Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/4.4.5
4.4.5 Het scheppen van een vorderingsrecht door een eenzijdige verklaring
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648981:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De eenzijdige rechtshandeling die verbintenissen schept, moet onderscheiden worden van de eenzijdige overeenkomst, die in ons rechtssysteem niet uniek is. Een eenzijdige overeenkomst waarbij slechts één partij tot één of meer prestaties jegens de ander wordt verplicht. Voorbeelden daarvan zijn schenking (art. 7:175 BW), borgtocht (art. 7:850 BW), lastgeving zonder loon (art. 7:405 BW) en de verbruikleenovereenkomst (art. 7A:1791e.v.). Zie F.M. van Cassel-van Zeeland, art. 3:33 BW, aant. 4.10.1: “Voor het tot stand komen van een overeenkomst is altijd wederzijdse toestemming nodig. Voor een eenzijdige overeenkomst is dus ook een meerzijdige rechtshandeling nodig. Een eenzijdige overeenkomst dient derhalve duidelijk onderscheiden te worden van een eenzijdige rechtshandeling.”
In het kader van de rechtsfiguren schenking en gift heeft er een uitgebreide discussie plaatsgevonden over de vraag of het stilzitten door een partij kan leiden tot een (geldige) vermogensverschuiving, zie voor deze discussie Haentjes 2010, 2.3 Niet-handelen bij: Burgerlijk Wetboek Boek 7, Artikel 175 en de aldaar opgenomen literatuurverwijzingen.
Dit is bijvoorbeeld voorgesteld door Van der Grinten 1990, p. 25 en werd recentelijk besproken door Spierings 2016, 6.3.1, nr. 258.
Bedacht moet worden dat het krijgen van toegang tot een 403-verklaring via de Kamer van Koophandel enkele dagen kan duren. De verklaring moet telefonisch worden aangevraagd en daarvoor moet 15 euro worden betaald (prijspeil 2020). Dit is niet bepaald vergelijkbaar met de toegankelijkheid die bijvoorbeeld wordt vereist ten aanzien van algemene voorwaarden.
Hoewel mij dat niet juist lijkt, wordt aangenomen dat enkel door het afgeven van een 403-verklaring een verbintenis ontstaat welke verbintenis een vorderingsrecht creëert. Dat een eenzijdige rechtshandeling een vorderingsrecht schept, is vrij uniek.1
De eenzijdige rechtshandeling van de consoliderende rechtspersoon schept naar mijn mening geen verbintenis die (reeds) een vorderingsrecht inhoudt. Naar mijn mening is de verklaring van de consoliderende rechtspersoon een aanbod om een vorderingsrecht tot stand te brengen. Voor het tot stand brengen van een vorderingsrecht is wel eerst aanvaarding van de wederpartij nodig. De primaire verbintenis die voor de consoliderende rechtspersoon voortvloeit uit de eenzijdige rechtshandeling is om het aanbod om een vorderingsrecht te laten ontstaan gestand te doen wanneer zij door een schuldeiser van de vrijgestelde rechtspersoon wordt aangesproken.
Wordt aangenomen dat er door het deponeren van een 403-verklaring direct een vorderingsrecht ontstaat (dus zonder daarvoor de aanvaarding van de wederpartij te vereisen) dan betekent dit dat een partij (consoliderende rechtspersoon) eenzijdig vorderingsrechten aan het vermogen van een derde kan toevoegen, zonder dat die derde daar enige zeggenschap over heeft.
In de situatie waarin een vrijgestelde rechtspersoon reeds een groep schuldeisers heeft op het moment dat de consoliderende rechtspersoon besluit een 403-verklaring af te geven, zal deze groep schuldeisers op het moment van het deponeren van een 403-verklaring enkel door stil te zitten2 een vorderingsrecht verkrijgen op de consoliderende rechtspersoon. Waarschijnlijk is een bestaande schuldeiser er niet van op de hoogte dat deze 403-verklaring op een later tijdstip wordt gedeponeerd. De kans is klein dat de 403-verklaring hem persoonlijk wordt toegestuurd en ook zal hij niet steeds het Handelsregister in de gaten houden.
Ook voor contractspartijen die pas na het deponeren van de 403-verklaring een overeenkomst aangaan met de vrijgestelde rechtspersoon, geldt dat zij mogelijk bij het aangaan van de overeenkomst niet op de hoogte zijn van het bestaan van de 403-verklaring. Betoogd kan worden dat dan sprake is van een aanvaarding van het vorderingsrecht door de partij die door het sluiten van een overeenkomst met de vrijgestelde rechtspersoon tevens een vordering verkrijgt op de consoliderende rechtspersoon.3 In die visie wordt ervan uitgegaan dat de contractspartij weet heeft van het bestaan van de 403-verklaring en de inhoud daarvan.4 Moet worden geconcludeerd dat de wederpartij van de vrijgestelde rechtspersoon geen weet had van de 403-verklaring of van de inhoud daarvan, dan kan in het licht van de wilsvertrouwensleer moeilijk worden betoogd dat deze partij de 403-verklaring, de inhoud en de gevolgen daarvan heeft aanvaard.