Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor de vastgoedfinancier (R&P nr. VG9) 2019/7.3.2
7.3.2 Beperkingen aan het uitoefenen van het verkooprecht
S.J.L.M. van Bergen, datum 13-11-2018
- Datum
13-11-2018
- Auteur
S.J.L.M. van Bergen
- JCDI
JCDI:ADS622658:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
De equity of redemption resp. het lossingsrecht van art. 3:269 BW.
Clark e.a. 2014, p. 702 en 704: de hypotheekgever moet het verschuldigde bedrag op een aangewezen rekening storten om ontvankelijk te zijn in zijn verzoek.
Steneker, alsook Bartels & Tweehuysen, gaan ervan uit dat het hoogst geboden bedrag ter veiling als lossingsbedrag kan worden voldaan, zie HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5999, JBPr 2010/29, m.nt. Steneker, Bartels & Tweehuysen 2010b. Uit rechtspraak volgt dat hypotheekhouders van particuliere woningen ook genoegen (moeten) nemen met zuivering van het verzuim (inlopen van de betalingsachterstand), zie HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6163, NJ 2011/423, m.nt. Stein (met betrekking tot de verhouding tussen de hypotheekhouder en de executiekoper ex art. 6:23 BW), en hierover Van Straaten 2012. Vooralsnog neem ik aan dat dit bij commercieel vastgoed, waar een belangenafweging anders uitpakt, niet opgaat.
Zie par. 5.4.
Vgl HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6163, NJ 2011/423, m.nt. Stein (ING/Kreuger c.s.), afgeleid van het aloude arrest HR 15 november 1957, ECLI:NL:HR:1957:AG2023, NJ 1958/67, m.nt. Rutten (Baris/Riezenkamp); zie hierover Bakker 2017. Zie ook PG Wesseling-Van Gent in haar conclusie (ECLI:NL:PHR:2013:1381) voor HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2134, Bartels & Tweehuysen 2014, p. 83 en Visser 2013a, p. 204.
Art. 3:13, 6:162, 6:2 en 6:248 BW Zie ook Visser 2013a, p. 179 en Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5, 6), p. 1049. Zie over het verband tussen misbruik van recht en de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid Vriend in GS Verbintenissenrecht, art. 6:2 BW, aant. 3.4 (online laatst bijgewerkt op 1 oktober 2017), Stein in GS Vermogensrecht, art. 3:13 BW, aant. 6 (online laatst bijgewerkt op 1 januari 2017) en Schrage 2012, nr. 2.5.
Zie ter illustratie enkele recente uitspraken: Rb. Midden-Nederland 15 mei 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:2601 (r.o. 4.3), Rb. Oost-Brabant 21 februari 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:977, Rb. Amsterdam 23 februari 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:2117, vgl. ook Rb. Overijssel 13 juni 2017, ECLI:NL:RBOVE:2017:2386 (impliciet; zie r.o. 4.12) en Rb. Den Haag 13 februari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:1632 (r.o. 4.1). De norm is afgeleid van HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575, NJ 1984/145, m.nt. Heemskerk (Ritzen/Hoekstra) inzake een executiegeschil over een ontruimingsvonnis.
Zie bijvoorbeeld Rb. Noord-Holland 14 maart 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:3333.
Vgl. Visser p. 179 e.v. Zoals ook executoriaal beslag dient achterwege te blijven als er geen reëel uitzicht op (spoedig) verhaal is, zie MvA II Inv. bij art. 475 Rv., Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 158, waarnaar de Hoge Raad verwijst in HR 29 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4504, NJ 2006/203, m.nt. Snijders (Van den Berg/Van der Walle) (r.o. 3.7).
Voor het Nederlandse recht verwoord in art. 3:13 lid 2 BW.
Vgl. Bartels & Tweehuysen 2014, p. 92 en o.m. HR 27 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3389 (r.o. 3.5), NJ 2002/620, m.nt. Van Schilfgaarde. Eenzelfde afweging moet worden gemaakt bij het inroepen van het huurbeding, zie HR 14 mei 1976, ECLI:NL:HR:1976:AC3573, NJ 1977/150, m.nt. Kleijn (Albers/Assmann). Zie par. 6.4.
Zie par. 5.2.
Vgl. voor verhaal door middel van beslag HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ8836, NJ 2009/597, r.o. 3.4. Zie Visser 2013a, p. 178.
