Einde inhoudsopgave
Smartengeld 1998/5.2.2
5.2.2 Twee categorieën
prof. mr. S.D. Lindenbergh, datum 21-06-1998
- Datum
21-06-1998
- Auteur
prof. mr. S.D. Lindenbergh
- JCDI
JCDI:BSD67753:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de hoge waardering van ziekte en over het onderscheid tussen ziekte en andere bronnen van verdriet Eykman 1981, p. 463.
Zie hiervoor g 4.2.3.
Zie voor een geval van 'geestelijk letsel' als gevolg van hinder HR 29 oktober 1993, NI 1994, 107 en HR 1 november 1996, NI 1997, 134 (Kraaiende hanen I en II).
EV I, PG Bk 6, p. 387 en MvA I Inv., PG Bk 6 Inv., p. 1274.
Expliciet (ook voor het oude recht) in deze zin HR 13 januari 1995, NJ 1997, 366 m.nt. CJHB (Ontvanger/Bos); HR 23 januari 1998, NJ 1998, 366 (B/FJOM) en HR 26 juni 1998, Rvdw 1998, 134 (Kramer/AMRO).
Bouma 1995, p. 209; Holzhauer 1986, p. 28; Overeem 1995, p. 78 en Schut 1990, p. 306. Anders Klaassen 1998, p. 76 en vermoedelijk Kottenhagen 1998, p. 138.
Aldus Hinz v. Berry [1970] 2 QB, 40 en McLoughiin v. O'Brien [1983] 1 AC, 410. Als 'recognised' worden aangemerkt 'reactive depression', 'pathological grief', 'hysterical personality disorder' en 'post traumatic stress disorder', waarvan de laatste het meeste wordt genoemd. Aldus Consultation Paper 137, p. 10.
Aldus BGH 11 mei 1971, bghz 56,163. Vgl. ook § 847 BGB waarin onder meer een recht op smartengeld wordt aanvaard bij 'Gesundheitsverletzung', anders dan door lichamelijk letsel.
Men denke bijv. aan de Internationa] Classification of Diseases (ICD) van de WHO en aan de bekende Amerikaanse Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM). Zie hierover nader § 5.3.3.
Dat geldt overigens ook voor lichamelijk letsel.
Zie Bakker 1995, p. 20.
Zie voor de privacy PG Bk 6, p. 379,380 en 382-383; HR 30 oktober 1987, N/1988, 277 (Naturistengids) en HR 1 november 1991, NJ 1992, 58 (K/Staat). Zie voor de lichamelijke integriteit de jurisprudentie over seksueel misbruik en voor de vrijheid art. 89 Sv ca. Onder het oude recht werd reeds aangenomen dat bij 'misdrijven tegen de persoon' in de zin van art. 1407 lid 3 BW(oud) (schaking, aanranding, willekeurige aanhouding) een recht op vergoeding van immateriële schade bestond. Zie HR 21 mei 1943, NJ 1943,455 (Van KreuningenfBessem); Vriesendorp 1954, p. 2; Schiffeleers 1973, p. 264 en Overeem 1979, p. 55/6.
Zie over het karakter en de 'status' van persoonlijkheidsrechten hierna § 5.4.
Bij schendingen van de lichamelijke integriteit (zonder dat daarbij sprake is van lichamelijk letsel), bijv. bij seksueel misbruik zal vaak tevens sprake zijn van 'geestelijk letsel', zodat deze gevallen tevens in die categorie kunnen vallen.
Men denke aan verschillende vormen van 'defamation' die 'actionable per se' zijn. Zie McGregor 1997, nr. 1889 e.v.
Daarmee is niet gezegd dat geabstraheerd wordt van de aanwezigheid van nadeel en dat het 'dus' gaat om bestraffing. Zie hierover § 2.5.6.3. In zekere zin is deze gedachte vergelijkbaar met hinder, waarbij de ernst van de hinder en de omstandigheden van het geval (waarbij ook de aard en de duur van de hinder meewegen) bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of sprake is van onrechtmatig handelen in de vorm van inbreuk op een recht. Zie HR 10 maart 1972, N] 1972, 278 m.nt. GJS (Vermeulen/Lekkerkerker).
