Einde inhoudsopgave
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/6.2.5
6.2.5 De medezeggenschap in een monistische bestuursstructuur
mr. F.G. Laagland, datum 15-07-2013
- Datum
15-07-2013
- Auteur
mr. F.G. Laagland
- JCDI
JCDI:ADS386173:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser, Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* (2009), nr. 424. Indien een onderscheid tussen de bestuurders ontbreekt, is sprake van een normale (monistische) bestuursstructuur. Zie Van Olffen (2009), p. 39-40.
Er doen zich geen problemen voor indien binnen het bestuursorgaan geen onderscheid is gemaakt tussen uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders. In dat geval worden bestuur en toezicht door alle bestuurders uitgeoefend en moet men het proportionele aantal medezeggenschapsrechten ten opzichte van het bestuur als één geheel bepalen.
Winter (2001), p. 195.
Van Olffen (2012), p. 481.
Nederlandse vennootschappen kunnen kiezen voor een monistische bestuursstructuur waarbij het bestuur uit twee soorten bestuurders bestaat: de uitvoerende en de nietuitvoerende bestuurders.1 In een monistische bestuursstructuur ontbreekt een afzonderlijk toezichthoudend orgaan en spelen de componenten bestuur (leiding) en toezicht zich af binnen het bestuursorgaan. De uitvoerende bestuurders oefenen het dagelijks bestuur uit en de niet-uitvoerende bestuurders stellen de hoofdlijnen van het beleid vast en houden toezicht. In een Nederlandse monistische bestuursstructuur heeft de medezeggenschap altijd betrekking op het bestuursorgaan. De vraag rijst naar de wijze waarop het proportionele aantal medezeggenschapsrechten wordt vastgesteld bij de toepassing van de ‘hoogste aantal-doctrine’.2 Er zijn twee mogelijkheden. Het aantal wordt vastgesteld (i) ten opzichte van alle leden van het bestuursorgaan of (ii) ten opzichte van de leden van de component (de leidinggevende dan wel toezichthoudende component) waarop de medezeggenschap betrekking heeft. Dat beide benaderingen tot een andere uitkomst kunnen leiden, toont het volgende voorbeeld:
Een Nederlandse structuur-BV en een Duitse GmbH willen fuseren. De Nederlandse BV kent een negenkoppig bestuur waarvan drie leden als niet-uitvoerend bestuurder zijn benoemd. De ondernemingsraad heeft een (versterkt) aanbevelingsrecht bij de benoeming van de drie nietuitvoerende bestuurders. De Duitse GmbH is onderworpen aan het MitbestG met als gevolg dat de werknemers het recht toekomt de helft van de leden van de Aufsichtsrat te benoemen. De eerste uitzondering treedt in werking. Partijen komen niet tot een overeenkomst, zodat het aantal medezeggenschapsrechten wordt bepaald aan de hand van de referentievoorschriften en de daarin neergelegde ‘hoogste aantal-doctrine’. De ‘hoogste aantal-doctrine’ weegt het proportionele aantal medezeggenschapsrechten dat in de deelnemende vennootschappen bestaat. Hoe moet men nu het proportionele aantal medezeggenschapsrechten in de Nederlandse vennootschap bepalen? Indien het aanbevelingsrecht van de ondernemingsraad wordt afgezet tegen het totale aantal bestuurders, komt het proportionele aantal uit op (drie van de negen) één derde. In dat geval wint het Duitse systeem. Wordt het aanbevelingsrecht afgezet tegen de toezichthoudende component binnen de vennootschap, dan komt het proportionele aantal uit op 1 nu alle nietuitvoerende bestuurders hieraan onderworpen zijn. In dat geval wint het Nederlandse systeem.
