HR, 05-12-2025, nr. 23/04947
23/04947
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
05-12-2025
- Zaaknummer
23/04947
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 05‑12‑2025
ECLI:NL:HR:2025:1851, Uitspraak, Hoge Raad, 05‑12‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:CRVB:2023:2009
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2025120503
NDFR Nieuws 2025/1904
FutD 2025-2400
Sdu Nieuws Belastingzaken 2025/1338
NTFR 2025/2011 met annotatie van mr. E. Swaving Dijkstra
V-N 2025/57.4 met annotatie van Redactie
BNB 2026/16 met annotatie van P. Kavelaars
2025/2759 met annotatie van mr. H.B. Bröker
NLF 2025/2759 met annotatie van mr. H.B. Bröker
Beroepschrift 05‑12‑2025
Hoge Raad der
Nederlanden Postbus 203
2500 EH DEN HAAG
[…], 14 februari 2024
Ons kenmerk […].docx
Pagina's 5
Uw kenmerk 23/04947
Betreft: Motivering beroep in cassatie inz. [X] te [Z], AOW-pensioenoverzichtr23/04947
Edelhoogachtbare heren,
Hierbij wenst ondergetekende, de heer H. Menger, verbonden aan […] te […], namens en in opdracht van zijn cliënt, [X], het beroep in cassatie (tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 november 2023 (op 6 november 2023 toegezonden aan partijen) op de uitspraak van rechtbank Amsterdam inzake de uitspraak op het bezwaarschrift tegen het besluit AOW-verzekeringstijdvakken (pensioenoverzicht), zaaknummer 22/3216 AOW, bij u bekend onder dossiernummer 23/04947) te motiveren.
Verordening (EEG) 1408/71
In het oordeel van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) wordt verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) van 19 maart 2015, C-266/13, ECU:EU:C:2015:188 (hierna: arrest Kik). Belanghebbende in arrest Kik was als collega van [X] voor hetzelfde bedrijf werkzaam.
Anders dan de CRvB is belanghebbende van mening dat niet de wetgeving van de werkgeverstaat (Zwitserland), maar de wetgeving van zijn woonland (Nederland) van toepassing is.
In punt 4.3.3 meent de CRvB onterecht dat geen rekening mag worden gehouden met een (eventuele) woonplaatsvereiste binnen de wetgeving van de staat van de werkgever. Deze voorwaarde is namelijk niet opgenomen in het arrest Kik. De laatste volzin van het dictum van het arrest Kik stelt uitsluitend:
‘Indien evenwel, in omstandigheden als die aan de orde in het hoofdgeding, de toepassing van die wetgeving volgens die verordening zou leiden tot aansluiting bij een stelsel van vrijwillige verzekering of ertoe zou leiden dat de betrokkene bij geen enkel stelsel van sociale zekerheid is aangesloten, is deze onderdaan onderworpen aan de wetgeving van zijn woonstaat.’
De vaststelling van ‘de toepassing van die wetgeving’ vind dus plaats voordat de wetgeving van een lidstaat daadwerkelijk wordt aangewezen.
De rechtbank Amsterdam had in de eerdere uitspraak in dit kader verwezen naar de arresten van het HvJ EU van 10 juli 1986, 60/85, ECLI:EU:C:1986:307 (hierna: arrest Luijten) en van 3 mei 1990, C-2/89, ECLI:EU:C:1990:183 (hierna: arrest Kits van Heijningen).
Het arrest Luijten stelt hierover in het dictum:
‘De aanwijzing, krachtens artikel 13, lid 2, aanhef en sub b, van verordening nr. 1408/71, zoals gewijzigd bij verordening nr. 1390/81 van de Raad, van de wetgeving van een Lid-Staat als de op een bepaalde zelfstandige toepasselijke wetgeving brengt mee, dat alleen die wetgeving op hem van toepassing is.’
Het arrest Kits van Heijningen stelt hierover in het dictum:
- ‘3)
Artikel 13, lid 2, sub a, van verordening (EEG) nr. 1408/71 heeft tot gevolg, dat aan de in die bepaling bedoelde personen niet kan worden tegengeworpen een bepaling van de toepasselijke nationale wettelijke regeling, krachtens welke de aansluiting bij het verzekeringsstelsel waarin die wettelijke regeling voorziet, afhankelijk wordt gesteld van de voorwaarde, dat de betrokkene woont in de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij de werkzaamheden in loondienst uitoefent.’