Zie bijvoorbeeld, Rb. Midden-Nederland 21 oktober 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:7534, Rb. Overijssel 6 december 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:4952, Rb. Overijssel 31 oktober 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:4160 en Rb. Noord-Nederland 28 september 2016, ECLI:NL:RBNNE:2016:4351, Rb. Limburg 18 januari 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:390, NJF 2016/137.
Een uitspraak als die van de Rb. Amsterdam 13 mei 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:CA0869, JOR 2013/227, m.nt. Atema, is vanuit dit oogpunt dan ook onwenselijk. Zie hierover Bartels & Tweehuysen in hun annotatie bij Rb. Gelderland 2 oktober 2013, ECLI:NL:RBGEL:2013:6487, JOR 2014/144.
Deze eis vloeit voort uit HR 22 april 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575, NJ 1984/145, m.nt. Heemskerk (Ritzen/Hoekstra), r.o. 3.2. Een uitzondering is bijvoorbeeld Hof Arnhem 1 maart 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BQ2971, JOR 2011/203, m.nt. Loesberg, waarin de executoriale titel werd betwist en in dat geval het belang van de hypotheekhouder volgens het hof niet opwoog tegen een verliesgevende verkoop met onmiddellijke ontruiming voor de hypotheekgever.
Kredietrelaties tussen Nederlandse partijen lijken te worden gekenmerkt door een ‘poldercultuur’: desgevraagd gaven bankmedewerkers aan meestal niet zonder langdurig voortraject tot executie over te gaan. Deze cultuur voert decennia terug, zo blijkt uit een uitspraak waarnaar Gerver in zijn oratie verwijst (zie Gerver 1994a (oratie), p. 10, met verwijzing naar Rb. Amsterdam 31 mei 1935, NJ 1936/115) en is inmiddels voor consumentenhypotheken verankerd in de wet, zie art. 7:128a BW. Zie hierover Biemans 2017, p. 182. Zie voor voorbeelden uit recentere rechtspraak m.b.t. consumentenhypotheken Visser 2013a, p. 175. Onder het Engelse recht wordt steeds de sterke positie van de zekerheidsschuldeiser benadrukt, hoewel ook daar consumenten zich door bijzondere wetgeving beschermd weten.
Zie bijvoorbeeld Rb. Overijssel 14 september 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:3743 over een verhypothekeerd vakantiepark.
Anders: Rb. Amsterdam 13 mei 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:CA0869, JOR 2013/227, m.nt. Atema. Deze uitspraak is kritisch besproken in Bartels 2014 en Bartels & Tweehuysen 2014, p. 83.
Rb. Overijssel 2 november 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:4343; vgl. Rb. Groningen 10 maart 2006, ECLI:NL:RBGRO:2006:AV6087.
Vgl. voor particuliere woonruimte Hof Den Haag 1 mei 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:831, JOR 2018/226 m.nt. Van Bergen, waarin een verkoop krachtens volmacht door de hypotheekhouder als misbruik van recht werd aangemerkt in een situatie waarin een als kwetsbaar beoordeelde hypotheekgever sinds anderhalf jaar extra betalingen deed om de betalingsachterstand in te lopen en de hypotheekhouder vanwege de opgaande woningmarkt door een uitstel van verkoop niet benadeeld zou worden.
Dan rijst de vraag of een hypotheekhouder onder alle omstandigheden daadwerkelijk gebruik mag maken van zijn verkooprecht. Dit aspect is voor een hypotheekhouder uitermate belangrijk: hij ontleent alleen ‘echte’ zekerheid aan het hypotheekrecht als hij zijn verkooprecht ook daadwerkelijk mag uitoefenen als aan de (overeengekomen) voorwaarden voor verkoop is voldaan. Zou zijn verkooprecht door de hypotheekgever of andere belanghebbenden dan alsnog kunnen worden gefrustreerd, dan vermindert dat de waarde van het hypotheekrecht als zekerheidsrecht.
