Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/20:20 Slotbeschouwing
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/20
20 Slotbeschouwing
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS458226:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 5 april 2016, C-404/15 en C-659/15 PPU, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru).
Rb. Amsterdam 5 april 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:1995.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit boek is de werking van het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken onderzocht. Daarbij is zowel naar de werking van dat beginsel bij klassiek-verdragsrechtelijke als bij de samenwerking binnen de EU gekeken. Zijn meest expliciete rol speelt het vertrouwensbeginsel bij de klassiek-verdragsrechtelijke samenwerking. In dat verband is het beginsel ontstaan – met name in het uitleveringsrecht – en wordt het ook nu nog uitdrukkelijk aangehaald en in de praktijk toegepast.
Het zwaartepunt van strafrechtelijke samenwerking is de afgelopen decennia evenwel komen te liggen bij de samenwerking binnen de Europese Unie. Sinds het eind van de twintigste eeuw is die EU-samenwerking in een stroomversnelling gekomen. Eerder bleek dat van een groot aantal rechtshulpinstrumenten inmiddels een Unierechtelijke variant tot stand is gekomen. De grondslag van die EU-samenwerking is niet langer te vinden in algemene of bijzondere rechtshulpverdragen, maar in de eigensoortige rechtsorde van de EU. De samenwerking binnen de EU wordt beheerst door het beginsel van wederzijdse erkenning. Bij oppervlakkige beschouwing zou daarmee de indruk kunnen ontstaan dat het vertrouwensbeginsel binnen de EU geen rol speelt. Immers, zo zou men kunnen denken, betekent wederzijdse erkenning simpelweg dat een bevel tot strafrechtelijke samenwerking dient te worden uitgevoerd en voor een beoordeling door de uitvoerende autoriteiten bestaat daardoor geen ruimte, zodat ook voor het vertrouwensbeginsel geen rol van betekenis meer is weggelegd.
Niets is minder waar! Hiervoor is betoogd dat het vertrouwensbeginsel de samenwerking binnen de Europese Unie in volle omvang beheerst. Wel is het zo dat het onderling vertrouwen tussen (de autoriteiten van) de lidstaten aanvankelijk werd verondersteld. De aanname was aldus dat de noodzakelijke voorwaarde voor het beginsel van wederzijdse erkenning in wezen vervuld was. Dat dit niet kon worden volgehouden bleek al snel na de proclamatie van dat beginsel tijdens de Europese Raad in Tampere. Zowel op beleidsmatig, als op wetgevend, als op rechtsprekend niveau is binnen de EU onderkend dat het onderling vertrouwen niet simpelweg kan worden verondersteld. De praktijk laat zien dat het in lang niet alle gevallen terecht is om vertrouwen te hebben in de rechtsstelsels van de lidstaten en dat leidt er vanzelfsprekend toe dat de diverse functionarissen die zich in de praktijk met de samenwerking binnen de Unie bezighouden in voorkomende gevallen dat vertrouwen ook niet hebben. De EU-instellingen hebben beleid ontwikkeld gericht op het versterken van het onderling vertrouwen inclusief een routekaart om de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures te versterken. Deze routekaart is voor een groot deel vertaald in richtlijnen die zijn of worden geïmplementeerd in de rechtsstelsels van de lidstaten.
Dat ook in concrete gevallen het onderling vertrouwen tussen de autoriteiten van de lidstaten soms zeer te wensen overlaat en de samenwerking stagneert, is uiteraard gebleken na de aanslagen in Parijs en Brussel. Zelfs lidstaten zoals Nederland en België – die van oudsher worden geacht nauw samen te werken, nota bene ooit een en hetzelfde land en al voor het ontstaan van (de voorlopers van) de EU verenigd waren in de Benelux – blijken soms in het geheel niet samen te (kunnen) werken. Maar ook in gewone strafzaken is het onderling vertrouwen soms ver te zoeken en loopt de samenwerking allerminst soepel.
Het Hof van Justitie heeft in de zaak-Aranyosi en Căldăraru1duidelijk gemaakt dat een reëel gevaar voor schending van fundamentele rechten van een verdachten een belemmering kan zijn voor overlevering én dat lidstaten onder omstandigheden gehouden zijn zulks te onderzoeken en informatie op te vragen, en (spiegelbeeldig) gehouden zijn om aan dergelijke informatieverzoeken te voldoen. Detentieomstandigheden in de lidstaten Hongarije en Roemenië laten zeer te wensen over en te verwachten is dat overlevering aan die landen in veel gevallen zal worden uitgesteld of afhankelijk gemaakt van strikte voorwaarden. Dat de overleveringskamer van de rechtbank Amsterdam er op dezelfde dag dat het hiervoor aangehaalde arrest werd gewezen, er als de kippen bij was om aan de uitvaardigende autoriteit vragen te stellen omtrent de te verwachten detentieomstandigheden in Roemenië, illustreert dit.2
Tegelijkertijd is het daadwerkelijk kunnen vertrouwen op de rechtsstelsels en autoriteiten van de verschillende lidstaten alleen maar belangrijker geworden. Niet alleen is dat vertrouwen in sterkere mate verondersteld sinds deze samenwerking plaatsvindt op basis van het beginsel van wederzijdse erkenning, ook zijn de vormen van samenwerking nauwer en verstrekkender geworden. De wederzijdse erkenning van strafrechtelijke veroordelingen kan als voorbeeld gelden: in plaats van de in klassiek verband gebruikelijke omzetting van de straf via de exequaturprocedure is binnen de EU thans voortgezette tenuitvoerlegging de norm. De strafrechtsstelsels van de lidstaten raken steeds nauwer vervlochten.
Een toekomstbestendig systeem van strafrechtelijke samenwerking binnen de EU kan in mijn optiek dan ook slechts tot stand komen door uitdrukkelijk te onderkennen dat het onderling vertrouwen soms met reden ontbreekt of beperkt is. Ook moeten de autoriteiten van de lidstaten in voorkomende gevallen de mogelijkheid hebben, ook in juridische zin, om naar dergelijke twijfels over het strafrechtsstelsel van een andere lidstaat te handelen. Dat moeten dan wel gerede twijfels zijn. Door de sterke en zwakke punten van de rechtsstelsels van de lidstaten inzichtelijk te maken door middel van het monitoren en evalueren van de uitvoering van EU-recht, inclusief procedurele waarborgen en fundamentele rechten, kan ook in de rechtszaal een zakelijke discussie plaatsvinden. Tegelijkertijd is het noodzakelijk werk te maken van het versterken van het onderling vertrouwen, waar nodig door de kwaliteit van de strafrechtsstelsels van de lidstaten te verbeteren en daarnaast door de autoriteiten van de lidstaten beter bekend te maken met de werking van elkaar systeem.
Vertrouwen eenvoudigweg veronderstellen, vanuit die veronderstelling de samenwerking in strafzaken zonder nuance intensiveren en lidstaten tot samenwerking verplichten, zal in mijn optiek op de langere termijn averechts werken. Alleen door een open en transparante benadering van de problemen waar diverse lidstaten ontegenzeggelijk mee kampen en een vertaling van dat realisme in het systeem van strafrechtelijke samenwerking, kan het ideaal van een ware Europese (straf)rechtsruimte dichterbij komen.