Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.4.2
4.4.2 De mogelijkheid van doelwijziging; wil van de stichter
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS388542:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Versteeg & Storm 1954, p. 88-89. Versteeg en Storm noemen het voorbeeld van een stichting die een algemeen maatschappelijk belang beoogde na te streven, terwijl bepaald was dat bij liquidatie het saldo moest worden aangewend voor een zoveel mogelijk gelijksoortig doel. Toen deze stichting een belangrijke schenking kreeg, werd aanspraak gemaakt op een vermindering van het schenkingsrecht op basis van een artikel uit de Successiewet. De Inspecteur stelde echter als voorwaarde dat in de statuten werd bepaald dat de bepalingen inzake doel en de bestemming van het liquidatiesaldo niet gewijzigd konden worden. Versteeg en Storm menen dat de Inspecteur dit niet had mogen verlangen. Zij noemen de mogelijkheid dat de doelstelling pas na vele jaren wordt gewijzigd terwijl hetgeen geschonken is al lang is opgebruikt ten behoeve van het oude doel. In dat geval is er geen aanleiding te menen dat de desbetreffende bepaling uit de Successiewet onjuist is toegepast.
Versteeg & Storm 1954, p. 88.
Scholten in Asser/Scholten & Bregstein 1-II 1954, p. 206.
Dijk/Van der Ploeg 2013, par. 12.3.1. “Hier vanuit gaand ligt het voor de hand dat de oprichters – evenals bij een (gewoon) testament – zelf mogen aangeven wat met hun vermogen geschiedt. Bij vele stichtingen is tegenwoordig een dergelijke band tussen de oprichting van de stichting en het beschikken over zijn vermogen door een oprichter niet aanwezig. Het ter beschikking stellen van vermogen is thans geen oprichtingsvereiste meer. [**] In dergelijke gevallen lijkt er minder reden te zijn de oprichters de bevoegdheid te geven wijziging van de statuten uit te sluiten.” De woorden in de laatste zin van het citaat “In dergelijke gevallen” zijn mijns inziens niet geheel duidelijk. Ik neem aan dat daarmee bedoeld worden gevallen waarin door de oprichters geen vermogen ter beschikking is gesteld.
Kamerstukken II 1982-1983, 17 725, nr. 12, p. 11 en p. 14).
Kamerstukken II 1982-1983, 17 725, nr. 13, p. 14. De rechter dient overigens wel met redelijke wensen van het bestuur rekening houden, aldus de Minister.
Quist 2015.
Van Schilfgaarde meent dat een redelijke uitleg van de statuten meebrengt dat de bepaling die het verbiedt om het doel te wijzigen zelf ook niet kan worden gewijzigd (Van Schilgaarde 1999). Zou men dit niet aannemen dan zou immers het verbod tot wijziging van het doel weinig zin hebben, aldus Van Schilfgaarde. Van Schilfgaarde vervolgt nog dat het bestuur kan betogen dat de oprichter bewust deze mogelijkheid heeft opengelaten, maar erg waarschijnlijk is het niet dat het bestuur daartoe overtuigende argumenten heeft. Een statutenwijziging die buiten de rechter om geschiedt, dient immers te berusten op een door de statuten verstrekte bevoegdheid. Rechtbank Almelo 18 november 2009, RO 2010/ 10 (Von Bönninghausen tot Herinckhave Stichting). In r.o. 6.2. en 6.3. overweegt de rechtbank dat juist was het standpunt van eiser dat de statuten van een stichting slechts kunnen worden gewijzigd indien de statuten daartoe de mogelijkheid bieden en dat een bepaling die de bevoegdheid tot wijziging van een of meer andere bepalingen van de statuten uitsluit, niet kan worden gewijzigd.
Uitgangspunt bij de WS 1956 was, evenals nu, dat de oprichter de statuten van de stichting vaststelt en daarbij beslist of hij het bestuur of eventueel een ander stichtingsorgaan de mogelijkheid geeft daarin wijzigingen aan te brengen.