In beide arresten werd dus uitspraak gedaan over bepalingen in de wetgeving van de lidstaat die is aangewezen door de aanwijsregels. Op de zaak van belanghebbende is net als in het arrest Kik echter geen aanwijsregel die rechtstreeks een lidstaat aanwijst.
In het arrest Kik staat:
- ‘51.
In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat het niet langer van toepassing zijn van de wetgeving van een lidstaat een toepassingsvoorwaarde van deze bepaling vormt en dat deze niet zelfde voorwaarden omschrijft waaronder de wetgeving van een lidstaat ophoudt van toepassing te zijn (zie arrest Commissie/België, C-347/98, EU:C:2001:236, punt 31). Zoals het Hof het heeft geformuleerd, met name in punt 33 van het arrest Van Pommeren-Bourgondiën (C-227/03, EU:C:2005:431), staat het aan de wettelijke regeling van elke lidstaat om deze voorwaarden vast te stellen.
- 52.
Zoals is gepreciseerd in artikel 10 ter van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening nr. 1408/71 (PB L 74, blz. 1), in de versie zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, worden de datum en de voorwaarden waarop een persoon als bedoeld in artikel 13, lid 2, onderf), van verordening nr. 1408/71 ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een lidstaat, overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling vastgesteld. …
- 63.
In het geval waarin de wetgeving van de vestigingsstaat van de werkgever ingevolge verordening nr. 1408/71niet voorziet in aansluiting van een werknemer als Kik bij enig stelsel van sociale zekerheid, is de wetgeving van de woonstaat van een dergelijke werknemer van toepassing. De bepalingen van titel II van deze verordening hebben immers ook tot doel te beletten dat de binnen de werkingssfeer van deze verordening vallende personen wegens het ontbreken van een op hen toepasselijke wetgeving geen enkele socialezekerheidsbescherming genieten (arrest Van Pommeren-Bourgondiën, EU:C:2005:431, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).’
In deze punten wordt geen enkel voorbehoud van een woonplaatsvereiste gemaakt voor de toepassing van wettelijke regelingen.
Uit het arrest van het HvJ EU van 29 juni 1994, C-60/93, ECLI:EU:C:1994:271 (hierna: arrest Aldewereld) blijkt dat Aldewereld zowel op grond van de nationale wetgeving van de vestigingsstaat van de werkgever als de wetgeving van zijn woonstaat verplicht sociaal verzekerd en mitsdien premieplichtig was.
Ook in het arrest Aldewereld werd aan de wetgeving van deze twee staten geen nadere voorbehoud ten aanzien van het woonplaatsvereiste in de wetgeving van de werkgeverstaat gemaakt.
Belanghebbende is van mening dat volgens het arrest Kik eerst op grond van de nationale wettelijke regelingen van de vestigingsstaat van de werkgever en van de woonstaat moet worden vastgesteld of deze wetgevingen voorzien in een aansluiting, zonder enig voorbehoud voor deze wettelijke regelingen. De uitkomst hiervan bepaalt vervolgens welke lidstaat wordt aangewezen conform de handvaten die het EHvJ EU heeft gegeven in het arrest Kik:
- —
Volgt uit beide wettelijke regelingen een verplichte verzekering, dan is de aangewezen lidstaat de vestigingsstaat van de werkgever, conform arrest Aldewereld.
- —
Volgt uit de wettelijke regeling van de vestigingsstaat van de werkgever dat er geen verplichte verzekering is, dan is de aangewezen lidstaat de woonstaat, conform arrest Kik.
Pas als de aanwijzing is vastgesteld, dan volgt uit de arresten Luijten en Kits van Heijningen, dat in de nationale wettelijke regeling van die aangewezen lidstaat geen voorbehoud voor de woonplaats (meer mag worden gemaakt.