Zie de (lagere) rechtspraak over schending van eer en goede naam, maar ook HR 30 oktober 1987, NJ 1988, 277 m.nt. LWH (Naturistengids) en HR 1 november 1991, N] 1992, 58 (K/Staat), waarin de Hoge Raad spreekt van een 'ernstige schending van de persoonlijke levenssfeer', zonder concrete nadere eisen te stellen aan de ernst van de gevolgen daarvan. Zie voor een geval waarin bij seksueel misbruik aan het bestaan van de eis van een erkend ziektebeeld werd getwijfeld Hof Amsterdam 22 december 1988, Nj 1990, 85. Ook in het Engelse recht geldt een 'recognised psychiatrie illness' niet altijd als minimumeis voor smartengeld. Wel is dat het geval bij shock-schade, waarbij bovendien de eis wordt gesteld dat de illness 'shock-induced' is (aldus Alcock v. Chief Constable of South Yorkshire Police [1992] 1 AC 310, 398 en 401).
Zie ook de hierna te bespreken ontwikkelingen in het Duitse recht met betrekking tot de zgn. 'Lücke im Rechtsschutz'-gedachte hierna § 5.4.2.
Artikel 6:106 lid 1 onder b spreekt in het slot van andere persoonsaantastingen dan lichamelijk letsel en schending van eer en goede naam. Uit de plaatsing van deze andere persoonsaantastingen naast lichamelijk letsel en schending van eer en goede naam kan enerzijds worden opgemaakt dat het moet gaan om andersoortige aantastingen dan de twee genoemde. Anderzijds kan aan de reeds genoemde aantastingen een indicatie worden ontleend waaraan moet worden gedacht bij de invulling van het begrip 'andere persoonsaantastingen'. Van de twee genoemde gevallen kan worden gezegd dat zij ieder een bepaalde categorie vertegenwoordigen. Bij lichamelijk letsel gaat het om - doorgaans zichtbare - gevolgen die met de hulp van medici betrekkelijk objectief zijn vast te stellen en veelal kunnen worden gekwalificeerd als 'ziekte' of schade aan de gezondheid.1 Hier ligt de nadruk derhalve op de gevolgen van de schadetoebrengende gebeurtenis voor de gezondheid van de gelaedeerde. Bij schending van eer en goede naam zijn de gevolgen voor de gelaedeerde veel moeilijker vast te stellen en komt men doorgaans niet veel verder dan aanduidingen als 'woede', 'ergernis', 'verdriet' of 'psychischonbehagen'. Daarbij ligt, voor de vraag of in een concreet geval een recht op smartengeld bestaat, veeleer de nadruk op de aard van het geschonden belang en van de gedraging waardoor de schending plaatsvond dan op de gevolgen daarvan voor de gelaedeerde. Deze in de wet genoemde 'representanten' van het begrip persoonsaantasting kunnen worden herleid tot een tweetal meer algemene categorieën, kortweg aan te duiden met 'ziekte' of schade aan de gezondheid en 'schending van persoonlijkheidsrechten'.
De categorie 'ziekte' kan, zoals aangegeven, ruimer worden gezien dan gevallen van lichamelijk letsel. Ook gevallen van 'geestelijk letsel' of 'psychische schade' zijn daaronder te brengen, voorzover het daarbij gaat om ernstige storingen. In dergelijke gevallen kan evenzeer worden gesproken van schade aan de gezondheid. Het gaat hier overigens vooral om gevallen waarin de psychische schade niet het gevolg is van lichamelijk letsel. Is de schade wel het gevolg van lichamelijk letsel, dan bestaat immers op die grond reeds een recht op vergoeding van immateriële schade.2 Concreet valt bijvoorbeeld te denken aan gevallen van ernstige schrikschade, maar ook aan gevallen waarin iemand psychisch 'ziek' wordt als gevolg van ernstige hinder.3 Deze groep van gevallen (ernstige psychische storingen) wordt in de parlementaire geschiedenis genoemd als voorbeeld van een 'aantasting van de persoon op andere wijze',4 terwijl de Hoge Raad eveneens erkent dat 'geestelijk letsel' kan worden aangemerkt als een persoonsaantasting die recht geeft op vergoeding van immateriële schade.5
