Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht
Einde inhoudsopgave
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/3.5.3:3.5.3 Toepasbaarheid in de nationale context
Voorlopige hechtenis in het Nederlandse jeugdstrafrecht (Meijers-reeks) 2017/3.5.3
3.5.3 Toepasbaarheid in de nationale context
Documentgegevens:
mr. drs. Y.N. van den Brink, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. drs. Y.N. van den Brink
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een derde overdenking heeft betrekking op de toepasbaarheid van het in dit hoofdstuk gepresenteerde besluitvormingsschema in de nationale context. Het besluitvormingsschema is ontwikkeld op basis van uitsluitend Europese en internationale standaarden voor voorlopige hechtenis van minderjarigen en zal dan ook op nationaal niveau nader invulling moeten krijgen. Conformiteit met nationale wetgeving wordt uitdrukkelijk voorgeschreven door het rechtmatigheidsvereiste als neergelegd in artikel 5, eerste lid (c) EVRM, artikel 9, eerste lid IVBPR en artikel 37(b) IVRK en is dus een essentiële voorwaarde voor een kinder- en mensenrechtenconforme toepassing van voorlopige hechtenis (zie hoofdstuk 2). Het gepresenteerde besluitvormingsschema leent zich dan ook niet voor een ‘zelfstandige’ toepassing. De nationale rechter zal het besluitvormingsschema derhalve moeten inpassen in het nationale voorlopige hechtenissysteem, rekening houdend met het wettelijke kader, het bestaande stelsel van instanties en voorzieningen en de praktische mogelijkheden en beperkingen in de nationale context.
Voorts zou ook de praktische toepasbaarheid van het in dit hoofdstuk gepresenteerde besluitvormingsschema vragen kunnen oproepen. Duidelijk is immers dat dit besluitvormingsschema, in het bijzonder het model voor de belangenafweging, veel van de rechter vraagt. Een rechter zou volgens dit schema in iedere individuele zaak op basis van een behoorlijk aantal stappen en (complexe) overwegingen tot een kinder- en mensenrechtenconforme voorlopige hechtenisbeslissing moeten komen. Hierbij kan echter wel de kanttekening worden geplaatst dat met name de stappen die de rechter volgens het besluitvormingsschema in het kader van de belangenafweging zou moeten maken theoretisch weliswaar uit elkaar kunnen worden getrokken, maar in de praktijk (deels) zullen overlappen. Zo zal bijvoorbeeld het selecteren, definiëren en clusteren van de relevante belangen in het besluitvormingsproces van rechters in de praktijk veelal door elkaar lopen, dan wel samenvallen. Dit geldt ook voor het in kaart te brengen van de (hypothetische) gevolgen die de – met het wel/niet toepassen van voorlopige hechtenis gepaard gaande – inbreuk op de belangen met zich brengt en het bepalen van de ernst van de inbreuk op die belangen. Voorts hoeft de terminologische ‘vertaalslag’ naar het concept van ‘mensenrechtelijke schade’ niet per se te worden geëxpliciteerd in de voorlopige hechtenisbeslissing, daar dit vooral dient als hulpmiddel in het beslisproces van de rechter die wordt geconfronteerd met botsende, ogenschijnlijk incommensurabele belangen.
Hierdoor kan het zijn dat de praktische toepassing van het besluitvormingsschema minder complex is dan de theoretische onderbouwing van het besluitvormingsschema wellicht doet vermoeden.
Toch is de toepasbaarheid van het gepresenteerde besluitvormingsschema in de nationale rechtspraktijk een belangrijk vraagstuk dat niet mag worden genegeerd. Hiervoor is het van belang om een goed beeld te krijgen van het nationale wettelijke kader en de wijze waarop rechters in de praktijk komen tot hun voorlopige hechtenisbeslissingen ten aanzien van minderjarige verdachten. Dit zal in de volgende hoofdstukken, die zijn toegespitst op de Nederlandse wet en praktijk, uitvoerig aan de orde komen. Beoogd wordt om uiteindelijk in hoofdstuk 10 uiteen te zetten hoe rechters in de Nederlandse jeugdstrafrechtspraktijk, met inachtneming van de Nederlandse wettelijke regeling en het stelsel van betrokken instanties, tot kinder- en mensenrechtenconforme voorlopige hechtenisbeslissingen zouden kunnen komen.
