Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/6.4.2:6.4.2 Verklaringen
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/6.4.2
6.4.2 Verklaringen
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS495971:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Dale (digitaal).
In de zaken Funke en J.B. was bijvoorbeeld sprake van vorderingen om documenten te verstrekken (zie § 4.2.1 en § 4.2.7 hiervoor).
Zie onder meer Feteris 2002(a), p. 283, en A-G Leijten, conclusie bij HR 1 oktober 1985, NJ 1986, 405 (m.nt. Wattel).
Vgl. de transcripties van verhoor als bewijsmateriaal in EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk),BNB 1997/254 (m.nt. Feteris); NJ 1997, 699 (m.nt. Knigge).
Vgl. Feteris 2002(a), p. 283 en de daar vermelde literatuur.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het EHRM geeft in zijn rechtspraak geen omschrijving van het begrip ‘verklaringen’ (‘statements’). Ook anderszins volgt daaruit niet wat het hier precies onder verstaat. Naar spraakgebruik kan verklaren bijvoorbeeld worden omschreven als de handeling van iets te verklaren, dat wil zeggen als feit mede te delen, om zo opheldering te verschaffen over een aangelegenheid.1 Dan kan worden gedacht aan verklaringen tijdens verhoor, tijdens een toezichtsonderzoek of gesprek met de autoriteiten, in persoon, telefonisch of via andere communicatiemiddelen, zoals een videoverbinding. Of het Hof een dergelijke invulling voorstaat, is niet duidelijk. Het lijkt in ieder geval een materiële (‘substantive’) benadering voor te staan. Dat geldt te meer omdat het de notie van zelfbelasting ruim uitlegt (zie § 6.4.3 hierna).
Ook schriftelijke verklaringen?
Buiten twijfel is dat het EVRM-zwijgrecht zich uitstrekt tot mondelinge verklaringen. Of ook schriftelijke verklaringen binnen het toepassingsbereik van het zwijgrecht vallen, volgt niet uit de Straatsburgse rechtspraak. In de zaak Allen was de klager gehouden schriftelijke opgaaf te doen van zijn bezittingen. Omdat hij nog niet was ‘charged with a criminal offence’, komt het Hof niet toe aan de vraag of art. 6 EVRM in het geding was. Andere zaken waarin de autoriteiten schriftelijke verklaringen verlangden, ontbreken bij mijn weten.2 Niettemin wordt algemeen aangenomen dat ook schriftelijke verklaringen onder de reikwijdte van het EVRM-zwijgrecht vallen.3 Dit ligt ook voor de hand. Schriftelijke verklaringen zijn, eenmaal vastgelegd, weliswaar stoffelijk van aard, maar steeds een product van de geest van de verdachte.4 Naast de schriftelijke vastlegging van een verklaring, kan hierbij worden gedacht aan een gespreksverslag, een geluid- of beeldopname, een ingevuld vragenformulier of een antwoordbrief naar aanleiding van vragen van de autoriteiten. Ook het invullen van een belastingaangifte kan worden gelijkgesteld met het afleggen van een schriftelijke verklaring.5