Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/106
106 Civielrechtelijke schadevergoedingsvordering in een strafprocedure
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS454623:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
Conclusie A-G Meijers voor HR 10 september 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC1590, NJ 1986, 199 en de in zijn conclusie genoemde literatuur; conclusie A-G Meijers voor HR 23 juni 1992, ECLI:NL: HR:1992:AD1701, NJ 1993, 6 en de in zijn conclusie genoemde literatuur.
Vóór de inwerkingtreding van de wet van 17 december 2009, Stb. 2010, 1 werd de eis gesteld dat een vordering eenvoudig van aard moest zijn. Veel vorderingen van benadeelde partijen werden niet-ontvankelijk verklaard, omdat ze niet eenvoudig vast te stellen zouden zijn. Om het aantal niet-ontvankelijkverklaringen terug te dringen is daarom een nieuw criterium – onevenredige belasting van het strafgeding – in de wet opgenomen. Sas 2010, p. 84; Langemeijer 2010, p. 107- 108; Van Maurik 2013 (T&C Sv), art. 361, aant. 3. Vooralsnog blijkt uit de jurisprudentie niet (1) hoe omgegaan wordt met het nieuwe criterium, omdat de rechter zijn oordeel over onevenredige belasting niet motiveert en de Hoge Raad slechts toetst op begrijpelijkheid en (2) of de strafrechter minder vorderingen niet-ontvankelijk verklaart. Sas 2012, p. 51 en 57.
Een slachtoffer in strafzaken heeft veelal ook recht op schadevergoeding. Hij kan zijn schade proberen te verhalen in een civiele procedure, maar kan zich ook als benadeelde partij in het strafproces voegen met zijn vordering tot schadevergoeding (art. 51a e.v. Sv). Hij moet zijn vordering indienen door middel van een voegingformulier voorafgaande aan de zitting of schriftelijk of mondeling op de zitting vóór het requisitoir van de officier van justitie (art. 51g lid 1 en 3 Sv).
Door de voeging van een slachtoffer als benadeelde partij worden in één procedure zowel de strafrechtelijke als de civielrechtelijke gevolgen van een strafbaar feit bepaald. Het karakter van de vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer is civielrechtelijk en moet worden beoordeeld naar het materiële civiele recht. De procedure waarin deze civielrechtelijke schadevergoedingsvordering wordt behandeld, is echter een procedure voor de strafrechter. De procedure wordt dan ook geregeld in het Wetboek van Strafvordering.1 Bovendien is de vordering van de benadeelde ondergeschikt (accessoir) aan de strafzaak en de behandeling van deze vordering mag derhalve niet ten koste gaan van de strafzaak (art. 51 a lid 1 Sv). Om deze reden is in art. 361 lid 3 Sv opgenomen dat de strafrechter zich nietontvankelijk moet verklaren als en voor zover de behandeling van de schadevergoedingsvordering het strafgeding onevenredig belast.2