HR, 23-01-2026, nr. 24/00462
ECLI:NL:HR:2026:87
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23-01-2026
- Zaaknummer
24/00462
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:87, Uitspraak, Hoge Raad, 23‑01‑2026; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:203
Beroepschrift, Hoge Raad, 23‑01‑2026
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2026/107
Viditax (FutD) 2026012308
FutD 2026-0131
Sdu Nieuws Belastingzaken 2026/96
V-N 2026/6.20 met annotatie van Redactie
NTFR 2026/255 met annotatie van mr. R. Zeldenrust
2026/0168 met annotatie van mr. L.M. Hendriks
NLF 2026/0168 met annotatie van mr. L.M. Hendriks
Uitspraak 23‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Belasting van personenauto’s en motorrijwielen; procesrecht; art. 10, leden 1 en 2, Wet BPM; art. 7:15, lid 2, Awb; naheffingsaanslag in de fase van beroep verlaagd vanwege een aanpassing van het afschrijvingspercentage; inspecteur ging uit van een te lage CO2-uitstoot; recht op vergoeding van kosten bezwaarfase vanwege aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/00462
Datum 23 januari 2026
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 9 januari 2024, nr. BK-22/8501., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 21/1283) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende heeft een uit Duitsland afkomstige, gebruikte personenauto (hierna: de personenauto) op 10 oktober 2018 doen registreren in het Nederlandse kentekenregister. De personenauto heeft een CO2-uitstoot van 162 gram per kilometer.
2.2
Met het oog op de hiervoor bedoelde registratie heeft belanghebbende op aangifte een bedrag aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: bpm) voldaan. Teneinde de verschuldigde bpm met inachtneming van een vermindering vanwege de gebruikte staat vast te stellen, een en ander als voorzien in artikel 10, leden 1 en 2, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (tekst 2018; hierna: de Wet), heeft belanghebbende de handelsinkoopwaarde van de personenauto doen bepalen door middel van taxatie als bedoeld in artikel 10, lid 8, van de Wet. Het taxatierapport is bij de aangifte gevoegd.
2.3
In de aangifte is een bedrag van € 53.262 vermeld als “historische nieuwprijs bij verkoop”, dat wil zeggen de in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde som van de catalogusprijs, bedoeld in artikel 9, lid 5, van de Wet en de bpm op het tijdstip waarop het motorrijtuig voor het eerst in gebruik is genomen. Belanghebbende is voor de berekening van het hiervoor bedoelde bedrag aan bpm uitgegaan van een CO2-uitstoot van 162 gram per kilometer.
2.4
Desgevraagd heeft belanghebbende de personenauto bij de dienst Domeinen Roerende Zaken (hierna: DRZ) getoond voor een hertaxatie. Volgens DRZ vertoonde de personenauto geen andere schade dan normale gebruiksschade.Bij het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag heeft de Inspecteur de in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde som gesteld op € 53.894. Het bedrag aan bpm op het tijdstip waarop de personenauto voor het eerst in gebruik is genomen, heeft hij berekend naar een CO2-uitstoot van 153 gram per kilometer.
2.5
De Inspecteur heeft voor de Rechtbank gesteld dat hij bij de hiervoor in 2.4 vermelde berekening ten onrechte is uitgegaan van een CO2-uitstoot van 153 gram per kilometer. Uitgaande van de voor de personenauto vaststaande CO2-uitstoot van 162 gram per kilometer heeft hij de in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde som gesteld op € 55.683. De Inspecteur heeft geconcludeerd dat door deze verkeerde berekening de naheffingsaanslag moet worden verminderd met € 138 tot een bedrag van € 3.261, en dat dienovereenkomstig de belastingrente met € 3 moet worden verminderd.
2.6
De Rechtbank heeft aangenomen dat tussen partijen niet in geschil is dat voor toepassing van artikel 10, lid 2, van de Wet (en dus voor het berekenen van het afschrijvingspercentage) moet worden uitgegaan van het door de Inspecteur gestelde bedrag van € 55.683. Op onder meer deze grond heeft de Rechtbank de naheffingsaanslag (€ 3.399) verminderd tot een bedrag van € 2.969.
2.7
De Rechtbank heeft verder geoordeeld dat voor een vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase geen aanleiding is, omdat belanghebbende de hiervoor in 2.5 bedoelde verhoging van het in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde bedrag aan bpm ten opzichte van het in de aangifte vermelde bedrag niet in de bezwaarfase aan de orde heeft gesteld.