Welke benadering is nu de juiste? De SE-Verordening maakt geen onderscheid tussen uitvoerende en niet-uitvoerende bestuurders. Men zou kunnen stellen dat de medezeggenschapsdefinitie van art. 2 (k) SE-Richtlijn hierbij aansluit zodat het proportionele aantal medezeggenschapsrechten wordt vastgesteld ten opzichte van alle bestuurders in het bestuursorgaan. Deze benadering lijkt mij niet juist. Het proportionele aantal medezeggenschapsrechten in de Duitse dualistische structuur wordt dan bepaald op basis van de toezichthoudende component, terwijl in de Nederlandse monistische structuur eveneens de leidinggevende component bij de beoordeling een rol speelt. De weging geschiedt dan op basis van ongelijke grootheden. Dat geeft rechtens geen zuivere uitkomst. Dit geldt temeer nu het verschil tussen een monistische en een dualistische structuur in de praktijk vaak minimaal is. Winter spreekt zelfs over nuanceverschillen.3 Ook Van Olffen meent dat er in materiële zin niet veel verschil bestaat tussen de monistische en dualistische bestuursstructuur.4 Wil het dualisme naar behoren functioneren, dan zullen de commissarissen zich terdege in het beleid en de strategie moeten verdiepen en daaraan met het bestuur vorm moeten geven. Anders is behoorlijk toezicht niet mogelijk. Omgekeerd bestaat in een monistische bestuursstructuur behoefte aan de toezichthoudende functie en moeten de niet-uitvoerende bestuursleden de bereidheid en mogelijkheid hebben in te grijpen indien de uitvoerende bestuursleden niet naar behoren functioneren.
Een aanvullend argument voor een beoordeling per component ontleen ik aan de uitbreiding van het Europese medezeggenschapsbegrip tot het leidinggevende orgaan van de vennootschap. De uitbreiding heeft – naar Fins voorbeeld – het oog op een monistische bestuursstructuur waarin de feitelijke leiding wordt uitgevoerd door een directiecomité dat los staat van het bestuursorgaan. Indien het directiecomité aan medezeggenschap is onderworpen, wordt het proportionele aantal bepaald ten opzichte van de directieleden. Ik zie niet in waarom de beoordeling anders zou zijn indien beide componenten zich (toevalligerwijs) manifesteren binnen hetzelfde orgaan. Ook de uitvoerende bestuurders in het bestuursorgaan kwalificeren zich als de leidinggevende component in een monistische bestuursstructuur. In mijn visie moet het proportionele aantal medezeggenschapsrechten dan ook worden vastgesteld ten opzichte van de leidinggevende dan wel toezichthoudende component in het bestuursorgaan. Dit betekent voor het hierboven genoemde voorbeeld dat de Nederlandse structuurbevoegdheden het hoogste proportionele aantal medezeggenschapsrechten opleveren.
Mijn benadering maakt het mogelijk dat in een monistische bestuursstructuur de medezeggenschap betrekking kan hebben op zowel de leidinggevende als de toezichthoudende component. Denk aan een NV waarin de ondernemingsraad een spreekrecht heeft bij de benoeming van alle uitvoerende en alle niet-uitvoerende bestuurders. Ook dan moet de medezeggenschap per component worden bepaald. In lijn met mijn opmerkingen in paragraaf 6.2.3 dient men het resultaat van de verschillende componenten bij elkaar op te tellen ter bepaling van het totale aantal medezeggenschapsrechten van de deelnemende vennootschap. Voor de hiervoor genoemde NV komt het aantal dus uit op twee (alle uitvoerende en alle nietuitvoerende bestuursleden). Alleen zo vindt een eerlijke weging plaats ten opzichte van een vennootschap met een dualistische structuur. Had dezelfde NV een dualistische bestuursstructuur gekend, dan had de medezeggenschap immers betrekking gehad op alle leden van het bestuursorgaan en alle leden van de raad van commissarissen. Ook dan was het aantal op (1 + 1 =) 2 uitgekomen. Bovendien is een beoordeling per component relevant voor de wijze waarop het proportionele aantal medezeggenschapsrechten dient terug te keren in de uit de fusie ontstane vennootschap. Dit geldt met name indien de vennootschap een andere bestuursstructuur kent (zie hierover uitgebreid paragraaf 6.3.4.2).