Situatie voor de WS 1956
Al voor de inwerkingtreding van de WS 1956 kwam het blijkens rechtsliteratuur uit die tijd voor dat de statuten bepaalden dat sommige statutaire bepalingen niet voor wijziging vatbaar waren, zoals bepalingen omtrent het doel en de bestemming van het liquidatiesaldo.1 Versteeg en Storm schreven in 1954 dat wijziging van de statuten niet geoorloofd is indien de mogelijkheid van een dergelijke statutenwijziging niet in de statuten zelf is voorzien.2 Volgens anderen was discussie mogelijk over de vraag of een statutenwijziging geoorloofd is als de statuten wijziging niet verbieden maar ook niet duidelijk toelaten. Scholten achtte in 1954, dus voor de inwerkingtreding van de WS 1956, een wijziging toelaatbaar indien er een onmogelijke toestand ontstaat:
“Een vroeger waardevol doel kan na verloop van tijd alle betekenis veroren hebben. De beoefening b.v. van een bepaalde techniek heeft geen zin meer als andere betere methoden zijn gevonden om het zelfde doel te bereiken.”3
In die situatie zijn volgens Scholten bestuurders vrij om tot wijziging over te gaan, maar dienen de bestuurders zich te bedenken “dat hun particulier inzicht niet beslissend mag zijn en zij eerst tot wijziging mogen besluiten indien de wenselijkheid daarvan algemeen zal worden erkend”.
De WS 1956 en het huidige stichtingenrecht
De wetgever besloot echter om in de WS 1956 minder vrijheid te laten aan stichtingsbestuurders. Evenals in het huidige stichtingenrecht (artikel 2:293 BW) bepaalde de WS 1956 (artikel 6WS 1956) dat wijziging van een of meer van de bepalingen van de statuten door stichtingsorganen slechts mogelijk is indien de statuten daartoe de mogelijkheid bieden.
Volgens Dijk/Van der Ploeg4 hangt de regel van artikel 2:293 BW (en haar voorloper in de WS 1956) samen met het oorspronkelijke kenmerk van de stichting uit de WS 1956, te weten dat de oprichters een bepaald vermogensbestanddeel voor het stichtingsdoel moeten afzonderen. Daaruit lijken zij af te leiden dat in de gevallen dat de oprichters bij oprichting geen vermogen afzonderen ten behoeve van de stichting, er minder reden is om de oprichters de bevoegdheid te geven doelwijziging uit te sluiten.
Ik meen dat de wetgever ten tijde van de WS 1956 bewust als uitgangspunt hanteerde dat oprichters in de statuten uitdrukkelijk de mogelijkheid van doelwijziging moeten bieden, ook in het geval dat oprichters geen stichtingsvermogen ter beschikking van de stichting stellen. Zoals reeds aangegeven kwamen ten tijde van de totstandkoming van de WS 1956 vooral veel stichtingen voor waarbij vermogensbeheer (bij levenden of na dode) voorop leek te staan. Er was nog weinig ervaring opgedaan met uiteenlopende soorten stichtingen, maar er kwamen al wel stichtingen voor met een “instellingskarakter” die meer algemene doeleinden hadden, zoals bijvoorbeeld ziekenzorg waarbij vermogen niet – of in ieder geval niet primair – van de oprichter afkomstig hoeft te zijn. Bovendien relativeerde Minister Van Oven bij de parlementaire behandeling van de WS 1956 de vermogenseis al: “vermogen behoeft er niet te zijn, als het maar kan komen”. Er werd dus reeds van uit gegaan dat het vermogen niet direct bij de oprichting aanwezig hoeft te zijn en niet van de oprichter afkomstig hoeft te zijn. Niettemin werd wel in de wet de algemene bepaling opgenomen dat wijzigingsbevoegdheid uitdrukkelijk door de oprichter in de statuten geboden moet worden.
