De woon- en vestigingsplaats in de BTW
Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/1.5:1.5 Opbouw van het onderzoek
Archief
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/1.5
1.5 Opbouw van het onderzoek
Documentgegevens:
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS401137:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit onderzoek wordt ingegaan op de invulling van de vier vestigingsplaats-vormen – zetel van bedrijfsuitoefening, vaste inrichting, woon- en gebruikelijke verblijfplaats – en hun onderlinge relatie in het licht van de regels voor de plaats van dienst. Het onderzoek bestaat uit een viertal delen. In het eerste deel wordt het toetsingskader uiteengezet. Het toetsingskader wordt bij dit onderzoek gevormd door het rechtskarakter en het neutraliteitsbeginsel. In hoofdstuk 2 zullen het rechtskarakter en het neutraliteitsbeginsel worden uiteengezet. Aan de hand van dit toetsingskader wordt in hoofdstuk 3 aandacht besteed aan hoe de verdeling van heffingsbevoegdheden in de omzetbelasting moet plaatsvinden. Gezocht wordt naar wat een rechtvaardige verdeling van heffingsbevoegdheden is uitgaande van het rechtskarakter van de omzetbelasting. Vervolgens wordt specifiek ingegaan op de rol die het neutraliteitsbeginsel speelt bij de verdeling van heffingsbevoegdheden in de omzetbelasting. Door de gekozen heffingssystematiek blijken tot op zekere hoogte concessies te moeten worden gedaan aan de geconstateerde rechtvaardige verdeling. Ook speelt de heffingssystematiek een belangrijke rol binnen het neutraliteitsbeginsel. Uit de heffingssystematiek kunnen twee belangrijke uitgangspunten worden afgeleid die van belang zijn voor de verdeling van heffingsbevoegdheden: de praktische uitvoerbaarheid voor de ondernemer en de mogelijkheid tot uitoefenen van controle. De praktische uitvoerbaarheid voor de ondernemer is daarbij onder te verdelen in de administratieve eenvoud en de rechtszekerheid. Daarnaast moet een verdeling van heffingsbevoegdheden voldoende flexibiliteit hebben om ook na verloop van tijd de beoogde verdeling nog te kunnen realiseren. De uit het rechtskarakter voortvloeiende rechtvaardige verdeling, het neutraliteitsbeginsel, de administratieve eenvoud, de rechtszekerheid, de mogelijkheid tot het uitoefenen van controle en de flexibiliteit vormen de uitgangspunten bij de verdeling van heffingsbevoegdheden in de omzetbelasting. Bij de bespreking van elk uitgangspunt wordt tevens direct aandacht besteed aan de vraag voor welke invulling van het woon- en vestigingsplaatsbegrip in de omzetbelasting het desbetreffende uitgangspunt pleit. Aan het slot van hoofdstuk 3 wordt vervolgens bezien in hoeverre de besproken uitgangspunten daadwerkelijk een rol hebben gespeeld bij de wijze waarop heffingsbevoegdheden zijn verdeeld door middel van de regels voor de plaats van dienst nu en in het verleden.
Nadat uit het in hoofdstuk 2 uitgezette toetsingskader een aantal uitgangspunten is afgeleid die van belang zijn voor de veredeling van heffingsbevoegdheden zal in het tweede deel aandacht worden besteed aan de invulling van de woon- en vestigingsplaats in het positieve recht. In de hoofdstukken 4 en 5 zal worden ingegaan op hoe de vier vestigingsplaatsvormen in de btw-richtlijnen en jurisprudentie van het Hof van Justitie respectievelijk in de Nederlandse wet- en regelgeving en jurisprudentie zijn ingevuld. Omdat over de invulling van de vestigingsplaatsvormen in de omzetbelasting nog niet veel bekend is, wordt in hoofdstuk 6 aandacht besteed aan de invulling van het woon- en vestigingsplaatsbegrip in het civiele recht, het VW EU en de directe belastingen. Voor het civiele recht is gekozen omdat in het internationale privaatrecht de woon- en vestigingsplaats van belang is, bijvoorbeeld voor de bevoegdheid van de civiele rechter en de omzetbelasting een raakvlak heeft met het civiele recht. Het VW EU is van belang vanwege de grondslag van de omzetbelasting in het Europese recht. Binnen de directe belastingen wordt de woon- en vestigingsplaats net als in de omzetbelasting gebruikt om de heffingsbevoegdheden tussen landen te verdelen. De analyse die in de hoofdstukken 4 tot en met 6 plaatsvindt, levert naast een inzicht van de wijze waarop de vier vestigingsplaatsvormen worden ingevuld in wet- en regelgeving en jurisprudentie tevens een aantal vraagstukken op die in die wet- en regelgeving en jurisprudentie nog niet zijn beantwoord.
