Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/85
85 Absolute bevoegdheid in geval van meerdere procedures
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS451020:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
Hof ’s-Hertogenbosch 8 februari 2006, ECLI:NL:GHSHE:2006:AV1991, NJ 2006, 320.
Deze zaak was aanvankelijk door de rechtbank naar het hof verwezen. Reden voor de verwijzing was dat de procedure over zaakwaarneming bij het hof zozeer verknocht was met de toekomstige procedure over de vordering tot betaling, dat zeer wel denkbaar was dat afzonderlijke berechting zou leiden tot tegenstrijdige uitspraken. Het hof verklaarde zich echter onbevoegd en verwees terug naar de rechtbank, omdat de zaak waarop het voorlopig getuigenverhoor zag (de vordering tot betaling) zou dienen bij de rechtbank. Dat deze zaak grotendeels hetzelfde feitencomplex behelsde als de zaakwaarnemingszaak was geen reden voor verwijzing, omdat de wet niet voorziet in een zodanige verwijzing. Het hof overwoog dat art. 285 Rv (over verwijzing en voeging wegens litispendentie of connexiteit) niet van toepassing is in een dergelijk geval; dat artikel beoogt niet de regels van absolute competentie te doorbreken (vgl. Van Mierlo 2014 (T&C Rv), art. 285 Rv, aant. 6) en ziet bovendien op de situatie dat tussen partijen reeds een verzoekschriftprocedure bij een andere rechter aanhangig is.
In één zaak kunnen meerdere, verschillende procedures worden gevoerd. Voor de vraag welke rechter bevoegd is, is relevant in het kader van welke procedure het voorlopig getuigenverhoor wordt gevraagd. In een door het hof ’s-Hertogenbosch besliste zaak was over één geschil over de levering van goederen een eerste procedure betreffende een vordering uit hoofde van zaakwaarneming aanhangig bij het hof.1 Een tweede procedure betreffende een vordering tot betaling was nog niet aanhangig gemaakt. Een van de partijen wenste in het kader van de tweede procedure een voorlopig getuigenverhoor te houden. Aangezien het voorlopig getuigenverhoor werd verzocht ten behoeve van de nog niet aanhangige tweede procedure was de rechtbank absoluut bevoegd.2