Niet ieder leed is te kwalificeren als 'geestelijk letsel' en als schade aan de gezondheid. Voor de bepaling van een zekere 'drempel' kan op dit punt worden aangeknoopt bij de ernst van de gevolgen, waarvoor aansluiting kan worden gezocht bij bevindingen in de psychologie en psychiatrie. Zo is reeds door verschillende schrijvers geopperd dat sprake dient te zijn van een 'erkend psychisch ziektebeeld' om te kunnen spreken van 'geestelijk letsel' dat kan worden aangemerkt als een persoonsaantasting in de zin van artikel 6:106 lid 1 onder b.6 Die gedachte is afkomstig uit het Engelse recht, waar doorgaans de eis wordt gesteld dat sprake is van een 'recognised psychiatrie illness'.7 Ook in het Duitse recht wordt overigens gevergd dat sprake is van een 'traumatische Schadigung der Gesundheit'.8 Deze gedachte lijkt mij voor de categorie 'geestelijk letsel' een juist uitgangspunt. Hier kunnen diagnostische categoriseringssystemen worden gebruikt om te beoordelen of een bepaalde toestand als ziekte wordt erkend.9 Wel past daarbij enige voorzichtigheid, omdat dergelijke categoriseringen niet van een natuurwetenschappelijke 'hardheid' zijn, maar berusten op min of meer grove consensus binnen de beroepsgroep10 en omdat zij niet in de eerste plaats zijn ontwikkeld om criteria voor aansprakelijkheid aan te reiken.11
De categorie 'schending van persoonlijkheidsrechten' is, zoals aangegeven, eveneens ruimer op te vatten dan de schending van eer en goede naam. Daarin passen bijvoorbeeld ook gevallen van schending van de persoonlijke levenssfeer, van de lichamelijke integriteit (ook zonder dat sprake is van lichamelijk letsel) en van de bewegingsvrijheid. Ook voor deze groepen van gevallen wordt in de parlementaire geschiedenis en in de rechtspraak aangenomen dat sprake is van een persoonsaantasting in de zin van artikel 6:106.12 Deze gevallen vergen dan ook nadere aandacht.13
Op het terrein van de schending van persoonlijkheidsrechten bieden de psychologie en psychiatrie minder aanknopingspunten voor de afbakening van het begrip persoonsaantasting, omdat dergelijke schendingen zich lang niet steeds uiten in de vorm van een 'ziektebeeld'. Zo zullen schendingen van eer en goede naam of van de privacy zelden leiden tot een gang naar de psychiater.14 Niettemin pleegt op grond van ervaringsregels te worden aangenomen dat zij een bepaald soort effecten van een zekere ernst teweegbrengen, al laten die gevolgen zich niet steeds concreet en objectief vaststellen en is een zekere mate van abstractie vereist. Zo wordt ook in het Engelse recht bij bepaalde 'torts' schade van een zekere omvang verondersteld, zonder dat deze nader behoeft te worden geadstrueerd.15 In dergelijke gevallen zijn dan ook veeleer de aard van het getroffen belang en de ernst van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust richtinggevend voor het antwoord op de vraag of sprake is van een persoonsaantasting.16 Hierbij speelt bovendien de behoefte aan een sanctie ter bescherming tegen deze 'intangible losses' een rol, teneinde te voorkomen dat deze waardevolle belangen 'weerloos' worden. Deze gedachten rechtvaardigen dat bij schending van eer en goede naam een recht op smartengeld bestaat en zij kunnen meer in het algemeen rechtvaardigen dat onder omstandigheden bij schending van bepaalde persoonlijkheidsrechten kan worden gesproken van een aantasting van de persoon, ook wanneer ernstige gevolgen in de vorm van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld niet kunnen worden aangetoond. Een dergelijke eis wordt in de rechtspraak met betrekking tot schending van persoonlijkheidsrechten ook niet gesteld.17
Hoewel beide categorieën van gevallen een verschillende benadering vergen, stemmen zij in zoverre overeen dat het steeds gaat om gevallen waarin sprake is van persoonsnadeel van een zekere ernst. Die ernst is in de eerste groep van gevallen op zichzelf voldoende om - mits een grondslag voor aansprakelijkheid en causaal verband aanwezig zijn - een recht op vergoeding van immateriële schade te rechtvaardigen. Bij de tweede categorie wordt die rechtvaardiging mede ontleend aan de aard van het geschonden belang en de gewraakte gedraging, alsmede aan de behoefte aan een sanctie ten behoeve van de bescherming van de persoon.18