Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/2.4.3
2.4.3 Artikel 10 EVRM
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS507328:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Een vergelijkbare bepaling is neergelegd in artikel 19 IVBPR, waaruit volgt dat eenieder het recht op vrijheid van mening (lid 1) en meningsuiting (lid 2) heeft. Het recht op vrijheid van meningsuiting omvat ‘mede de vrijheid inlichtingen en denkbeelden van welke aard ook te garen, te ontvangen en door te geven’. De bescherming van dit artikel komt in overwegende mate overeen met die onder artikel 10 EVRM, zodat artikel 19 IVBPR op deze plaats verder onbesproken zal blijven. Vgl. Daalder 2005, p. 15, Hins 2011, p. 112-113 en Daalder 2015, p. 26.
HR 25 juni 1965, NJ 1966/115 (Televizier/Omroepverenigingen), waarover Alkema 1978, p. 33. De Hoge Raad overwoog dat een dergelijke verplichting ‘evenmin grondslag vindt in de Grondwet of in enige andere rechtsregel’.
De Meij 1969, p. 233. Vgl. Daalder 2005, p. 16-17.
Vgl. ABRvS 20 januari 2015, JB 2015/38 m.nt. S.A.L. van de Sande (Gerechtsbestuur).
EHRM 8 november 2016, 18030/11, NJ 2017/431 m.nt. E.J. Dommering, AB 2017/1 m.nt. T. Barkhuysen & M.L. van Emmerik (Magyar Helsinki Bizottság/Hongarije).
EHRM 26 maart 1987, Series A, 116, § 74 (Leander/Zweden). Zie ook EHRM 7 juli 1989, 10454/83, NJ 1991/659 m.nt. E.J. Dommering (Gaskin/Verenigd Koninkrijk).
Zie bijvoorbeeld EHRM 19 februari 1998, 116/1996/735/932, NJ 1999/690 m.nt. E.J. Dommering (Guerra e.a./Italië). Zie ook EHRM 19 oktober 2005, 32555/96, NJ 2009/453 (Roche/Verenigd Koninkrijk).
Zie bijvoorbeeld EHRM 18 november 2003, 46809/99 (Loiseau/Frankrijk). Een weigering om toegang tot beschikbare documenten te geven werd soms wel aangemerkt als een inbreuk op het recht om informatie te ontvangen. Zie bijvoorbeeld EHRM 10 juli 2006, 19101/03 (Sdružení Jihočeské Matky/Tsjechië), waarin sommigen al onmiskenbaar de erkenning van een recht op toegang tot overheidsinformatie zagen. Zie bijvoorbeeld Voorhoof 2006, p. 293-294. Vgl. Hins 2006, p. 2185-2186, Hins & Voorhoof 2007, p. 123-126, Kranenborg 2007, p. 59-60 en Daalder 2015, p. 29.
Zie ook EHRM 26 mei 2009, 31478/05, NJ 2009/589 m.nt. P.J. Boon (Kenedi/Hongarije), EHRM 3 april 2012, 41723/06, NJ 2012/621 m.nt. E.A. Alkema (Gillberg/Zweden), EHRM 25 juni 2013, 48135/06, EHRC 2013/235 m.nt. C.B. Modderman & R. Nehmelman (Youth Initiative for Human Rights/Servië) en EHRM 17 februari 2015, 6987/07, EHRC 2015/99 m.nt. C.B. Modderman (Guseva/Bulgarije).
Zie bijvoorbeeld EHRM 14 april 2009, 34374/05, NJ 2010/209 m.nt. E.J. Dommering (Társaság a Szabadságjogokért/Hongarije), waarover Hins 2011, p. 110-111 en Daalder 2015, p. 30 en EHRM 28 november 2013, 39534/07, EHRC 2014/55 (Österreichische Vereinigung zur Erhaltung, Stärkung und Schaffung/Oostenrijk), waarover Hins 2014, p. 112-113. Vgl. EHRM 22 april 2013, 48876/08, EHRC 2013/149 m.nt. J.H. Gerards (Animal Defenders International/Verenigd Koninkrijk).
EHRM 7 februari 2017, 63898/09, AB 2018/19 m.nt. T. Barkhuysen & M.L. van Emmerik (Bubon/Rusland).
ABRvS 22 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:498, AB 2017/147 m.nt. J. Tingen (Klokkenluiders), ABRvS 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2883, AB 2017/398 m.nt. J. Tingen (MH17) en ABRvS 12 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2988, AB 2018/403 m.nt. P.J. Stolk (Krimtentoonstelling).
