CRvB 3 mei 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:4625.
CRvB, 25-02-2026, nr. 24/2084 WAJONG
ECLI:NL:CRVB:2026:240, Hoger beroep: (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Instantie
Centrale Raad van Beroep
- Datum
25-02-2026
- Zaaknummer
24/2084 WAJONG
- Vakgebied(en)
Sociale zekerheid algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:CRVB:2026:240, Uitspraak, Centrale Raad van Beroep, 25‑02‑2026; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2024:7424, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
- Vindplaatsen
USZ 2026/105
Uitspraak 25‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het werkplan in zoverre op rechtsgevolg is gericht en daarmee sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De Raad onderschrijft de inhoud van het werkplan en het bestreden besluit blijft in stand. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Partij(en)
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
24/2084 Wajong
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 augustus 2024, 22/2188 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 25 februari 2026
SAMENVATTING
Het gaat in deze zaak om de vraag of het aan appellant gestuurde werkplan een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Daarnaast gaat het om de vraag of de rechtbank op goede gronden heeft beslist dat wordt volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en aan appellant geen schadevergoeding in verband daarmee wordt toegekend. De Raad onderschrijft het standpunt van appellant dat het werkplan op rechtsgevolg is gericht en daarmee een besluit is in de zin van de Awb. De Raad onderschrijft de inhoud van het werkplan. De Raad is ten slotte van oordeel dat appellant recht heeft op een schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 27 januari 2026. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door K.D. Pijl-Okan.
OVERWEGINGEN
Inleiding
1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 8 juli 2009 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Appellant heeft in augustus 2021 een studie rechten afgerond. Op 6 augustus 2021 heeft een arbeidsdeskundige van het Uwv een werkplan vastgesteld. In dit werkplan is opgenomen dat met appellant (nog) geen nieuwe afspraken zijn te maken, omdat hij uitsluitend als zelfstandig jurist of mediator aan de slag wil gaan en dit volgens het Uwv niet passend is bij zijn belastbaarheid. Op 18 augustus 2021 is dit werkplan aan appellant gestuurd.
1.2.
Appellant heeft tegen het werkplan bezwaar gemaakt. Bij besluit van 23 juni 2022 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Hangende het beroep bij de rechtbank heeft het Uwv bij besluit van 13 juli 2023 het bestreden besluit gewijzigd, in zoverre dat het Uwv ten gunste van appellant een dwangsom heeft verbeurd in verband met het te laat beslissen op bezwaar.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het bezwaar tegen het werkplan alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Volgens de rechtbank is het werkplan geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft verder overwogen dat sinds de ontvangst van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van haar uitspraak afgerond 35 maanden en twee weken zijn verstreken en dat daarmee de redelijke termijn met (afgerond) elf maanden en twee weken is overschreden. Gelet echter op de in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden – waaronder het financiële belang van appellant bij de procedure, het feitelijke gevolg van het bestreden besluit voor appellant, het procedeergedrag van appellant, zoals bijvoorbeeld blijkend uit de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 3 mei 20231.en 30 april 20242.en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden – heeft de rechtbank reden gezien om te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Appellant kan tot slot ook geen aanspraak maken op de door hem verzochte vergoeding van verletkosten. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 april 20233.is onvoldoende gebleken dat appellant betaald werk verricht of anderszins inkomsten is misgelopen.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft ook verzocht om vergoeding van schade tot een bedrag van € 25.000,- die hij heeft geleden als gevolg van het bestreden besluit. Wat appellant daartoe heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bezwaar van appellant nietontvankelijk heeft verklaard, voorts terecht heeft volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden en ten slotte appellant terecht niet in aanmerking heeft gebracht voor vergoeding van de door hem opgevoerde proceskosten, waaronder verlet- en reiskosten. De Raad doet dit aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep (deels) slaagt maar dat het bestreden besluit inhoudelijk in stand kan blijven.
Het werkplan van 6 augustus 2021
4.1.