2.8
Voor het Hof was onder meer in geschil of belanghebbende recht heeft op vergoeding van kosten voor de bezwaarfase. Het Hof heeft geoordeeld dat de herrekening door de Inspecteur van de in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde som heeft plaatsgevonden op basis van uitgangspunten waarop belanghebbende zich niet in de bezwaarprocedure had beroepen. De vermindering van de naheffingsaanslag in beroep was volgens het Hof niet het gevolg van een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, lid 2, Awb. Daarom bestaat geen recht op vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten in verband met de behandeling van het bezwaar, aldus het Hof.
3. Beoordeling van de klachten
3.1
De klachten richten zich tegen het hiervoor in 2.8 weergegeven oordeel van het Hof dat de hiervoor in 2.5 bedoelde vermindering van de naheffingsaanslag niet heeft plaatsgevonden wegens een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid.
3.2
Op grond van artikel 10, lid 7, van de Wet en artikel 10, lid 8, van de Wet moet het afschrijvingspercentage worden bepaald door de som van de catalogusprijs van het te registreren motorrijtuig en het bedrag aan bpm dat voor het te registreren motorrijtuig verschuldigd zou zijn geweest op het tijdstip waarop het voor het eerst in gebruik werd genomen, te verminderen met de handelsinkoopwaarde respectievelijk de taxatiewaarde van het te registreren motorrijtuig.2.
3.3
De Inspecteur is bij het vaststellen van de naheffingsaanslag voor het bepalen van het in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde bedrag aan bpm uitgegaan van een CO2-uitstoot van 153 gram per kilometer. Die CO2-uitstoot was te laag. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde som moet worden bepaald op basis van de catalogusprijs van de personenauto zoals vermeld in de koerslijst Autotelex en, gelet op het hiervoor in 2.5 weergegeven standpunt van de Inspecteur, de voor de personenauto geldende CO2-uitstoot van 162 gram per kilometer.De omstandigheid dat belanghebbende in verband met toepassing van artikel 10, lid 8, van de Wet in beroep voor het eerst heeft gesteld dat zij de handelsinkoopwaarde van de personenauto mede wilde baseren op de koerslijst EurotaxGlass’s en die handelsinkoopwaarde vervolgens op die grond is aangepast, staat los van het oordeel van de Rechtbank over de hoogte van de in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde som en de daaraan verbonden vermindering in zoverre van de naheffingsaanslag. Het andersluidende oordeel van het Hof is onjuist en de klachten slagen voor zover zij dit oordeel bestrijden.
3.4.1
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De klachten behoeven voor het overige geen behandeling. De Hoge Raad kan de zaak afdoen.
3.4.2
Zoals hiervoor in 3.3 is overwogen, is de Inspecteur bij het vaststellen van de naheffingsaanslag voor het bepalen van het in artikel 10, lid 2, van de Wet bedoelde bedrag aan bpm uitgegaan van een te lage CO2-uitstoot van de personenauto. Dit levert een aan de Inspecteur toe te rekenen onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 7:15, lid 2, Awb op. De Rechtbank heeft de uitspraak op bezwaar vernietigd en de naheffingsaanslag verminderd onder meer vanwege deze verkeerde berekening van de Inspecteur. Aan belanghebbende komt een vergoeding toe voor de kosten die hij heeft gemaakt in verband met de behandeling van het bezwaar, bestaande uit de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
3.4.3
Voor het berekenen van het bedrag van de hiervoor bedoelde kosten van rechtsbijstand gaat de Hoge Raad uit van twee handelingen (indienen van een bezwaarschrift en verschijnen ter hoorzitting), de door de Rechtbank toegepaste wegingsfactor 1 wegens het gewicht van de zaak, en toepassing van de waarde per punt als vermeld in onderdeel B2 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Gelet op artikel XIV van het Eindejaarsbesluit 20243.en de op dat artikel gegeven toelichting, en op de Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 14 november 2025, nr. 68444864., moeten deze kosten worden berekend naar de waarde per punt zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt, dat wil zeggen naar een waarde per punt van € 666.
4. Proceskosten
4.1
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Over de hoogte van de vergoeding van die kosten overweegt de Hoge Raad als volgt.
4.2.1
Aan belanghebbende is in het geding in cassatie beroepsmatig rechtsbijstand verleend door S.M. Bothof. Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (hierna: de WHpkv)5., gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet.
