De reikwijdte van medezeggenschap
Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/2.7:2.7 Conclusie
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/2.7
2.7 Conclusie
Documentgegevens:
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS392003:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De invloed van werknemers op de vennootschapsrechtelijke besluitvorming is een onderwerp in beweging. In het Nederlandse stakeholdersmodel nemen werknemers een belangrijke plaats in. Dit uit zich in de belangenafweging die het bestuur en de RVC moeten maken bij ieder besluit dat zij nemen, maar ook in de formele bevoegdheden die de or en vakbonden toekomen ten aanzien van deze besluitvorming. De medezeggenschap ten aanzien van vennootschapsrechtelijke besluiten, zoals statutenwijziging, benoeming, bezoldiging en ontslag van bestuurders en commissarissen en de vaststelling van de jaarrekening, is tweesporig ontstaan. Enerzijds is er invloed op grond van de WOR door specifieke bepalingen zoals art. 31d WOR (bezoldiging bestuurders en commissarissen) en art. 31e WOR (vaststelling van de jaarrekening) en ‘kunstgrepen’ van de Ondernemingskamer; hierdoor vallen besluiten die de vennootschap betreffen toch onder het adviesrecht (ten aanzien van een belangrijke wijziging in de organisatie van de onderneming). Anderzijds zijn er specifieke bevoegdheden voor de or en vakbonden gecreëerd in Boek 2 BW. Voorbeelden daarvan zijn de medezeggenschapsregeling in de structuurregeling, het enquêterecht en de spreekrechten. Daarnaast heb ik een aantal meer algemene bevoegdheden beschreven waarvan de or gebruik kan maken, zoals de procedure ex art. 2:14-16 BW en de jaarrekeningprocedure. In dit hoofdstuk heb ik de verschillende bevoegdheden van de or ten aanzien van de besluiten die de vennootschap betreffen, geanalyseerd en vergeleken. Daarbij heb ik vooral gekeken in hoeverre de bevoegdheden van de or aansluiten bij de wijze waarop de besluitvorming in het vennootschapsrecht is vormgegeven. Immers, hoe beter de bevoegdheden van de or aansluiten bij de besluitvorming, hoe meer voldaan is aan het uitgangspunt: ‘medezeggenschap volgt zeggenschap’.
Door aan te sluiten bij het begrip onderneming is de WOR rechtsvormonafhankelijk. Voor de toepasselijkheid van de WOR is het niet relevant of de onderneming wordt gedreven in de rechtsvorm van een eenmanszaak of in de rechtsvorm van een kapitaalvennootschap, zoals een BV of NV. De bevoegdheden van de or zijn bij beide rechtsvormen in beginsel hetzelfde, maar dat geldt niet voor de wijze waarop zeggenschap is vormgegeven. Nu als uitgangspunt geldt dat de medezeggenschap de zeggenschap volgt, is de rechtsvorm dus wel degelijk van belang voor de vraag wat de reikwijdte is van medezeggenschap. Besluiten die de vennootschap betreffen, zoals statutenwijziging, omzetting, ontbinding en benoeming en ontslag van bestuurders, vallen strikt genomen niet onder het adviesrecht ex art. 25 WOR, nu de limitatieve opsomming van dat artikel aansluit bij besluiten die de onderneming – de arbeidsorganisatie – betreffen. Daar komt bij dat het hier gaat om besluiten die in het algemeen door de AV(A) worden (voor)genomen, terwijl de verplichtingen op grond van de WOR in het algemeen op de bestuurder in de zin van de WOR rusten. Tijdens de parlementaire behandeling van de WOR-wijziging in 1998 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het vennootschapsrecht (en het insolventierecht, waarover meer in hoofdstuk 6) en het adviesrecht strikt gescheiden moeten zijn van de or. Een dergelijk strikte benadering zou betekenen dat de or geen adviesrecht heeft ten aanzien van besluiten die de vennootschapsrechtelijke organisatie betreffen. De Ondernemingskamer heeft echter in de Intergas-beschikking overwogen dat ten aanzien van de toepasselijkheid van het adviesrecht ex art. 25 WOR de scheiding tussen vennootschap en onderneming