De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift
Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/8.4.4.3.1:4.4.3.1 Het ‘eigen vermogen’ en de ‘totale tegenprestatie’
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/8.4.4.3.1
4.4.3.1 Het ‘eigen vermogen’ en de ‘totale tegenprestatie’
Documentgegevens:
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948042:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
483. Tot nu toe is bij de bespreking van artikel 1:95 lid 1 BW telkens als uitgangspunt genomen dat een gemeenschap wordt verdeeld die slechts uit één goed bestaat. Met name een nalatenschap zal vaak uit meerdere goederen bestaan. Ook in dat geval is de vraag wat bij toepassing van artikel 1:95 lid 1 BW als ‘eigen vermogen’ kwalificeert en wat als ‘de totale tegenprestatie’ geldt. Wat betreft het ‘eigen vermogen’ geldt dat wanneer de goederen van de nalatenschap vóór de verdeling tot het privévermogen van een echtgenoot behoorden, en die echtgenoot vervolgens één of meer van die goederen krijgt toegedeeld, diens totale gerechtigdheid tot de waarde vanalle gemeenschappelijke goederen (lees: de waarde van zijn totale ‘aandeel’ in de nalatenschap) als ‘ eigen vermogen’ in de zin van artikel 1:95 lid 1 BW kwalificeert. De ‘totale tegenprestatie’ wordt vervolgens gevormd door de totale waarde van de goederen die de betreffende echtgenoot krijgt toegedeeld (en dus niet slechts door de (waarde van de) aandelen die hij in die goederen krijgt toegedeeld, zie paragraaf 4.4.2.1 hiervóór). Dit alles betekent dat wanneer de betreffende echtgenoot uit de verdeling één of meer goederen verkrijgt deze op grond van artikel 1:95 lid 1 BW buiten de huwelijksgemeenschap zullen vallen wanneer de waarde van deze goederen bij de verdeling niet meer bedraagt dan de helftvan diens totale gerechtigdheid tot de waarde van alle goederen van de nalatenschap vóór de verdeling. Bedraagt de waarde van de door een echtgenoot verkregen goederen méér dan de helft van diens aandeel in die totale waarde, dan kunnen de door verdeling verkregen goederen op grond van artikel 1:95 lid 1 BW alsnog buiten de huwelijksgemeenschap vallen, maar dan alleen wanneer de bij de verdeling verschuldigde tegenprestatie ook nog op andere wijze ten laste van het eigen vermogen van die echtgenoot is gekomen. Een voorbeeld kan dit verder verduidelijken.
Voorbeeld
A, B en C zijn erfgenaam in de nalatenschap van X. Ieder is voor 1/3 deel gerechtigd tot de waarde van de goederen die tot de nalatenschap behoren. Tot de nalatenschap behoren een woning met een waarde van € 300.000, een vakantiehuis met een waarde van € 90.000 en nog wat ‘restgoederen’ met een waarde van € 30.000. A, B en C zijn ieder in de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd. In het kader van de verdeling van de nalatenschap wordt de woning aan A toegedeeld en krijgt B de vakantiewoning en de overige goederen toegedeeld. De vraag is wat deze verdeling voor gevolgen heeft voor de omvang van de wettelijke gemeenschap van goederen waar A, B en C in zijn gehuwd.
