Op zoek naar de heilige graal
Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/4.4.4:4.4.4 Nederlands niveau
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/4.4.4
4.4.4 Nederlands niveau
Documentgegevens:
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633629:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1975/76, 13872, nr. 3, p. 11, 29.
Vermeulen 2000-a, p. 94.
Ik gebruik de termen bezinningsbijeenkomst(en) en bezinningssamenkomst(en) door elkaar.
Commissie Hirsch Ballin 1988, p. 60.
De Bruijn 2014, p. 234.
Kamerstukken II 1975/76, 13872, nr. 3, p. 28, 29.
Bunschoten 2015, artikel 6 GW, aant. 4, p. 25.
Overbeeke 2014, p. 260.
Bunschoten 2015, artikel 6 GW, aant. 2, p. 24; Vermeulen 2000-a, p. 102, 103.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 6 lid 1 GW bepaalt dat ieder het recht heeft zijn of haar godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Volgens de parlementaire geschiedenis van de grondwetsherziening van 1983 kunnen zowel individuen als collectiviteiten (rechtspersonen en groepen en organisaties zonder rechtspersoonlijkheid) beroep op dit grondrecht doen.1 Dat dit tevens een recht van groepen is, valt ook op te maken uit de bewoordingen ‘in gemeenschap met anderen’.2
Het begrip belijden omvat niet alleen het hebben van een godsdienst of levensovertuiging maar ook het zich daarnaar gedragen, zowel individueel als in groepsverband.3 Het gaat dus om het al dan niet hebben, beleven en naleven van een overtuiging, het veranderen van overtuiging, er uiting aan geven in een particuliere en openbare eredienst of bezinningsbijeenkomst,4 het uitdragen van en zich bezinnen op de overtuiging in het openbaar (op straat of via media), het geven van onderwijs in de godsdienst of levensbeschouwing en het zich gedragen naar de overtuiging in het maatschappelijke leven.5 Het gaat dan volgens de regering om ‘gedragingen die op de godsdienst of levensovertuiging zijn gebaseerd voor zover die in redelijkheid rechtstreeks uitdrukking geven aan die overtuiging’.6 De gedraging moet wel deel uitmaken van een algemeen erkende praktijk van een godsdienst of levensovertuiging.
Zoals gezegd is vanaf de grondwetsherziening van 1983 religieuze overtuiging gelijkgesteld met niet-religieuze levensovertuiging.7 Die nevenschikking is volgens de grondwetgever van staatsrechtelijke aard en beoogt dat in de verhouding tot de overheid tussen godsdienst en levensovertuiging geen verschil mag worden gemaakt en dus beide vormen van geestelijk leven staatsrechtelijk dezelfde bescherming toekomt.8 Hoewel godsdienst en levensovertuiging naar aard en gerichtheid een eigen karakter vertonen, mogen deze verschillen niet van invloed zijn voor zover het gaat om waarborging van vrijheid, bescherming en staatsrechtelijke gelijkheid, aldus de grondwetgever.9 Volgens de regering waarborgt de godsdienstvrijheid verder religieuze pluriformiteit en gelijkwaardigheid van religies.10
Het recht op het belijden van de overtuiging is niet absoluut en kan beperkt worden. Het uiten van de overtuiging in de individuele en collectieve sfeer binnen en buiten gebouwen en besloten plaatsen kan slechts bij wet in formele zin beperkt worden (art. 6, lid 1 GW). Dit kan echter ook een open geformuleerde norm als onrechtmatige daad zijn (art. 6:162 BW). In de praktijk zijn ook bepaalde algemene beperkingen in lagere regelgeving toegestaan, zoals brandveiligheidsvoorschriften en een bestemmingsplan.11 Wat betreft uitingen buiten gebouwen en besloten plaatsen kunnen ook aan lagere overheden in een specifieke formele wet beperkingsbevoegdheden worden toegekend. Deze beperkingen zijn slechts geoorloofd ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden (art. 6, lid 2 GW). De hier bedoelde specifieke wet is de Wet openbare manifestaties, die ook het recht van betoging van artikel 9 GW uitwerkt. Het uitdragen en overdragen van de overtuiging in woord of geschrift (verkondiging) kan alleen beperkt worden door de wet in formele zin, met name de strafwet zoals strafbare belediging in woord en geschrift (art. 137c-e en 261-271 SR).
Artikel 103 GW regelt dat in uitzonderingstoestanden (noodtoestand) afwijking van bepaalde grondrechten is toegestaan. Deze afwijking geldt volgens lid 2 van deze bepaling voor wat betreft de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging alleen voor de uitoefening van dat grondrecht buiten gebouwen en besloten plaatsen (art. 6, lid 2 GW). Lid 1 van artikel 6 GW heeft derhalve een notstandsfest karakter.12 Dit houdt in dat deze bepaling in een noodtoestand niet buiten werking kan worden gesteld. Bovendien moet hierbij artikel 4, lid 2 BUPO in aanmerking worden genomen. Dit artikel bepaalt dat in noodtoestanden niet mag worden afgeweken van artikel 18 BUPO (vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst). Hierdoor moet de beperking van het grondrecht buiten gebouwen en besloten plaatsen in noodtoestanden voldoen aan de voorwaarden van artikel 18 lid 3 BUPO: voorgeschreven door de wet en noodzakelijk in het belang van bepaalde doelcriteria.
De vrijheid van godsdienst en levensovertuiging omvat ook organisatievrijheid: het recht tot oprichting en inrichting van religieuze en levensbeschouwelijke organisaties (kerken, scholen en welzijnsinstellingen).13 Daarvoor biedt ook de verenigingsvrijheid van artikel 8 GW een grondslag. De uit artikel 6 GW voortvloeiende organisatievrijheid is voor kerkgenootschappen, hun zelfstandige onderdelen en de lichamen waarin zij zijn verenigd nader uitgewerkt in artikel 2:2 BW. Verder moet de staat zich zo veel mogelijk afzijdig houden van interne rechtsverhoudingen binnen kerkgenootschappen en andere genootschappen op geestelijke grondslag (aanstellen van voorgangers, leraren en ander personeel alsook cliëntenbeleid), zoals blijkt uit artikel 3 Awgb.