Prejudiciële vraag Europese Hof van Justitie
De andersluidende uitleg van de Raad volgt niet uit het arrest Kik. Tijdens de zitting is door de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) aangegeven dat belanghebbende niet in Zwitserland verzekerd is en dat dat standpunt ook niet zal wijzigen, tenzij dit volgt uit een arrest. Nu het dictum van het arrest Kik expliciet de woonstaat (Nederland) aanwijst en niet de vestigingsstaat van de werkgever (Zwitserland), is er voor Zwitserland geen grond om een ander standpunt in te nemen.
Dit wetende had het naar mening van belanghebbende voor de hand gelegen indien de CRvB een prejudiciële vraag had gesteld aan het HvJ EU, in plaats van belanghebbende tussen wal en schip te laten vallen door de twee tegengestelde opvattingen. Het is duidelijk dat de opvatting van de CRvB niet buiten redelijk twijfel juist is. Mocht u de opvatting van de CRvB delen, dan wil ik gelet hierop U verzoeken tot het stellen van een prejudiciële vraag daarover aan het HvJ EU.
EG-Verordening 883/2004
Niet in geschil is dat onder Verordening 883/2004 op grond van artikel 11 lid 3 onder e) Nederland de aangewezen lidstaat is, zoals ook volgt uit het arrest van het HvJ EU van 8 mei 2019, C-631/17, ECLI:EU:C:2019:381 (hierna: arrest SF).
Hardheidsclausule
In geschil is of de SVB de hardheidsclausule mocht toepassen indien de Nederlandse wetgeving wordt aangewezen door Verordening 1408/71 over de periode 1 mei 2010 tot en met 31 maart 2012 respectievelijk 883/2004 over de periode 1 april 2012 tot en met 30 september 2015.
In uw arrest van 2 februari 2018,16/03747, ECLI:NL:HR:2018:127 geeft u aan:
‘2.5.1.
Het middel slaagt in zoverre het betoogt dat de Centrale Raad een onjuiste uitleg heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 6a, aanhef en letter b, van de AKW en artikel 24 BUB 1999. Op grond van de eerstvermelde bepaling was belanghebbende in de desbetreffende periode niet verzekerd voor de AKW omdat op haar vanwege haar werkzaamheden in Duitsland op grond van artikel 13, lid 2, letter a, van Verordening 1408/71 de Duitse sociale zekerheidswetgeving van toepassing was. Anders dan de Centrale Raad in zijn uitspraak heeft aangenomen, kan de genoemde bepaling in de AKW niet zo worden uitgelegd dat de mogelijkheid wordt opengelaten om, ondanks de aanwijzing van een toepasselijke buitenlandse wetgeving door een internationale regeling, toch op grond van het recht op vrij verkeer van werknemers verzekering voor de AKW aan te nemen. Daartegen verzet zich zowel de duidelijke tekst als de wetsgeschiedenis van deze bepaling, waaruit volgt dat haar werkingssfeer zich uitstrekt tot verdragen of besluiten van een volkenrechtelijke organisatie in het algemeen (vgl. Kamerstukken II 1997/98, 25 873, nr. 3, blz. 3–4). Daartoe behoren ook internationale regelingen die niet hun grondslag vinden in een recht op vrij verkeer.
2.5.2.
De hardheidsclausule biedt niet de mogelijkheid om verzekering in Nederland aan te nemen in afwijking van het bepaalde in artikel 6a, aanhef en letter b, van de AKW. Die clausule schept de mogelijkheid om bepalingen uit het BUB 1999 buiten toepassing te laten, maar niet om af te wijken van de wet (zie de toelichting op de overeenkomstige hardheidsclausule in het voorafgaande besluit in Staatsblad 1989, 164, blz. 37). Evenmin biedt de hardheidsclausule ruimte om af te wijken van een rechtstreeks uit internationaal recht voortvloeiende uitsluiting van de verplichte verzekering. Ook in zoverre slaagt het middel.’
Bij belanghebbende is sprake van de gespiegelde variant waarbij een rechtstreeks uit het internationaal recht voortvloeiende aansluiting van de verplichte verzekering op grond van het bepaalde in artikel 6a aanhef en letter a van de Algemene Ouderdomswet. Gelet op uw arrest, in tegenstelling tot wat de Raad in punt 4.5.1 van de uitspraak beweert, bieden in dit geval de Nederlandse sociale zekerheidsregels niet de mogelijkheid aan de SVB om de hardheidsclausule toe te passen.