4.2.2
Het beroep in cassatie is ingesteld op 13 februari 2024. Totdat de Hoge Raad het arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025), had gewezen, hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de in rechtsoverwegingen 3.5.1 en 3.5.2 van dat arrest geformuleerde regels. De Hoge Raad heeft daarom in dat arrest beslist dat hij, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, elke belanghebbende die voor de datum van dat arrest beroep in cassatie heeft ingesteld, in de gelegenheid zal stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op belanghebbende rustende bewijslast.
4.2.3
In de op 26 september 2025 gewezen arresten met zaaknummers 24/03078bis6., 24/03087bis7., 24/03106bis8., 24/03287bis9., 24/03288bis10., 24/03388bis11., 24/03389bis12., 24/03394bis13.en 24/03395bis14.(hierna: de arresten van 26 september 2025) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de betrokken belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof (dat is dezelfde gemachtigde als die voor belanghebbende optreedt) erin is geslaagd buiten redelijke twijfel te bewijzen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde die ter zake van het cassatieberoep beroepsmatig rechtsbijstand verleende, de besloten vennootschap Bothof Services B.V., beoordeeld naar de situatie op het moment waarop beroep in cassatie is ingesteld, in het jaar 2024 niet het kenmerk heeft van optreden op basis van no cure no pay.In rechtsoverweging 2.7.1 van de arresten van 26 september 2025 heeft de Hoge Raad aangekondigd dat met betrekking tot volgende beslissingen over de omvang van de vergoeding van kosten van rechtsbijstand in elke andere door de gemachtigde, Bothof Services B.V., als professionele rechtsbijstandverlener in het jaar 2024 bij de Hoge Raad aanhangig gemaakte procedure over de bpm waarin de belanghebbende voor de Hoge Raad stelt dat zijn geval is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025, ervan zal worden uitgegaan dat Bothof Services B.V. niet werkt op basis van no cure no pay.Gelet op die beslissing over het bedrijfsmodel in 2024 van deze gemachtigde acht de Hoge Raad het niet meer nodig om belanghebbende in de gelegenheid te stellen nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op hem rustende last om te bewijzen dat zijn geval met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025. De Hoge Raad berekent de vergoeding van de proceskosten van deze cassatieprocedure zonder inachtneming van de WHpkv.
4.3
De Inspecteur zal worden veroordeeld in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof. Aangezien de uitspraak van de Rechtbank is bekendgemaakt voor 1 januari 2024, blijft bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van die kosten de WHpkv buiten toepassing, gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet. Voor de hoogte van de vergoeding gaat de Hoge Raad uit van twee proceshandelingen (indienen van een beroepschrift en verschijnen ter zitting), wegingsfactor 1 wegens het gewicht van de zaak, en toepassing van de waarde per punt als vermeld in onderdeel B1 van de bijlage bij het Besluit, zoals deze ten tijde van het wijzen van dit arrest geldt, dat wil zeggen naar een waarde per punt van € 934.15.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, maar uitsluitend wat betreft de beslissing over de vergoeding van kosten in verband met de behandeling van het bezwaar,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht van € 294 dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald,
- draagt de Inspecteur op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht van € 274 ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof,
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.736 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand,
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 1.868 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en
- veroordeelt de Inspecteur in de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.322 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 23‑01‑2026
Vgl. HR 22 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1714, rechtsoverweging 3.3.4.
Besluit van 18 december 2024 tot wijziging van enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van de belastingen en enige andere besluiten, Stb. 2024, 441.
Regeling van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 14 november 2025, nr. 6844486, tot indexering van bedragen in de Algemene wet bestuursrecht, het Besluit proceskosten bestuursrecht en de Wet griffierechten burgerlijke zaken, Stcrt. 2025, 39855.
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.
Vgl. HR 17 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1203, rechtsoverweging 2.3.
Beroepschrift 23‑01‑2026
Onderwerp: Beroep in cassatie tegen de uitspraak van het hof Den Haag van 09-01-2024, BK-22/850
Geachte heer, mevrouw,
Bij deze stel ik mij als gemachtigde voor belanghebbende, [X], wonende te [Z], aan de [a-straat 1], en dien ik beroep in cassatie in tegen deinde aanhef genoemde uitspraak van het hof, waarvan u een kopie aantreft in bijlage 1.
