ver gaat de verplichting van de nationale rechter tot ambtshalve toetsing precies? In het Pannon-arrest liet het HvJ EU zich uit over de vraag of de rechter buiten de grenzen van de rechtsstrijd moet treden teneinde de consument te beschermen. De zaak betrof een geschil tussen Pannon GSM, een provider van mobiele telefoniediensten, en mevrouw Sustikné Györfi, een consument. Mevrouw Sustikné Györfi had een abonnement voor mobiele telefonie afgesloten met Pannon. In de leveringsvoorwaarden was een forumkeuzebeding opgenomen, dat in geval van geschillen voortvloeiend uit de overeenkomst de rechter van de vestigingsplaats van Pannon bevoegd verklaarde. Nadat mevrouw Sustikné Györfi ophield met het betalen van de verschuldigde termijnen, werd zij door Pannon gedagvaard voor de rechter in Budaörs, een plaats op 275 kilometer afstand van haar woonplaats. Dergelijke afstanden zijn lastig te overbruggen in Hongarije. Aangezien mevrouw Sustikné Györfi wel in het geding verscheen, kon de rechter op basis van het Hongaarse procesrecht niet meer overgaan tot een ambtshalve beoordeling van zijn bevoegdheid. De Hongaarse rechter besloot de zaak aan te houden en te verwijzen naar het HvJ EU voor het beantwoorden van een aantal prejudiciële vragen. Twee van die vragen springen in het oog. De eerste betreft het initiatief tot het buiten toepassing laten van een oneerlijk beding en wordt in een van de volgende paragrafen besproken. Verder werd de vraag gesteld in hoeverre de rechtsstrijd de rechter beperkt in zijn toetsingsmogelijkheid.7 Immers, voordat de rechter tot het buiten toepassing laten van een oneerlijk beding kan overgaan, zal hij eerst moeten vaststellen dat het beding oneerlijk is. Hij zal ex artikel 3, lid 1 van de Richtlijn oneerlijke bedingen moeten vaststellen dat het beding “in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.”8 Wat de Hongaarse rechter met zijn tweede vraag trachtte te achterhalen, is hoe ver de rechter moet gaan om die toets te kunnen uitoefenen.9 Kan de rechter pas toetsen als partijen de daarvoor noodzakelijke gegevens aan hun vordering of verweer ten grondslag hebben gelegd, of gaat de verplichting uit Océano c.s. zo ver dat die toetsingsplicht reeds dan bestaat als het dossier de daarvoor noodzakelijke informatie bevat?
Het HvJ EU antwoordde als volgt:
“De geadieerde rechter moet (…) het nuttig effect verzekeren van de door de richtlijnbepalingen gewenste bescherming. Derhalve houdt de rol die het [EU-recht] aldus de nationale rechter op het betrokken gebied toebedeelt, niet louter de bevoegdheid in om uitspraak te doen over de vraag of een contractueel beding mogelijk oneerlijk is, maar ook de verplichting om die kwestie ambtshalve te onderzoeken zodra hij over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt, en dus ook wanneer hij toetst of hij ratione loci bevoegd is [mijn curs., AGFA].”10
De toetsingsplicht bestaat dus zodra de rechter over de daartoe noodzakelijke gegevens, feitelijk en rechtens, beschikt. Of van dit laatste sprake is als de gegevens zich in het dossier bevinden, of pas als partijen het expliciet aan hun vordering of verweer ten grondslag leggen wordt besproken in hoofdstuk zeven. Met dit arrest staat de discussie met betrekking tot de rechtsstrijd weer volop op kaart. En dat werd niet minder door het arrest van het HvJ EU in een andere Hongaarse zaak, Pénzügyi, waarin de verwijzende rechter het Hof trachtte te verleiden tot het ophelderen van het Pannon-arrest. Voordat dat arrest wordt besproken, wordt echter eerst bezien wat het HvJ EU in verschillende arresten heeft geoordeeld over de (rol van de) openbare orde.