Het is vaste rechtspraak van de Raad4.dat een werkplan dat te beschouwen is als een re-integratievisie, als bedoeld in artikel 30a, zesde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb in zoverre dat werkplan gericht is op rechtsgevolg. Daarvan kan sprake zijn als de uit de wet voortvloeiende rechten en verplichtingen in het werkplan zodanig helder, inzichtelijk, ondubbelzinnig en voldoende bepaald zijn geformuleerd dat kan worden gesteld dat met het werkplan is beoogd een rechtsgevolg te doen ontstaan. In het werkplan van 6 augustus 2021 is opgenomen dat met het oog op de belastbaarheid van appellant het essentieel is dat de reintegratieactiviteiten worden opgebouwd, via werk in loondienst of als zelfstandige zonder personeel, mits dit past bij de belastbaarheid van appellant. Verder is vermeld dat met appellant (nog) geen afspraken zijn te maken omdat hij maar één ding wil, namelijk als zelfstandig jurist of als mediator aan de slag gaan. Volgens het Uwv is deze wens met het oog op zijn belastbaarheid niet passend voor appellant. Het werkplan houdt dus in dat het Uwv weigert ten behoeve van appellant re-integratieactiviteiten te ontplooien in de door appellant gewenste richting. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat het werkplan in zoverre op rechtsgevolg is gericht en daarmee sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.5.Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is door het Uwv terecht inhoudelijk beoordeeld. De rechtbank heeft het bezwaar ten onrechte nietontvankelijk verklaard en heeft ten onrechte het bestreden besluit, waarbij het bezwaar van appellant ongegrond is verklaard, niet inhoudelijk beoordeeld.
4.2.
De Raad zal aan de hand van de gronden van beroep en het verhandelde ter zitting een inhoudelijk oordeel geven over het beroep van appellant tegen het bestreden besluit.
4.3.
Naar aanleiding van het gemaakte bezwaar heeft een verzekeringsarts van het Uwv appellant op 31 maart 2022 op een spreekuur gezien. Daarbij is vastgesteld dat appellant hoogbegaafd is, maar beperkt is in zijn sociale interactie. Appellant mist wederkerigheid, kan alleen vanuit zichzelf denken, is rigide en er zijn communicatieproblemen. Appellant is aangewezen op vaste bekende werkwijzen, is beperkt in conflicthantering en samenwerken en heeft een eigen van tevoren afgebakende deeltaak nodig. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daaraan toegevoegd dat appellant zeker ook beperkt is ten aanzien van het hanteren van emotionele problemen van anderen en het uiten van eigen gevoelens. Vanwege zijn rigiditeit is appellant volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep sterk beperkt ten aanzien van samenwerken. Goede conflicthantering is alleen mogelijk als er sprake is van wederkerigheid. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens vastgesteld dat de door appellant geambieerde werkzaamheden als zelfstandig juridisch adviseur (waarbij appellant een zelfstandige praktijk als mediator als voorbeeld heeft genoemd) niet passend zijn, gelet op de noodzaak van het aanvoelen van emoties, de vereiste wederkerigheid en het omgaan met conflicten. De Raad is van oordeel dat het Uwv met de rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundige een zorgvuldig onderzoek heeft verricht naar de mogelijkheden en beperkingen van appellant en inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom reintegratie in de door appellant gewenste richting niet realistisch is. Appellant heeft geen objectieve gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de door de verzekeringsartsen aangenomen beperkingen onjuist zijn. De stelling van appellant dat hij jarenlang heeft gewerkt als zelfstandig juridisch adviseur is niet onderbouwd met objectieve gegevens waaruit dit blijkt. Bij het Uwv zijn die werkzaamheden, en eventuele inkomsten die daaruit zijn verworven, niet bekend. Nu het Uwv terecht heeft vastgesteld dat werken als zelfstandig juridisch adviseur voor appellant niet passend is, heeft het Uwv in redelijkheid kunnen besluiten om geen re-integratieactiviteiten op te starten in deze door appellant gewenste richting.
4.4.
Uit 4.3 volgt dat het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond moet worden verklaard en dat het bestreden besluit in stand blijft.
4.5.
Bij deze uitkomst bestaat geen aanleiding schade te vergoeden, zoals door appellant is verzocht.
Schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn
4.6.
Niet in geschil is dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de redelijke termijn ten tijde van de uitspraak van de rechtbank met (afgerond) elf maanden en twee weken was overschreden.
4.7.
In zaken waarin de redelijke termijn is overschreden, wordt als regel – behoudens bijzondere omstandigheden – verondersteld dat de belanghebbende immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. Het bestuursorgaan en/of de Staat (Minister van Justitie en Veiligheid) kan door de rechter worden veroordeeld tot vergoeding van die schade. De Hoge Raad heeft in belastingzaken, afgezien van geschillen over een bestuurlijke boete, tot de hiervoor bedoelde bijzondere omstandigheden gerekend het geval dat het financiële belang bij een procedure zeer gering is. In zo’n geval mag zonder meer worden verondersteld dat de lange duur van de procedure niet of nauwelijks tot spanning en frustratie bij de belanghebbende heeft geleid. De Hoge Raad heeft daarom geoordeeld dat bij een geschil over een zeer gering financieel belang geen vergoeding van immateriële schade hoeft te worden toegekend, maar kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.6.Dit is inmiddels ook vaste rechtspraak van de Raad.7.