Vooropgesteld moet worden dat een hypotheekgever een executieverkoop onder beide rechtsstelsels te allen tijde kan voorkomen door de hypothecaire vordering in zijn geheel af te lossen.1 Naar Engels recht moet dat gebeuren vóór het sluiten van het koopcontract door de hypotheekhouder,2 naar Nederlands recht kan dit tot het moment van toewijzing op de executieveiling of goedkeuring door de voorzieningenrechter van een onderhandse verkoop (zie hierna par. 7.4 over de wijzen van verkoop).3 De schuldenaar voldoet in dat geval de verzekerde vordering én de gemaakte executiekosten, waardoor het recht van hypotheek komt te vervallen.4
Buiten de situatie waarin de hypotheekgever de vordering aflost, wordt naar Engels recht een executieverkoop door de rechter in beginsel slechts opgeschort of verboden als de hypotheekhouder niet voldoet aan zijn in het kader van die verkoop in acht te nemen zorgplichten jegens de hypotheekgever.5 Dat betekent dat de hypotheekgever met succes tegen de verkoop kan opkomen als de goede trouw aan de zijde van de hypotheekhouder ontbreekt, of wanneer hij het vastgoed niet tegen de hoogst mogelijke prijs verkoopt. Met andere woorden: slechts het onzorgvuldig handelen van de hypotheekhouder zelf leidt naar Engels recht tot een uit- of afstel van executie. Overige (economische) omstandigheden, zoals een slechte afzetmarkt, staan in principe niet aan een executieverkoop in de weg.
De Nederlandse hypotheekhouder is bij het uitoefenen van zijn recht van parate executie evengoed jegens de hypotheekgever gebonden aan algemene zorgvuldigheidsnormen die naar Nederlands recht worden gestoeld op de beginselen van redelijkheid en billijkheid.6 Als de hypotheekgever meent dat deze worden geschonden, kan hij via een executiegeschil trachten de executie tegen te houden.7 Gelet op het spoedeisend belang is in de meeste gevallen de meest voor de hand liggende optie dat de hypotheekgever de hypotheekhouder in kort geding dagvaardt. In zo’n executiegeschil kan de hypotheekgever de staking of schorsing van de aangezegde executie vorderen, bijvoorbeeld op grond van misbruik van recht, onrechtmatige daad of de redelijkheid en billijkheid. In de jurisprudentie is te zien dat die grondslagen nogal eens door elkaar lopen,8 veelal wordt deze maatstaf gehanteerd:
‘Uitgangspunt is dat een hypotheekhouder bevoegd is tot executie over te gaan, indien de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van hetgeen waarvoor de hypotheek tot waarborg strekt. Dit kan evenwel anders zijn, indien de hypotheekhouder – mede gelet op de belangen aan de zijde van de schuldenaar die door de executie zullen worden geschaad – geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van de bevoegdheid om tot parate executie over te gaan.’9
Van Mierlo merkt over de toe te passen maatstaf op:
‘Als maatstaf zal daarbij kunnen gelden of de hypotheekhouder, in het licht van de omstandigheden van het concrete geval en gelet op de wederzijdse belangen van hypotheekhouder, hypotheekverlener en schuldenaar, in redelijkheid tot uitoefening van zijn recht van parate executie kan komen.’10
Uit de bedoelde normen vloeit voort dat een Nederlandse rechter aan wie een executiegeschil wordt voorgelegd, eerst zal moeten vaststellen dát de hypotheekhouder belang heeft bij verkoop en welk belang dat is.11 De verkoop zal moeten leiden tot (een op z’n minst gedeeltelijke) voldoening van de hypothecaire vordering.12 Dit komt overeen met wat uit hoofde van de goede-trouweis naar Engels recht geldt: de hypotheekhouder moet zijn bevoegdheden gebruiken om de gesecureerde vordering voldaan te krijgen. Gebruikt de hypotheekhouder zijn bevoegdheid voor een ander doel, dan kan de executieverkoop op grond van misbruik van recht worden verboden.13
Vervolgens moet naar Nederlands recht een belangenafweging worden gemaakt tussen het bedoelde belang van de hypotheekhouder en het belang van de hypotheekgever bij uit- of afstel van die verkoop. Hierbij moet worden beoordeeld of de hypotheekhouder, gelet op het belang dat zal worden geschaad van de hypotheekgever of derden, in redelijkheid niet tot de uitoefening van zijn hypotheekrecht kan komen.14 Op dit punt verschilt het Nederlandse recht van het Engelse, nu naar Engels recht zo’n belangenafweging niet plaatsvindt. De Engelse benadering komt zakelijker over. Is eenmaal voldaan aan de (contractuele) voorwaarden, dan heeft de hypotheekgever in commerciële verhoudingen het nakijken, tenzij blijkt dat hij binnen een redelijke termijn de volledige vordering kan aflossen. Onder het Engelse recht lijkt de positie van een (zekerheids)crediteur daardoor wat beter gewaarborgd te zijn.15