als ‘kunstmatig’ moet worden beschouwd. Wanneer een besluit dat de vennootschap betreft doorwerkt in de onderneming, moet de or om advies worden gevraagd. Deze pragmatische aanpak van de Ondernemingskamer doet recht aan het uitgangspunt ‘medezeggenschap volgt zeggenschap’, maar doet op zichzelf ook ‘kunstmatig’ aan, nu het begrippenapparaat van de WOR niet aansluit op de vennootschapsrechtelijke besluitvorming. Dit volgt uit paragraaf 2.4.2.3, waarin ik de praktische consequenties van de Intergas-beschikking heb onderzocht. Zo is niet duidelijk op welk orgaan van de vennootschap de verplichtingen uit de WOR rusten indien het gaat om een besluit van de AV(A). Denkbaar is dat het bestuur namens de AV(A) om advies vraagt, maar dan wordt de medezeggenschap niet uitgeoefend jegens het orgaan dat de zeggenschap uitoefent. Bovendien zijn de voorzieningen die de Ondernemingskamer ex art. 26 lid 5 BW kan treffen moeilijk toe te passen op de besluitvorming in de vennootschap. Als de Ondernemingskamer tot het oordeel komt dat bijvoorbeeld een besluit tot statutenwijziging kennelijk onredelijk is, kan de bestuurder het besluit niet intrekken. In dat geval is een nieuw besluit van de AV(A) nodig. Gaat een voorziening van de Ondernemingskamer zo ver dat de AV(A) verplicht kan worden een besluit tot statutenwijziging te nemen dat erin voorziet de oude statuten te herstellen? En hoe zit het met de vrijheid van individuele aandeelhouders naar eigen wens te stemmen? Naar mijn mening kan een voorziening van de Ondernemingskamer niet zo vergaand ingrijpen in de besluitvorming van de AV (A). In de praktijk lossen deze vragen zich wellicht op, maar het adviesrecht ten aanzien van besluiten die de vennootschap betreffen, illustreert dat het begrippenapparaat van de WOR en Boek 2 BW ten aanzien van de toepasselijkheid van de medezeggenschap niet goed op elkaar aansluiten. De rechtsvormonafhankelijkheid leidt tot een probleem bij de koppeling van medezeggenschap aan zeggenschap in kapitaalvennootschappen.
Dit is anders bij de vennootschapsrechtelijke medezeggenschap. Naast bevoegdheden op grond van de WOR heeft de or sinds de jaren ’70 medezeggenschapsbevoegdheden op grond van Boek 2 BW. Het gaat daarbij om de informatie- en aanbevelingsrechten op grond van de structuurregeling en de spreekrechten. Daarnaast vervult de or een rol in het enquêterecht. De vennootschapsrechtelijke medezeggenschap sluit nauw aan bij de zeggenschapsverhoudingen in Boek 2 BW. Zo zien de spreekrechten op de besluitvorming in de AV(A) van de NV en zijn de bevoegdheden op grond van de structuurregeling gekoppeld aan de bevoegdheden van de RVC en van de AV(A) gedurende het benoemingstraject van de RVC. Het beginsel ‘medezeggenschap volgt zeggenschap’ komt op deze manier veel meer tot zijn recht. Degene die het in zijn macht heeft het besluit te nemen, moet ook de or raadplegen.
Gezien het voorgaande zou het, vanuit de systematiek van Boek 2 BW en de WOR geredeneerd, mijns inziens beter passen de bevoegdheden van de or ten aanzien van de vennootschapsrechtelijke besluitvorming geheel in Boek 2 BW te regelen en de bevoegdheden ten aanzien van de onderneming – de arbeidsorganisatie – in de WOR. Ik plaats daarbij de kanttekening dat het niet altijd even makkelijk zal zijn deze twee te scheiden, nu zij nauw met elkaar verbonden zijn. Ik heb daartoe verschillende voorstellen gedaan. Zo zou het mijns inziens wenselijk zijn de spreekrechten uit te breiden naar de BV en naar andere besluiten, zoals statutenwijziging, ontbinding, omzetting en winstbestemming. Ook een wettelijk enquêterecht voor de or lijkt mij een wenselijke ontwikkeling. Op die manier kan de or, indien sprake is van (gegronde redenen tot) wanbeleid (enquêterecht), zowel aan de voorkant van de besluitvorming (spreekrecht) als achteraf invloed uitoefenen op de vennootschapsrechtelijke besluitvorming dan wel het beleid.