Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.2.7
1.2.7 Ondergeschikte zaken
mr. J.C.T.F. Lokin , datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644868:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Windscheid I (1891), p. 404 e.v. Zie voor het Nederlandse recht: Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht (2019), Rn 12, p. 7 e.v.
D. 19, 1, 13, 31 (Ulpianus): “Aedibus distractis vel legatis ea esse aedium solemus dicere, quae quasi pars aedium vel propter aedes habentur, ut puta putealia.”
D. 18, 1, 47: “Si aquae ductus debeatur praedio, et ius aquae transit ad emptorem, etiamsi nihil dictum sit, sicut et ipsae fistulae, per quas aqua ducitur,”
D. 18, 1, 48: “Licet extra aedes sint:”
D. 18, 1, 49: “Et quamquam ius aquae non sequatur, quod amissum est, attamen fistulae et canales dum sibi sequuntur, quasi pars aedium ad emptorem perveniunt. Et ita Pomponius libro decimo putat.”
D. 19, 1, 17, 10 en 11 (Ulpianus).
D. 19, 1, 17, 7 (Ulpianus): “Labeo generaliter scribit ea, quae perpetui usus causa in aedificiis sunt, aedificii esse, quae vero ad praesens, non esse aedificii, ut puta fistulae temporis quidem causa positae non sunt aedium, verum tamen si perpetuo fuerint positae, aedium sunt.”
D. 50, 16, 245 (Pomponius): “Statuae adfixae basibus structilibus aut tabulae religatae catenis aut erga parietem adfixae aut si similiter cohaerent lychni, non sunt aedium: ornatus enim aedium causa parantur, non quo aedes perficiantur. Idem Labeo ait.”
De Romeinen kenden zaken die in een bepaalde verhouding tot een andere zaak stonden. Zij waren ondergeschikt aan de zaak en bestemd om de zaak te dienen. Modern gezegd vielen zij onder het begrip hulpzaken, dat wil zeggen alle zaken die volgens de verkeersopvatting waren inbegrepen bij een andere zaak.1
“Wanneer een gebouw is verkocht of gelegateerd, rekenen wij gewoonlijk die dingen tot het gebouw die men er als bestanddeel van het gebouw of wegens het gebouw op na houdt, zoals bijv. een putafdekking.”2
Tot het huis behorende buizen en goten die noodzakelijk waren voor een recht van waterleiding gingen mee over bij de overdracht, zelfs als dat recht zelf niet mee overgaat:
“Als een recht van waterleiding aan een erf verschuldigd is, gaat ook het recht op het water op de koper over, zelfs indien daarover niets gezegd is, evenals de betreffende buizen waardoor het water wordt geleid,3 ook al liggen ze buiten het gebouw.4 Ook als een recht van waterleiding niet mede overgaat, omdat het verloren is gegaan, vallen toch de buizen en de goten, zolang zij daar nog liggen, als onderdeel van het gebouw aan de koper toe. Dit is de mening van Pomponius in het tiende boek.”5
De hulpzaak moest bestemd zijn om blijvend dienstbaar te zijn aan een andere zaak en die bestemming moest zijn gerealiseerd6:
“Labeo schrijft als algemene regel dat die dingen die voor voortdurend gebruik in gebouwen aanwezig zijn, tot het gebouw behoren, maar dat die welke er slechts voor het moment zijn, niet tot het gebouw behoren, zoals bijv. tijdelijk geplaatste buizen niet tot het gebouw behoren maar blijvend geplaatste daar wel toe behoren.”7
Decoratieve zaken, zoals bijvoorbeeld schilderijen en lampen, vielen niet onder bovenstaande categorie.
“Standbeelden die op gemetselde sokkels bevestigd zijn, beschilderde panelen die met kettingen vastgemaakt of aan de wand bevestigd zijn en lampen die op een dergelijke manier vastzitten, zijn geen onderdeel van het gebouw. Deze zaken worden immers in huis gehaald om het te verfraaien en niet om het huis als zodanig af te maken. Labeo zegt hetzelfde.”8