In uw arrest van 9 december 2011,10/03927, ECLI:NL:HR:2011:BQ2938, geeft u aan:
‘3.8.
Ingevolge artikel 19 van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juli 1971 (hierna: de Verordening) kan aan een werknemer een zogenoemde E-106-verklaring worden afgegeven. De E-106-verklaring wordt afgegeven met het oog op de toepassing van artikel 19 van de Verordening, dat ziet op prestaties bij ziekte en moederschap.
Artikel 7, lid 2, aanhef en letter a, van de Verordening bepaalt dat het Rijnvarendenverdrag van toepassing blijft. Nu belanghebbende gelet op hetgeen hiervoor in 3.5 is overwogen als rijnvarende moet worden aangemerkt, is op haar het Rijnvarendenverdrag van toepassing en niet de Verordening. Reeds daarom kan in het onderhavige geval geen betekenis worden toegekend aan een zogenoemde E-106-verklaring, die immers alleen van belang is voor de toepassing van de Verordening. Het Hof heeft derhalve terecht geoordeeld dat de Inspecteur bij de beoordeling van de verzekerings- en premieplicht van belanghebbende uit hoofde van de Nederlandse volksverzekeringen niet gebonden is aan een E-106-verklaring. Ook middel 5 faalt derhalve.’
In uw arrest van 11 oktober 2013,12/04012, ECLI:NL:HR:2013:CA0827 verwijst u in punt 3.8.2 naar bovengenoemde uitspraak en komt u tot eenzelfde oordeel voor een afgegeven E-101 verklaring.
Voor belanghebbende is Verordening 1408/71 respectievelijk 883/2004 van toepassing en niet de hardheidsclause. In analogie op uw bovengenoemde arresten is belanghebbende van mening dat reeds daarom in het onderhavige geval geen betekenis kan worden toegekend aan de door de SVB toegepaste hardheidsclausule.
Conclusie
Belanghebbende blijft van mening dat hij voor de periode van 1 september 2007 tot en met 30 september 2015 als verzekerde in Nederland moet worden beschouwd.
Kostenvergoeding
Mocht u (deels) aan de bezwaren van belanghebbende tegemoet komen, dan wordt u verzocht de SVB te veroordelen in de kosten van het beroep in cassatie, het hoger beroep en tot vergoeding van het griffierecht voor deze beide procedures. Wij wijzen u erop dat de SVB de kostenvergoeding met betrekking tot de beroepsprocedure bij de Rechtbank reeds conform de uitspraak van de Rechtbank heeft verleend.
Met de meeste hoogachting,
Uitspraak 05‑12‑2025
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 23/04947
Datum 5 december 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de RAAD VAN BESTUUR VAN DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 november 2023, nr. 22/3216 AOW1., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. 20/3786) betreffende een besluit van de Sociale verzekeringsbank op grond van de Algemene Ouderdomswet.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door H. Menger, heeft tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Centrale Raad) beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Sociale verzekeringsbank (hierna: de SVB) heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Nederland. Hij was van 1 september 2007 tot 1 oktober 2015 in dienst bij een in Zwitserland gevestigde werkgever en werkte toen op een schip dat voer onder Panamese vlag. Zijn werkzaamheden vonden niet plaats op het grondgebied van een van de lidstaten van de Europese Unie, en evenmin in Zwitserland.
2.2
Bij besluit van 4 februari 2019 heeft de SVB positief beslist op een verzoek van belanghebbende om hem uit te sluiten van de volksverzekeringen door middel van toepassing van de hardheidsclausule van artikel 24 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (hierna: KB 746). Die beslissing houdt in dat belanghebbende over het tijdvak 1 mei 2010 tot en met 30 september 2015 is uitgesloten van de verplichte verzekering voor de Nederlandse volksverzekeringen. Daartegen heeft belanghebbende geen rechtsmiddelen aangewend. Hij heeft ook geen herziening van die beslissing gevraagd en wenst die ook niet te vragen.