Schema 3.A: Het uit EHRM-rechtspraak gedestilleerde besluitvormingsschema voor voorlopige hechtenisbeslissingen van de nationale rechter:
Het besluitvormingsschema bestaat uit vijf stappen die de nationale rechter kan doorlopen om tot kinder- en mensenrechtenconforme voorlopige hechtenisbeslissingen te komen:
Is er sprake van een ‘redelijke verdenking’ dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit?
Is er sprake van ‘relevante en voldoende redenen’ die toepassing van voorlopige hechtenis zouden kunnen rechtvaardigen? Hierbij geldt als uitgangspunt dat verdachten in beginsel hun proces in vrijheid mogen afwachten.
Is voorlopige hechtenis ‘strikt noodzakelijk’ om de – uit de betreffende ‘relevante en voldoende redenen’ voortvloeiende – doelstellingen te kunnen verwezenlijken of kan worden volstaan met minder ingrijpende middelen dan voorlopige hechtenis? (subsidiariteit)
Weegt het belang van verwezenlijking van deze doelstellingen door middel van voorlopige hechtenis, met inachtneming van de onschuldpresumptie, zwaarder dan de inbreuk die met de voorlopige hechtenis wordt gemaakt op het belang van de verdachte om zijn proces in vrijheid af te wachten? (proportionaliteit stricto sensu)
Om tot een methodisch zuivere belangenafweging te kunnen komen, kan de rechter de volgende vier stappen volgen:
Selecteer de ‘relevante’ belangen.
Definieer de geselecteerde belangen zo concreet mogelijk.
Cluster de geselecteerde belangen: ‘publieke belangen die met de voorlopige hechtenis worden gediend’ versus ‘individuele belangen van de verdachte om zijn proces in vrijheid af te wachten’.
Weeg de (geclusterde) belangen tegen elkaar af.
De rechter kan de belangen afwegen door de volgende drie (denk)stappen te nemen:
Op welke belangen wordt inbreuk gemaakt als voorlopige hechtenis wel/niet zou worden toegepast en wat zijn de (hypothetische) gevolgen daarvan?
Wat is de ernst van de inbreuk op die belangen als gevolg van het wel/ niet toepassen van voorlopige hechtenis?
Wat is de concrete ‘mensenrechtelijke schade’ als gevolg van het wel/ niet toepassen van voorlopige hechtenis?
Hierbij geldt als uitgangspunt dat in abstracto de individuele belangen van de minderjarige verdachte om zijn proces in vrijheid af te wachten zwaarder wegen dan de publieke belangen die worden gediend met voorlopige hechtenis, tenzij in het concrete geval de inbreuk op de publieke belangen door het achterwege laten van voorlopige hechtenis meer ‘mensenrechtelijke schade’ oplevert dan de inbreuk op de individuele belangen van de minderjarige verdachte door toepassing van voorlopige hechtenis. Slechts dan zal de rechter de onder stap 4) geformuleerde vraag bevestigend kunnen beantwoorden.
Indien de rechter vraag 1) tot en met 4) bevestigend beantwoordt, is toepassing van voorlopige hechtenis noodzakelijk en gerechtvaardigd. De rechter zal dan moeten bepalen voor welke duur hij de voorlopige hechtenis beveelt. Hiermee staat hij voor de volgende vraag gesteld:
Voor welke duur is een bevel tot voorlopige hechtenis, gelet op de voorgaande vier criteria, aanstonds gerechtvaardigd?
Uiteindelijk moeten deze vijf stappen waarborgen dat voorlopige hechtenis van minderjarigen slechts als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke duur wordt toegepast. Dit uitgangspunt moet de rechter bij elke stap voor ogen houden.