Gaat men van de translatieve werking van de verdeling uit, dan kwalificeert de verkrijging krachtens verdeling voor zowel A als B als een verkrijging krachtens de zelfstandige titel ‘levering krachtens verdeling’. Dat betekent dat de goederen die zij door de verdeling hebben verkregen niet onder de uitzondering van artikel 1:94 lid 2 sub a BW vallen. Aldus zal op grond van artikel 1:95 lid 1 BW beoordeeld moeten worden of deze toch niet alsnog van de werking van boedelmenging zijn uitgezonderd. Daarbij geldt voor A dat hij voor de verkrijging van de woning een tegenprestatie van € 300.000 moet voldoen. Vóór de verdeling was hij reeds gerechtigd tot 1/3 deel van de waarde van de goederen van de nalatenschap. Aldus bedroeg zijn aandeel in de nalatenschap € 140.000, welk aandeel op grond van artikel 1:94 lid 2 sub a BW buiten de beperkte huwelijksgemeenschap viel. Dat aandeel kwalificeert voor hem dus als ‘eigen vermogen’ in de zin van artikel 1:95 lid 1 BW. Van de totale tegenprestatie van € 300.000 is daarmee in ieder geval een bedrag van € 140.000 ten laste van zijn eigen vermogen gekomen. Van die totale tegenprestatie resteert vervolgens nog een bedrag van € 160.000. Dat bedrag moet A als overbedelingsuitkering betalen aan B en C (i.e. een bedrag van € 20.000 aan B, en een bedrag van € 140.000 aan C). Als A deze overbedelingsuitkering volledig met gelden van de huwelijksgemeenschap betaalt, is de verkrijging van de woning niet voor meer dan de helft met eigen vermogen gefinancierd, en valt de woning op grond van artikel 1:94 lid 2 BW in de huwelijksgemeenschap. Is echter bij de verdeling meer dan € 10.000 van de overbedelingsuitkering ten laste gekomen van het eigen vermogen van A, dan is de totale tegenprestatie voor de verkrijging van de woning wél voor meer dan de helft ten laste van zijn eigen vermogen gekomen en valt de woning op grond van artikel 1:95 lid 1 BW buitendiens huwelijksgemeenschap. Wordt gekeken naar de positie van B en C, dan geldt dat B voor de verkrijging van de aan hem toegedeelde goederen een tegenprestatie moest voldoen van € 120.000. Dat is minder dan diens gerechtigdheid tot de nalatenschap vóór de verdeling. Aldus zijn de door hem verkregen goederen op grond van artikel 1:95 lid 1 BW alsnog van de werking van boedelmenging uitgezonderd, omdat de tegenprestatie voor de verkrijging van die goederen volledig ten laste van zijn eigen vermogen is gekomen. Ten aanzien van de overbedelingsuitkering die B verkrijgt, geldt dat deze als ‘een vordering tot vergoeding’ als bedoeld in artikel 1:94 lid 6 BW kwalificeert, zodat deze om die reden buiten de beperkte huwelijksgemeenschap valt.1 Datzelfde geldt voor de overbedelingsvordering die C uit hoofde van de verdeling op A verkrijgt. Ook deze vordering kwalificeert als ‘een vordering tot vergoeding’ in de zin van artikel 1:94 lid 6 BW en valt om die reden buiten de beperkte huwelijksgemeenschap waarin C is gehuwd.
484. Volgt men de declaratieve werking van de verdeling, dan kwalificeert de verkrijging krachtens verdeling voor A en B als een verkrijging ‘krachtens erfrecht’. Aldus vallen de door hen krachtens verdeling verkregen goederen reeds om die reden buiten de beperkte huwelijksgemeenschap waarin zij zijn gehuwd. Omdat de woning al op een andere grond van de werking van boedelmenging is uitgezonderd, komt men aan de werking van artikel 1:95 lid 1 BW verder niet toe. Dat betekent dat de door A verkregen woning in alle gevallen buiten de beperkte huwelijksgemeenschap valt, óók wanneer de overbedelingsuitkering van € 160.000 volledig ten laste van middelen van de huwelijksgemeenschap is gekomen. Zou men aannemen dat een goed op grond van artikel 1:95 lid 1 BW wél alsnog tot de huwelijksgemeenschap kan gaan behoren (zie randnummer 477 hiervóór), dan zal de aan A toegedeelde woning alsnog tot de huwelijksgemeenschap gaan behoren wanneer de overbedelingsuitkering voor minstens € 150.000 ten laste van middelen van de huwelijksgemeenschap is gekomen. Naar mijn mening maakt het daarbij geen verschil of A de overbedelingsuitkering zelf ten laste van middelen van de huwelijksgemeenschap heeft laten komen, of dat dit door een derde is bewerkstelligd.2 Met betrekking tot de overbedelingsuitkeringen van B en C geldt in de declaratieve opvatting precies hetzelfde als hetgeen hiervóór voor de translatieve opvatting is geschetst. Zoals al eerder uiteengezet, kwalificeert de overbedelingsuitkering als een goed dat niet eerder dan uit de verdeling ontstaat. Ook in de declaratieve opvatting kan de overbedelingsuitkering dus niet ‘krachtens erfrecht’ zijn verkregen.3 Dat neemt niet weg dat de overbedelingsuitkeringen van B en C óók in de declaratieve opvatting buiten de beperkte huwelijksgemeenschap vallen. De overbedelingsuitkeringen kwalificeren onverminderd als ‘een vordering tot vergoeding’ in de zin van artikel 1:94 lid 6 BW, zodat zij ook in de declaratieve opvatting op die grond buiten de beperkte huwelijksgemeenschap vallen van B en C vallen.