2.3
In 2020 heeft belanghebbende de SVB verzocht om hem een overzicht te verstrekken van de tijdvakken waarin hij op grond van de Algemene Ouderdomswet (hierna: de AOW) verzekerd is geweest (een zogenoemd pensioenoverzicht). Bij het besluit dat in deze procedure ter discussie staat heeft de SVB aan belanghebbende naar aanleiding daarvan meegedeeld dat hij tot en met 15 april 2020 18 procent pensioen op grond van de AOW heeft opgebouwd. Daarbij heeft de SVB zich op het standpunt gesteld dat belanghebbende niet verzekerd is geweest voor de Nederlandse volksverzekeringen in de periode van 1 september 2007 tot en met 31 maart 2019.
3. De oordelen van de Centrale Raad
3.1
Voor de Centrale Raad was in geschil of belanghebbende in de periode van 1 september 2007 tot en met 31 maart 2019 verzekerd was voor de AOW. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij die gehele periode verzekerd was voor de AOW. De SVB stelt zich op het standpunt dat hij toen niet verzekerd was.
3.2.1
Met betrekking tot de periode van 1 september 2007 tot en met 31 maart 2012 is de Centrale Raad – naar in cassatie terecht niet in geschil is – ervan uitgegaan dat op belanghebbende de bepalingen van Verordening (EEG) 1408/71 (hierna: de Verordening 1408/71) van toepassing waren.
3.2.2
Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2015 in de zaak Kik2.heeft de Centrale Raad overwogen dat in een geval als dit op grond van de Verordening 1408/71 als regel de wetgeving van de vestigingsstaat van de werkgever van toepassing is, maar dat de wetgeving van de woonstaat van toepassing is indien de wetgeving van de vestigingsstaat van de werkgever niet voorziet in de aansluiting van de werknemer bij enig stelsel van sociale zekerheid. Bij de beantwoording van de vraag of de wetgeving van de vestigingsstaat van de werkgever al dan niet voorziet in de aansluiting van de werknemer bij een stelsel van sociale zekerheid, moet een daarin opgenomen woonplaatsvereiste naar het oordeel van de Centrale Raad buiten beschouwing blijven.
3.2.3
De Centrale Raad is op grond van de Zwitserse socialeverzekeringswetgeving ervan uitgegaan dat natuurlijke personen die in Zwitserland wonen daar verplicht zijn verzekerd krachtens deze wetgeving. Met deze territoriale voorwaarde mag in dit geval echter naar het oordeel van de Centrale Raad geen rekening worden gehouden. Het gevolg is dat belanghebbende in deze periode op grond van het Zwitserse recht aldaar verplicht verzekerd moest worden geacht, met als gevolg dat in zijn situatie Nederland niet de bevoegde lidstaat was. In de periode van 1 september 2007 tot en met 31 maart 2012 was hij daarom niet verzekerd voor de AOW, aldus de Centrale Raad.
3.3.1
Met betrekking tot de periode van 1 april 2012 tot en met 30 september 2015 heeft de Centrale Raad overwogen dat tussen partijen niet in geschil is dat Nederland vanaf 1 april 2012 op grond van de sindsdien toepasselijke Verordening (EG) 883/2004 de aangewezen lidstaat is, en dat belanghebbende in die periode in beginsel was verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen.
3.3.2
De Centrale Raad heeft aangenomen dat belanghebbende in de periode van 1 april 2012 tot en met 30 september 2015 niettemin van de kring der verzekerden in Nederland was uitgesloten als gevolg van het hiervoor in 2.2 bedoelde besluit van de SVB van 4 februari 2019. Daarmee is naar het oordeel van de Centrale Raad in rechte komen vast te staan dat belanghebbende gedurende die periode niet was verzekerd voor de volksverzekeringen.