Veel hoeft een Nederlandse hypotheekhouder van commercieel vastgoed mijns inziens van deze belangenafweging niet te vrezen. Ook in de Nederlandse jurisprudentie wordt vooropgesteld dat, bij het uitoefenen van het recht van parate executie, misbruik van dat recht niet snel mag worden aangenomen. Er moet sprake zijn van buitengewone omstandigheden om een beroep op misbruik van dat recht te honoreren.16 Het enkele feit dat een executieverkoop ‘onomkeerbare gevolgen’ heeft of tot een restschuld voor de hypotheekgever leidt, is veelvuldig onvoldoende gebleken.17 Zoals gezegd is een consistente lijn in deze rechtspraak voor de hypotheekhouder van groot belang, omdat de zekerheid van de hypotheekhouder aanmerkelijk afneemt als rechters een beroep op misbruik van recht sneller zouden toestaan.18
Uit de beschikbare (gepubliceerde) jurisprudentie kan worden afgeleid dat – als het belang van de hypotheekhouder bij verkoop vaststaat – een executieverkoop in de regel slechts wordt verboden indien de hypotheekgever daardoor in een noodtoestand komt te verkeren.19 In aanvulling daarop plegen rechters het voortraject te beoordelen: is de hypotheekhouder onverwachts tot executie overgegaan, of is er vaak of langdurig contact geweest tussen hypotheekhouder en hypotheekgever?20 In dat laatste geval had de hypotheekgever kunnen weten dat hij zijn woning zou verliezen, en had hij maatregelen kunnen nemen om een eventuele noodtoestand af te wenden. Ook de mate waarin de hypotheekgever zelf heeft bijgedragen aan de executie door de hypotheekhouder blijkt belangrijk. Rechters tonen over het algemeen weinig genade voor hypotheekgevers die betalingsregelingen niet nakomen, woningen onbevoegd (blijven) verhuren en/of verzekeringspremies onbetaald laten, maar zijn strenger als de hypotheekhouder onvoldoende zorgvuldig is geweest in zijn relatie tot de (meestal consument-)hypotheekgever.
Uitspraken waarin een dreigende noodtoestand aan de zijde van de hypotheekgever uiteindelijk leidde tot een verkoopverbod zijn schaars. Die uitspraken hebben bovendien betrekking op woningen en niet op commercieel vastgoed. Bij commercieel vastgoed zal van een noodtoestand zelden sprake zijn, al wordt het door commerciële partijen toch ook wel aangevoerd.21 In commerciële situaties spelen over het algemeen hoofdzakelijk financiële belangen, en financiële risico’s aan de zijde van de hypotheekgever worden als inherent aan een executieverkoop beschouwd. Zij vormen in principe geen grond om die tegen te houden.22 De kans dat een Nederlandse hypotheekhouder van commercieel vastgoed op grond van misbruik van recht het verhypothekeerde vastgoed niet mag verkopen, lijkt daarom gering.
In een enkel uitzonderlijk geval, waarin het ging om commercieel vastgoed, werd de executieverkoop voor enige tijd opgeschort.23 De executieverkoop zou op dat moment voor de hypotheekgever zeer bezwaarlijk zijn, terwijl hij een actieve houding aannam om (naar verwachting met succes) de waarde van het vastgoed te verhogen en zo het verkoopverlies te beperken. Onder die omstandigheden gaf de rechter de hypotheekgever nog enkele maanden respijt. Dus als een vastgoedondernemer laat zien dat hij de nodige stappen zet, bijvoorbeeld door het vastgoed te verbouwen en daarin te investeren, zou de belangenafweging in het voordeel van de hypotheekgever kunnen uitpakken en zal de hypotheekhouder even moeten wachten met de executieverkoop. De hypotheekhouder zou hier in principe niet slechter van moeten worden; de door de hypotheekgever te nemen maatregelen zijn juist gericht op het verbeteren van de verkoopopbrengst van het vastgoed, waarvan primair de hypotheekhouder profiteert.24
In vergelijking met het Engelse recht, lijkt het Nederlandse recht iets meer ruimte te bieden voor uitstel van een executieverkoop nadat het recht om te verkopen voor de hypotheekhouder is ontstaan. Het gaat echter om een gering verschil, dat naar verwachting geen afbreuk doet aan de sterke positie van de hypotheekhouder bij verkoop. Een uitstel of verbod van verkoop moet bij commercieel vastgoed ook naar Nederlands recht als zeldzame uitzondering worden gezien; in het overgrote deel van de gevallen zal de hypotheekhouder ‘gewoon’ mogen executeren als de hypotheekgever in verzuim is met zijn verplichtingen uit de kredietovereenkomst, tenzij hij de volledige verzekerde vordering alsnog van de hypotheekgever voldaan krijgt.