HR, 02-04-2024, nr. 21/05253
ECLI:NL:HR:2024:499
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
02-04-2024
- Zaaknummer
21/05253
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bijzonder strafrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:499, Uitspraak, Hoge Raad, 02‑04‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:145
ECLI:NL:PHR:2024:145, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑02‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:499
- Vindplaatsen
RvdW 2024/425
Uitspraak 02‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Als leider deelnemen aan criminele organisatie die tot oogmerk heeft bedrijfsmatige internationale hennepteelt en hennephandel (art. 11a.2 (oud) jo. 11.3, 11.4 en 11.5 Opiumwet), medeplegen verkopen (art. 3.B Opiumwet) en uitvoeren van hennep (art. 3.A Opiumwet) en medeplegen vervoeren van hennep (art. 3.B Opiumwet). Onvolkomenheid bij beëdiging van één of meer raadsheren van hof ’s-Hertogenbosch die uitspraak hebben gewezen, art. 5.2 en 6.2 Wet RO. Gelet op HR:2022:1438 behoeft dat geen verdere bespreking. Volgt verwerping. Samenhang met 21/05240 en 21/05256.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/05253
Datum 2 april 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 december 2021, nummer 20-003621-16, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal M.L.C.C. Lückers heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van de schriftuur
De raadsman heeft – na het verstrijken van de in artikel 437 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn – in de schriftuur uitsluitend aan de orde gesteld dat bij de beëdiging van één of meerdere van de raadsheren die de bestreden uitspraak hebben gewezen, zich een onvolkomenheid heeft voorgedaan. Gelet op het arrest dat de Hoge Raad op 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438, heeft gewezen, behoeft dat geen verdere bespreking.
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van drie jaren.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze twee jaren en elf maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2024.
Conclusie 13‑02‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Falend middel over onjuiste beëdiging raadsheren gerechtshof 's-Hertogenbosch. Conclusie strekt vanwege overschrijding redelijke termijn in cassatie tot vermindering van de duur van de opgelegde straf naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige, met toepassing van art. 81 RO.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/05253
Zitting 13 februari 2024
CONCLUSIE
M.L.C.C. Lückers
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
Bij arrest van 16 december 2021 heeft het gerechtshof 's-Hertogenbosch het op 22 november 2016 tegen de verdachte gewezen vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant onder aanvulling van gronden bevestigd, behalve ten aanzien van de beslissingen ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde en de strafoplegging. Het hof heeft de verdachte voor (1) als leider deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft bedrijfsmatige internationale hennepteelt en hennephandel, (2) medeplegen van opzettelijk verkopen, afleveren, vervoeren en buiten het grondgebied van Nederland brengen van hennep, (3) medeplegen van opzettelijk vervoeren van hennep en (4) medeplegen van opzettelijk verkopen, afleveren en vervoeren van hennep veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 21/05240 en 21/05256. In deze zaken concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 21 december 2021 ingesteld namens de verdachte. D. Bektesevic, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.4
Het middel, dat betrekking heeft op het gebruik van een onjuiste tekst bij beëdigingen in het hof ’s-Hertogenbosch, faalt. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Het middel
2.1
In het middel wordt geklaagd dat het hof de zaak tegen de verdachte ten onrechte niet door drie raadsheren heeft behandeld en berecht, althans dat de zaak ten onrechte is behandeld en berecht door één of meer raadsheren die niet op de door de wet voorgeschreven wijze (en dus niet) als raadsheer waren beëdigd, welk verzuim nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en het naar aanleiding daarvan gewezen arrest tot gevolg heeft.
2.2
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438, NJ 2023/43 m.nt. Vellinga is het middel tevergeefs voorgesteld.
2.3
Het middel faalt.
3. Slotsom
3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO gebaseerde overweging.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. De redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden, hetgeen tot vermindering naar de gebruikelijke maatstaf van de door het hof opgelegde gevangenisstraf moet leiden.
3.3
Deze conclusie sterkt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG