Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/2.6.1.1
2.6.1.1 Causaliteitscriterium
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630432:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
HR 15 juni 1955, nr. 12 372, BNB 1955/338.
Bouwman 2016.
Zie ook L.G.M. Stevens. Hij betoogt dat de opbrengsten meestal — of misschien wel altijd — voortvloeien uit persoonlijke beslissingen van de belastingplichtige. Zo kan er winst ontstaan, omdat een winstgenieter op een gunstig moment een voordelige transactie weet af te sluiten. De oorzaak van de winst ligt dan niet in de onderneming maar in de gunstige marktsituatie en in het feit dat de winstgenieter die situatie heeft benut.
Bij de invulling van het causaliteitscriterium gaat het om de vraag of de onderneming de oorzaak is van de opgekomen baten en lasten. Een belangrijk arrest bij de invulling van het causaliteitscriterium is het zogenoemde Notarisarrest. In casu dreef een notaris een onderneming in de inkomstenbelasting. De notaris was belast met de afwikkeling van een nalatenschap en had een vordering op een lichaam overgenomen van één van de erfgenamen.1 In verband hiermee betaalde de notaris een bedrag aan de erfgenaam. Tegen de verwachting van de erfgenaam in, slaagde de notaris erin om meer te innen dan het aan de erfgenaam betaalde bedrag. De Hoge Raad oordeelde dat de onderneming de notaris in staat had gesteld het voordeel te genieten en het voordeel derhalve onderdeel was van de totaalwinst:
‘dat, wil men ten aanzien van de winst uit een bepaalde transactie kunnen zeggen, dat deze uit de bedrijfs- of beroepsuitoefening voortvloeit, die transactie of tot stand moet zijn gebracht binnen de normale uitoefening van het bedrijf of beroep, of de bedrijfs- of beroepsuitoefening tot het behalen van het desbetreffende voordeel in staat moet hebben gesteld.’
De Hoge Raad heeft in dit arrest een dubbele toets aangelegd: (i) de transactie moet tot stand zijn gekomen binnen de normale bedrijfsuitoefening, of (ii) de ondernemingsuitoefening heeft tot het behalen van het voordeel in staat gesteld. Ten aanzien van de tweede toets heeft de Hoge Raad in voornoemd arrest tevens aangegeven hoe, indien de onderneming de mogelijkheid biedt het voordeel te behalen, moet worden bepaald of sprake is van een voordeel verkregen uit de onderneming:
‘dat toch winsten of verliezen, voortvloeiende uit transacties, welke niet tot de normale bedrijfs- of beroepsuitoefening behoren, niet op den enkelen grond, dat de gelegenheid tot het aangaan van de desbetreffende transactie uit de bedrijfs- of beroepsuitoefening ontstond, als winst of verlies uit bedrijf of beroep kunnen worden beschouwd, doch tussen het behaalde resultaat en de bedrijfs- of beroepsuitoefening een enger verband is vereist, bijvoorbeeld in dien zin, dat de gunstige afloop van een speculatie als gevolg van bedrijfs- of beroepsuitoefening kan worden voorzien, dan wel door de bedrijfs- of beroepsuitoefening kan worden beïnvloed.’
Met deze toevoeging maakt de Hoge Raad duidelijk dat een niet uit de normale bedrijfsuitoefening van een onderneming stammend voordeel alleen aan die onderneming kan worden toegerekend als het op grond van de bedrijfsuitoefening redelijkerwijs kan worden verwacht.23 Zoals beschreven, gaat deze doctrine niet op voor lichamen die onder de reikwijdte van artikel 2, lid 5 Wet Vpb 1969 vallen, aangezien deze lichamen geen privésfeer noch privévermogen hebben. Ook als de voordelen niet redelijkerwijs op grond van de bedrijfsuitoefening kunnen worden verwacht, zijn ze onderdeel van de totaalwinst.4