Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade
Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/7.5.5:7.5.5 Gevolgschade: niet-nakoming van uit de wet, gewoonte of redelijkheid en billijkheid voortvloeiende verplichting
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/7.5.5
7.5.5 Gevolgschade: niet-nakoming van uit de wet, gewoonte of redelijkheid en billijkheid voortvloeiende verplichting
Documentgegevens:
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS590936:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. over de uitleg van open wettelijke normen Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015, nr. 45.
Ktr. Zwolle 5 december 2000, ECLI:NL:KTGZWO:2000:AB1449 (Salmonella ijsje).
Vgl. Asser/Sieburgh 6-I 2016, nr. 383 sub d die een dergelijke verplichting aanneemt zodat voor vergoeding van schade het verzuimvereiste niet geldt.
Vgl. Asser/Schut 5-I 1981 p. 260-263 volgens wie het hier zou gaan om een onrechtmatige daad.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
374. Naast de prestatie(s) waar het partijen bij het aangaan van een overeenkomst primair om te doen is, brengt een overeenkomst veelal ook verplichtingen mee die partijen in het algemeen niet bewust zijn aangegaan. Het gaat om verplichtingen die, in de terminologie van art. 6:248 lid 1 BW, voorvloeien uit de wet, de gewoonte of de redelijkheid en billijkheid. De inhoud van deze verplichtingen wordt in het algemeen niet vastgesteld door de uitleg van de overeenkomst aan de hand van de Haviltex-maatstaf, en daarmee aan de hand van de bedoelingen van partijen, maar door uitleg van de wet, de gewoonte of door de bepaling van hetgeen de redelijkheid en billijkheid meebrengt. Evenzo volgt ook het doel van deze verplichtingen niet zozeer uit de overeenkomst als wel uit de wet, de gewoonte respectievelijk de redelijkheid en billijkheid. Bij de vaststelling van dit doel gaat het niet om hetgeen partijen ten tijde van het aangaan van de overeenkomst in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs hebben begrepen en mochten begrijpen over de voordelen die de schuldeiser met de prestatie beoogt te verkrijgen en/of de nadelen die de schuldeiser met de prestatie beoogt te vermijden.
375. De zaak Nuts/Hofman1 illustreert hoe het doel van een uit de wet voortvloeiende verplichting kan worden gebruikt ter onderbouwing van de conclusie dat de door de schending van die verplichting veroorzaakte schade in een voldoende normatief verband tot die schending staat.
Werkgever Nuts ontsloeg de geestelijk minder stabiele werknemer Hofman na een dienstverband van vijfentwintig jaar plots en rücksichtslos. Hofman stortte vervolgens geestelijk in en geraakte arbeidsongeschikt. De rechtbank oordeelde in hoger beroep dat Nuts door Hofman in de gegeven omstandigheden aldus te ontslaan niet heeft gehandeld zoals een goed werkgever betaamt en de daardoor veroorzaakte schade aan haar dient te worden toegerekend. De Hoge Raad verwierp de tegen deze oordelen gerichte klachten en oordeelde ter zake van de toerekening: “[klaarblijkelijk heeft de rechtbank geoordeeld dat door het gedrag van Nuts], het gevaar dat de labiele psychische gesteldheid van Hofman tot het voortduren en verergeren van diens na dat gesprek ingetreden arbeidsongeschiktheid zou leiden, heeft verhoogd en dat, nu dit gevaar zich heeft verwezenlijkt, de door Hofman deswege geleden schade als een gevolg van het bedoelde gedrag van Nuts aan deze moet worden toegerekend. Aldus verstaan geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl de rechtbank ook niet in haar motiveringsplicht is te kort geschoten.” (rov. 5.3)
De verplichting in deze casus voor de werkgever om zich als goed werkgever te gedragen vloeide voort uit de wet, art. 1638z (oud) BW, de voorloper van art. 7:611 BW. Bij de uitleg van de inhoud en het doel van deze verplichting komt het niet zozeer aan op de bedoelingen en verwachtingen van de partijen ten tijde van het aangaan van de overeenkomst. De inhoud en het doel van deze verplichting worden bepaald door de uitleg van de wetsbepaling. Op eenzelfde wijze als bij de ongeschreven maatschappelijke zorgvuldigheidnormen waarvan de schending een onrechtmatige daad oplevert, kan met deze open norm beoogd worden om de werknemer te beschermen tegen de verwezenlijking van bepaalde risico’s.2 Het beschermingsdoel van de verplichting is dan het voorkomen van het gevaar dat ten tijde van de normschendende gedraging voorzienbaar was en dat maakte dat de algemene verplichting van de werkgever om zich als goed werkgever te gedragen zich concretiseerde tot een specifieke gedragsnorm. Niet ter zake doet dan wat partijen bij het aangaan van de overeenkomst konden voorzien. Aan de hand van het aldus gevonden doel kan dus geoordeeld worden dat een toereikend normatief verband aanwezig is en dus, zoals de Hoge Raad in deze zaak doet, de schade zoals geleden kan worden toegerekend.
376. Overeengekomen en uit de wet, gewoonte of redelijkheid en billijkheid voortvloeiende verplichtingen kunnen vloeiend overlopen in verplichtingen waarvan de schending een onrechtmatige daad oplevert.
Een ijsboer verkoopt een met salmonella besmet ijsje waardoor de koper ernstig ziek wordt.3 Men zou de verplichting van de verkoper om het ijsje te leveren, zodanig uit kunnen leggen dat het ijsje niet met salmonella besmet mag zijn. Wanneer dat wel het geval is, is sprake van een non-conforme nakoming van de hoofdverplichting tot levering van het ijsje. Ook is mogelijk om op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid een verplichting te construeren die inhoudt dat men bij de uitvoering van de overeenkomst, en daarmee met het leveren van het ijsje, geen schade aan de persoon of het vermogen van de schuldenaar mag toebrengen.4 Verder zou men kunnen zeggen dat het in strijd is met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, om een ander ter consumptie een ijsje te geven terwijl men weet of behoort te weten dat het ijsje met salmonella besmet zou kunnen zijn.5
De constructie waarin gezegd wordt dat het ijsje non-conform is, ligt wellicht het meest voor de hand om de wanprestatie op te baseren. Wie echter het doel van de geschonden norm wil vaststellen, heeft weinig aan het vaststellen van de subjectieve partijbedoeling op dit punt. Het is hier veeleer de algemene regel van ongeschreven recht die meebrengt dat men anderen niet aan onaanvaardbaar grote gevaren mag blootstellen, waartegen de ijsboer mijns inziens gezondigd heeft. Langs deze weg laat zich vaststellen tegen welke schade met de geschonden verplichting beoogd is te beschermen en daarmee welke schade in een toereikend normatief verband staat tot de schending van de verplichting. De beoordeling van het normatieve verband in het geval van door een wanprestatie veroorzaakte schade verloopt hier gelijk aan de beoordeling hiervan bij de door een onrechtmatige daad veroorzaakte schade.