4.8.
De Hoge Raad neemt sinds zijn arrest van 14 juni 20248.in belastingzaken tot uitgangspunt dat zich een bijzondere omstandigheid zoals genoemd in 4.7 voordoet, wanneer het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000,- bedraagt en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. In dat geval kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. De Raad sluit zich bij deze rechtspraak van de Hoge Raad aan, waarbij wordt opgemerkt dat er gevallen kunnen zijn waarbij deze uitgangspunten niet opgaan.9.Daarvan is in deze zaak sprake.
4.9.
Wat appellant met deze procedure heeft willen bereiken, laat zich niet vertalen in een belang van (uitsluitend) financiële aard. Indien het door appellant ingenomen standpunt over het bestreden besluit was gehonoreerd, had hem dat immers niet een direct financieel voordeel opgeleverd, maar een gehoudenheid van het Uwv om mee te werken aan de reintegratie van appellant in de door hem gewenste richting. Verder kan niet worden geoordeeld dat in de zaak zelf of in de opstelling van appellant aanknopingspunten zijn te vinden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure tot en met de rechtbank meer dan twee jaar zou mogen bedragen. Appellant heeft weliswaar tijdens de behandeling van het beroep een wrakingsprocedure gestart, maar dat verklaart niet waarom de rechtbank na de uitspraak van de wrakingskamer op 27 september 2022 tot 15 augustus 2024 heeft gewacht met het doen van haar uitspraak. Daarom was er – anders dan de rechtbank oordeelde – geen aanleiding om af te zien van een schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Nu de redelijke termijn in de procedure tot en met de rechtbank met (afgerond) twaalf maanden was overschreden, had de rechtbank aan appellant een schadevergoeding van € 1.000,- dienen toe te kennen.
4.10.
In procedures als deze mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar duren. Doorgaans zal geen sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, indien de fase van bezwaar en beroep gezamenlijk niet langer dan twee jaar heeft geduurd.10.Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellant op 3 september 2021 tot de datum van het bestreden besluit van 23 juni 2022 zijn (afgerond) tien maanden verstreken. Dit betekent dat ten tijde van de uitspraak van de rechtbank de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke fase als in de rechterlijke fase was geschonden. De overschrijding van de redelijke termijn in de bestuurlijke fase (vier maanden) komt voor rekening van het Uwv en het resterende deel (acht maanden) voor rekening van de Staat. Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 333,33 (4/12 deel van € 1.000,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant tot een bedrag van € 666,66 (8/12 deel van € 1.000).
Proceskosten
4.11.
De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat appellant niet in aanmerking komt voor een vergoeding van rechtsbijstand, omdat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit geldt ook in hoger beroep. Met de rechtbank wordt voorts geoordeeld dat appellant geen aanspraak kan maken op de door hem in beroep en hoger beroep verzochte vergoeding van verletkosten. Niet is gebleken dat appellant betaald werk verricht of anderszins inkomen is misgelopen.11.Appellant komt wel in aanmerking voor vergoeding van de in beroep en hoger beroep gevorderde reiskosten voor het bijwonen van de zitting bij de rechtbank en bij de Raad, tot een bedrag van in totaal € 49,96 (op basis van openbaar vervoer tweede klas).
Conclusie en gevolgen
4.12.
Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt, voor zover aangevochten, vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit wordt alsnog ongegrond verklaard. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant, bestaande uit zijn reiskosten in beroep en in hoger beroep, tot een bedrag van € 49,96.
6. Appellant is in beroep en in hoger beroep vrijgesteld van het betalen van griffierecht.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 juni 2022 ongegrond;
- veroordeelt het Uwv tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 333,33;
- veroordeelt de Staat tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 666,66;
- wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 49,96.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en S.B. Smit-Colenbrander en E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van S.P.A. Elzer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
(getekend) E.J.J.M. Weyers
(getekend) S.P.A. Elzer
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 25‑02‑2026
CRvB 30 april 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:3837.
CRvB 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1374.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 25 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:598.
Zie in dit verband ook de uitspraak van de Raad van 1 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK5635, onder 5.3.
Zie het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, onder 3.9.6.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 22 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:791.
HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, onder 3.4.3 en 3.4.4.
Vergelijk ook de uitspraak van de Raad van 28 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1591.
Zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
Vergelijk ook de uitspraak van de Raad van State van 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1374.