Schema 3.B: Het ‘alternatieve’ besluitvormingsschema voor beslissingen van de nationale rechter over de inzet van dwangmiddelen ten aanzien van minderjarige verdachten (zie par. 3.5.1):
Het in paragraaf 3.5.1 gepresenteerde ‘alternatieve’ besluitvormingsschema bestaat uit vijf stappen die de nationale rechter kan doorlopen om te komen tot kinder- en mensenrechtenconforme beslissingen over de inzet van (vrijheidsbenemende, vrijheidsbeperkende of alternatieve) dwangmiddelen ten aanzien van minderjarige verdachten in de voorfase van het strafproces:
Is er sprake van een ‘redelijke verdenking’ dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit?
Is er sprake van een ‘relevante en voldoende reden’ om af te wijken van het uitgangspunt dat de verdachte zijn proces in (onvoorwaardelijke) vrijheid mag afwachten?
Welk dwangmiddel moet noodzakelijkerwijs ten aanzien van de verdachte worden ingezet om de – uit de betreffende ‘relevante en voldoende reden’ voortvloeiende – doelstellingen te kunnen verwezenlijken? Hierbij geldt als uitgangspunt dat het minst ingrijpende middel steeds de voorkeur verdient, waarbij de voorlopige hechtenis slechts als uiterste middel voor toepassing in aanmerking kan komen (subsidiariteit).
Weegt het belang van verwezenlijking van deze doelstellingen, met inachtneming van de onschuldpresumptie, zwaarder dan de inbreuk die met het daarvoor noodzakelijke middel wordt gemaakt op het belang van de verdachte om zijn proces in (onvoorwaardelijke) vrijheid af te wachten? (proportionaliteit stricto sensu)
Om tot een methodisch zuivere belangenafweging te kunnen komen kan de rechter de volgende vier stappen volgen:
Selecteer de ‘relevante’ belangen.
Definieer de geselecteerde belangen zo concreet mogelijk.
Cluster de geselecteerde belangen: ‘publieke belangen die met het dwangmiddel worden gediend’ versus ‘individuele belangen van de verdachte om zijn proces in (onvoorwaardelijke) vrijheid af te wachten’.
Weeg de (geclusterde) belangen tegen elkaar af.
De rechter kan de belangen afwegen door de volgende drie (denk)stappen te nemen:
Op welke belangen wordt inbreuk gemaakt als het dwangmiddel wel/ niet zou worden toegepast en wat zijn de (hypothetische) gevolgen daarvan?
Wat is de ernst van de inbreuk op die belangen als gevolg van het wel/ niet toepassen van het dwangmiddel?
Wat is de concrete ‘mensenrechtelijke schade’ als gevolg van het wel/ niet toepassen van het dwangmiddel?
Hierbij geldt als uitgangspunt dat in abstracto de individuele belangen van de minderjarige verdachte om zijn proces in (onvoorwaardelijke) vrijheid af te wachten zwaarder wegen dan de publieke belangen die worden gediend met het dwangmiddel, tenzij in het concrete geval de inbreuk op de publieke belangen door het achterwege laten van het dwangmiddel meer ‘mensenrechtelijke schade’ oplevert dan de inbreuk op de individuele belangen van de minderjarige verdachte door toepassing van het dwangmiddel. Slechts dan zal de rechter de onder stap 4) geformuleerde vraag bevestigend kunnen beantwoorden.
Indien de rechter vraag 1) tot en met 4) bevestigend beantwoordt, is toepassing van het dwangmiddel noodzakelijk en gerechtvaardigd. De rechter zal dan moeten bepalen voor welke duur hij het dwangmiddel oplegt. Hiermee staat hij voor de volgende vraag gesteld:
Voor welke duur is een inzet van het dwangmiddel, gelet op de voorgaande vier criteria, aanstonds gerechtvaardigd? Hierbij geldt als uitgangspunt dat het dwangmiddel niet langer mag voortduren dan redelijk is met het oog op het verwezenlijken van de doelstellingen en dat in elk geval voorlopige hechtenis slechts voor de kortst mogelijke duur mag worden toegepast.