In artikel 10 EVRM is het recht op vrijheid van meningsuiting neergelegd.1 Onder dit recht moet worden begrepen de vrijheid om – zonder inmenging van het openbaar gezag – een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen te ontvangen of te verstrekken (‘door te geven’). Deze vrijheid om inlichtingen te ontvangen omvat echter niet zonder meer ook een recht op het verkrijgen van inlichtingen. De Hoge Raad overwoog reeds in 1965 in het Televizier-arrest in algemene bewoordingen dat een verplichting om de inlichtingen waarover men beschikt aan derden te verstrekken, niet uit artikel 10 EVRM kan worden afgeleid.2 In de literatuur werd naar aanleiding van dit arrest al snel betoogd dat het ontkennen van het bestaan van een recht op inlichtingen ten opzichte van de overheid ‘te categorisch’ was.3 Het bestaan van een zeker verband tussen de vrijheid van informatievergaring en de toegang tot overheidsinformatie kan immers niet worden ontkend. Zonder toegang tot overheidsinformatie bestaat het risico dat de uitoefening van de vrijheden van garing en meningsuiting met betrekking tot die informatie illusoir wordt. Het recht van vrijheid van (het vergaren van) informatie houdt echter zeker niet in algemene zin een recht op toegang tot de betreffende informatie in,4 nog daargelaten dat een dergelijk recht zou blootstaan aan de beperkingen van artikel 10 lid 2 EVRM. Het standpunt dat eenieder een afdwingbare aanspraak op overheidsinformatie kan ontlenen aan artikel 10 EVRM gaat dus enkele stappen te ver.
Deze gedachte vindt steun in de rechtspraak van het EHRM. Standaarduitspraak op dit punt is intussen Magyar Helsinki Bizottság/Hongarije (hierna: ‘MHB’).5 In het MHB-arrest beantwoordt het EHRM onder meer de vraag of, en zo ja in hoeverre, een recht van toegang tot informatie die bij de staat berust, valt onder het bereik van de ‘vrijheid van meningsuiting’. In zijn arrest vertrekt het Hof vanuit zijn oordeel in het arrest Leander, inhoudende dat ‘the right to freedom to receive information basically prohibits a Government from restricting a person from receiving information that others wish or may be willing to impart to him. Article 10 does not, in circumstances such as those of the present case, confer on the individual a right of access to a register containing information on his personal position, nor does it embody an obligation on the Government to impart such information to the individual.’6 In het MHB-arrest verduidelijkt het Hof zijn oordeel uit Leander. Het Hof handhaaft dat het recht om informatie te ontvangen niet impliceert dat de overheid (positief) verplicht is om informatie te verzamelen en verstrekken uit eigen beweging,7 en daarnaast dat het individu aan artikel 10 EVRM geen recht kan ontlenen op toegang tot overheidsgegevens en -documenten.8 Een dergelijk recht kan echter wel ontstaan wanneer openbaarmaking van de informatie aan de orde is krachtens een rechterlijke uitspraak,9 en wanneer toegang tot informatie instrumenteel is voor de uitoefening van het recht op vrijheid van meningsuiting door het individu. Het Hof overweegt dat het antwoord op de vraag of sprake is van een inbreuk op artikel 10 EVRM doordat de toegang tot overheidsinformatie wordt geweigerd, afhankelijk is van de omstandigheden van het specifieke geval. In dit verband formuleert het Hof in het MHB-arrest een viertal drempelcriteria. Ten eerste acht het Hof van belang wat het doel is van het verzoek om toegang tot overheidsinformatie. Dit doel moet zijn gelegen in de uitoefening van het recht op de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken (bijvoorbeeld als journalist of ‘social watchdog’).10 De desbetreffende informatie moet noodzakelijk zijn voor de uitoefening van dit recht. Verder slaat het Hof acht op de aard van de informatie, in de zin dat een publiek belang gediend moet zijn met openbaarmaking, bijvoorbeeld dat van transparantie van overheidsbestuur. Uit deze twee criteria – het doel van het verzoek en de aard van de informatie – vloeit het derde voort: de hoedanigheid van de verzoeker, waarmee op zijn oogmerk wordt gedoeld. Van belang is of het verzoek om toegang tot informatie wordt gedaan vanuit het voornemen om het publiek te informeren als ‘public watchdog’. Als laatste is een belangrijk gezichtspunt of de informatie ‘ready and available’ is, in de zin dat de informatie reeds beschikbaar is.11
Uit het MHB-arrest blijkt dat uit artikel 10 EVRM geen algemeen recht (‘general right’) op verschaffing van of toegang tot overheidsinformatie kan worden afgeleid. Onder omstandigheden kunnen bepaalde personen en organisaties echter wel een instrumenteel recht aan het artikel ontlenen, wanneer zij kennis willen nemen van informatie met het oogmerk om deze te delen met het publiek vanuit een oogpunt van maatschappelijk belang, teneinde te voorkomen dat zij worden gehinderd in de uitoefening van de uitdrukkelijk in artikel 10 lid 1 EVRM verankerde vrijheid om inlichtingen te verstrekken. Dit beperkte recht lijkt in de Nederlandse bestuursrechtspraak (nog maar) weinig gewicht te hebben gekregen, zoals bijvoorbeeld volgt uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak over de samenloop van artikel 10 EVRM en de Wob.12