3.3.3
De Centrale Raad verwerpt het standpunt van belanghebbende dat het Unierecht ertoe noopt niettemin verzekering voor de AOW aan te nemen. Aan de voorwaarden van het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Kühne en Heitz3.is niet voldaan, omdat het besluit van de SVB van 4 februari 2019 niet definitief is geworden ten gevolge van een uitspraak van een nationale rechterlijke instantie waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep. Ook het Unierechtelijke beginsel van loyale samenwerking noopt naar het oordeel van de Centrale Raad niet tot aantasting van de formele rechtskracht van dit besluit van de SVB. De Centrale Raad heeft in dat verband gewezen op het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Byankov4., en heeft naar aanleiding daarvan overwogen dat belanghebbende naar nationaal recht de mogelijkheid heeft de SVB op grond van artikel 4:6 Awb te verzoeken het besluit van 4 februari 2019 te herzien.
3.3.4
Gelet op dit alles mocht de SVB in het pensioenoverzicht ervan uitgaan dat belanghebbende van 1 april 2012 tot en met 30 september 2015 was uitgesloten van de volksverzekeringen en dus niet was verzekerd voor de AOW, aldus de Centrale Raad.
3.4
De Centrale Raad is op grond van het voorgaande tot de slotsom gekomen dat het pensioenoverzicht van de SVB in stand blijft.
4. Beoordeling van de klachten
4.1.1 De eerste klacht richt zich tegen het hiervoor in 3.2.2 weergegeven oordeel van de Centrale Raad dat een in de wetgeving van de vestigingsstaat van de werkgever opgenomen woonplaatsvereiste buiten beschouwing moet blijven. De klacht betoogt daartoe dat woonplaatsvoorwaarden in de nationale wetgeving van een lidstaat volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie pas buiten toepassing moeten blijven als vaststaat dat die wetgeving als toepasselijk is aangewezen. Bij de beoordeling of de wetgeving van het land van vestiging van de werkgever in een geval als dit door de Verordening 1408/71 is aangewezen, moet de aansluiting bij het stelsel van verzekering van dat land daarom zonder enig voorbehoud worden beoordeeld op grond van de nationale wetgeving van dat land, aldus de klacht.
4.1.2 De Centrale Raad is terecht ervan uitgegaan dat bij de beantwoording van de vraag of de wetgeving van de vestigingsstaat van de werkgever al dan niet voorziet in aansluiting van de werknemer bij een stelsel van verplichte verzekering, geen rekening mag worden gehouden met nationale voorschriften die de verzekeringsplicht afhankelijk stellen van territoriale voorwaarden, zoals de woonplaats van de betrokkene.5.De eerste klacht faalt daarom.
4.2.1 De tweede klacht betoogt dat artikel 24 van het KB 746 niet kan worden toegepast om iemand van de verplichte verzekering uit te sluiten, indien deze persoon op grond van artikel 6a, aanhef, en letter a, van de AOW als verzekerde wordt aangemerkt doordat die verzekering voortvloeit uit de toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie.
4.2.2 Deze klacht roept de vraag op of de SVB, indien hij op grond van artikel 24 van het KB 746 heeft besloten een persoon tot de kring der verzekerden te rekenen of daarvan uit te sluiten, en dat besluit rechtens onaantastbaar is geworden en niet is ingetrokken, gewijzigd of vervangen, naar nationaal recht aan die beslissing is gebonden bij een later besluit over de verzekeringsplicht van de betrokkene, zoals het hier bestreden pensioenoverzicht. Dat is een procedurele vraag, die geen betrekking heeft op de uitleg van een van de in artikel 53, lid 1, van de AOW bedoelde wetsartikelen of op die artikelen berustende bepalingen. De Hoge Raad kan hierover daarom geen oordeel geven. Hetzelfde geldt voor zover de tweede klacht betoogt dat de SVB op grond van het Unierecht op zijn besluit van 4 februari 2019 diende terug te komen. Ook de tweede klacht faalt daarom.
5. Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 05‑12‑2025
HvJ 19 maart 2015, Kik, nr. C-266/13, ECLI: EU:C:2015:188.
HvJ 13 januari 2004, Kühne & Heitz, nr. C-453/00, ECLI:EU:C:2004:17.
HvJ 4 oktober 2012, Byankov/Bulgaarse overheid, nr. C-249/11, ECLI:EU:C:2012:608.
Vgl. HR 9 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2986, rechtsoverweging 2.4.3.