In deel drie worden vervolgens de vier vestigingsplaatsvormen – zetel van bedrijfsuitoefening, vaste inrichting, woonplaats en gebruikelijke verblijfplaats – nader onder de loep genomen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de in de hoofdstukken 4 tot en met 6 gemaakte analyse en de in hoofdstuk 3 besproken uitgangspunten. Omdat omzetbelasting bij transacties tussen ondernemers en consumenten daadwerkelijk in de schatkist terecht komt en heffing in het land waarde dienstverrichter is gevestigd bij dergelijke transacties hoofdregel is, zullen in hoofdstuk 7 de vier vestigingsplaatsvormen allereerst worden besproken vanuit het perspectief van de dienstverrichter. Ook zal worden ingegaan op de toerekening van een prestatie, de vraag hoe moet worden bepaald of een dienst is belast in het land waar de zetel van bedrijfsuitoefening is gevestigd of juist in het land waar een vaste inrichting is gevestigd. Ten slotte komt de betekenis van de restcriteria, woon- en gebruikelijke verblijfplaats, aan de orde in relatie tot de twee hoofdaanknopingspunten, zetel van bedrijfsuitoefening en vaste inrichting. In hoofdstuk 8 wordt vervolgens aandacht besteed aan de invulling van de vier vestigingsplaatsvormen vanuit het perspectief van de afnemer. De nadruk zal in dit hoofdstuk liggen op specifiek op de vestigingsplaats van de afnemer betrekking hebbende kwesties. Mijns inziens moet namelijk worden aangenomen dat als is vastgesteld dat sprake is van een vestiging die als heffingsaanknopingspunt voor diensten van de dienstverrichter heeft te gelden ook sprake is van een vestiging als door die dienstverrichter een prestatie wordt afgenomen. In hoofdstuk 8 zal daarom aan de orde komen hoe de vestigingsplaats van een niet-belastingplichtige moet worden vastgesteld, of een niet-belastingplichtige ook een vaste inrichting kan hebben, of een passieve vestiging ook een vaste inrichting kan vormen en of een vaste inrichting een beginfase en eindfase kent, waarin nog geen belastbare prestaties vanuit de vaste inrichting worden verricht respectievelijk geen belastbare prestaties meer vanuit de vaste inrichting worden verricht. Ook vanuit het perspectief van de afnemer zal worden bezien wanneer een prestatie moet worden toegerekend aan de zetel van bedrijfsuitoefening en wanneer aan de vaste inrichting.
In deel vier, bestaande uit hoofdstuk 9, zal vervolgens worden ingegaan op de tweede probleemstelling over hoe moet worden omgegaan met kostendoorbelastingen, door vestigingen onderling tegen vergoeding verrichte prestaties en het recht op aftrek van voorbelasting. Allereerst komt daarbij de vraag aan de orde of tussen vestigingen van één ondernemer belastbare prestaties plaatsvinden in geval van kostendoorbelastingen of als vestigingen onderling tegen vergoeding daadwerkelijke werkzaamheden verrichten. Indien moet worden geconstateerd dat belastbare prestaties worden verricht tussen vestigingen van één ondernemer is het bepalen van het aftrekrecht niet veel anders dan bij een ondernemer die slechts in één land opereert. Het aftrekrecht kan per vestiging worden bepaald zonder dat rekening hoeft te worden gehouden met de omzet van andere vestigingen. Indien echter geen belastbare prestaties kunnen worden aangenomen tussen vestigingen van één ondernemer, wordt de situatie gecompliceerder. Nadat deze kwesties zijn bekeken voor een individuele belastingplichtige, wordt ingegaan op de meer complexe situatie waarin de individuele belastingplichtige een fiscale eenheid vormt met andere belastingplichtigen.
In hoofdstuk 10 volgt ten slotte een samenvatting en conclusie van de antwoorden die in de delen drie en vier zijn gevonden op de twee probleemstellingen.