Bovendien werd deze bepaling (artikel 6WS 1956) niet gewijzigd bij gelegenheid van de invoering van Boek 2 BW (dat wil zeggen: overplaatsing van het stichtingenrecht naar een eigen titel in Boek 2 BW), terwijl toen inmiddels meer ervaring was opgedaan met verschillende soorten stichtingen. Tijdens de parlementaire behandeling van de Invoeringswet NBW in 1983 kwam het uitsluiten van de mogelijkheid van doelwijziging door de stichter kort aan de orde. Wel werd de mogelijkheid geboden om in bepaalde omstandigheden, indien doelwijziging is uitgesloten, de rechter een nieuw doel vast te laten stellen (waarover hierna in paragraaf 4.4.3 meer). Enkele Kamerleden vroegen of de rechtbank niet – indien daar door de bevoegde personen om wordt gevraagd – een bepaling zou dienen toe te staan die de statutenwijziging inclusief de doelomschrijving aan het bestuur attribueert, zodat het probleem van de wijziging van de doelomschrijving een bestuursbevoegdheid wordt.5 De Minister antwoordde dat de rechter de wil van de oprichter ten aanzien van het niet kunnen wijzigen van het doel dient te eerbiedigen. De rechter kan een ander doel aanwijzen, maar dient daarbij zo min mogelijk af te wijken van het bestaande doel. De Minister meende dat, indien het bestuur niet de bevoegdheid heeft om het doel te wijzigen, de rechter deze bevoegdheid niet alsnog aan het bestuur dient te verlenen, maar dat de rechter zelf de instantie moet blijven die het nieuwe doel aanwijst (dus ook bij een opvolgende doelwijziging).6
De wetgever heeft dus bewust de bepaling in de wet opgenomen (en ongewijzigd gelaten) dat de mogelijkheid van wijziging van de statuten door een stichtingsorgaan, waaronder wijziging van het statutaire doel, uitdrukkelijk door de oprichters moet worden geboden. Met deze bepaling onderscheidt de stichting zich van andere rechtspersonen.
In de literatuur is opgemerkt dat oprichters die niet willen dat bepaalde onderdelen in de statuten, zoals het doel, worden gewijzigd dit tegenwoordig doorgaans expliciet in de statuten vermelden.7 Indien de statuten bepalen dat het statutaire doel niet kan worden gewijzigd, kan overigens ter voorkoming van misverstanden worden toegevoegd dat het artikel dat doelwijziging uitsluit zelf evenmin kan worden gewijzigd. In de literatuur en de rechtspraak wordt aangenomen dat dit ook geldt als verzuimd is dit uitdrukkelijk te bepalen.8
Ander uitgangspunt?
Gelet op het feit dat de statuten het kennelijk doorgaans uitdrukkelijk vermelden als doelwijziging niet is toegestaan, zou de vraag zou kunnen worden gesteld of de wetgever het niet zou moeten omdraaien. Zou niet tot uitgangspunt genomen moeten worden dat het bestuur de statuten van de stichting kan wijzigen, tenzij deze wijzigingsbevoegdheid expliciet wordt uitgesloten? Ik meen dat de huidige bepaling gehandhaafd moeten worden, hetgeen ik hierna nog nader zal motiveren. De huidige bepaling dwingt de oprichter om na te denken over de vraag of, op welke wijze en in welke mate hij doelwijziging mogelijk wil maken. Daarbij kan hij ook overwegen om in de statuten op te nemen dat het stichtingsbestuur het doel wel kan wijzigen, maar slechts na goedkeuring van een ander orgaan, zoals de raad van toezicht.
Voor zover de statuten uitdrukkelijk wijziging van alle bepalingen van de statuten mogelijk maken, is daarmee in beginsel ook wijziging van het doel mogelijk gemaakt. Als er niets is bepaald, kan geen enkele bepaling uit de statuten, dus ook het doel niet, zonder rechterlijke tussenkomst worden gewijzigd.