1. Feiten en procesverloop
Op 02-10-2018 deed belanghebbende aangifte ter registratie in het kentekenregister van de onderstaande auto:
- —
Merk Volkswagen
- —
Type: Tiguan 2.0 TDI
- —
VIN: [0001]
Belanghebbende deed aangifte met gebruikmaking van een taxatierapport, opgesteld door de firma [A].
In opdracht van de inspecteur werd op 09-10-2018 een hertaxatie verricht door de Dienst Domeinen.
Bij besluit van 26-07-2019 legde de inspecteur de naheffingsaanslag op.
Bij brief van 19-08-2019 diende ik bezwaar in tegen de naheffingsaanslag.
Op 17-06-2020 vond een telefonisch hoorgesprek plaats.
Bij besluit van 01-08-2020 verklaarde de inspecteur het bezwaarschrift ongegrond.
Bij brief van 06-08-2020 diende ik beroep in.
Op 19-07-2022 vond de mondelinge behandeling ter zitting plaats.
Bij uitspraak van 02-08-2022 verklaarde de rechtbank het beroep deels gegrond.
Bij brief van 01-09-2022 diende ik hoger beroep in.
Op 09-11-2023 vond de mondelinge behandeling ter zitting plaats.
Bij uitspraak van 09-01-2024 verklaarde het hof het hoger beroep ongegrond.
2. Geschil
In geschil zijn de volgende onderwerpen:
- 1.
Komt belanghebbende in aanmerking voor een kostenvergoeding in de bezwaarfase?
- 2.
Bij het opleggen van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur de nieuwprijs foutief vastgesteld. In zijn verweerschrift in beroep heeft de inspecteur deze fout hersteld. Mede daardoor is de naheffingsaanslag verminderd. Is daarmee sprake van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid, zoals bedoeld in artikel 7:15 Awb?
- 3.
In beroep heeft de inspecteur de naheffingsaanslag tevens verminderd, omdat hij de correctiefactoren in de koerslijst van Eurotaxglass's heeft aanvaard. Volgens het hof is de reden daarvoor als volgt: de inspecteur wilde ‘van de zaak af zijn’. Staat daarmee vast dat geen sprake is van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid, zoals bedoeld in artikel 7:15 Awb?
3. Overwegingen
3.1. Kostenvergoeding in de bezwaarfase — nieuwprijs
Bij het opleggen van de naheffingsaanslag stelde de inspecteur de netto catalogusprijs vast op € 33.064, de Bruto BPM op € 15.676 en de nieuwprijs op € 53.894.
Het staat vast dat deze nieuwprijs niet juist is opgebouwd, zie artikel 10, tweede lid, Wet BPM en het arrest van 22-12-2023, ECLI:NL:HR:2023:1703. Op grond hiervan moet de nieuwprijs worden vastgesteld op € 55.683 (33.064 * 1,21 + 15.676).
In zijn verweerschrift in de beroepsfase, zie bladzijde 6) erkent de inspecteur zijn fout. Hij stelt de nieuwprijs vast op € 55.683.
Op basis van deze nieuwprijs en de bij het opleggen van de naheffingsaanslag in aanmerking genomen inkoopwaarde van € 14.721 (koerslijst X-Ray Dienst Domeinen) komt de verschuldigde BPM op € 3.262. Dat betekent een vermindering van de naheffingsaanslag tot € 3.262.
Reeds op basis van het voorgaande is het beroep bij de rechtbank gegrond verklaard heeft belanghebbende naar mijn mening recht op een kostenvergoeding in de bezwaarfase.
Het hof is van oordeel dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een kostenvergoeding in de bezwaarfase, omdat volgens het hof de vermindering van de naheffingsaanslag in eerste aanleg het directe gevolg is van het feit dat belanghebbende (eerst in beroep) heeft verzocht om toepassing van de koerslijst Eurotaxglass's met de bijbehorende correctiefactoren, aldus het hof in rechtsoverweging 5.12.
Ik stel vast dat het hof het recht heeft geschonden. De juiste toepassing van de nieuwprijs heeft namelijk niets te maken met de toepassing van de correctiefactoren in de koerslijst van Eurotaxglass's. De juiste toepassing van de nieuwprijs volgt uit artikel 10, tweede lid, Wet BPM. In zoverre getuigt het oordeel van het hof van een onjuiste toepassing van het recht. Bovendien heeft het hof de feiten onjuist vastgesteld. Uit de koerslijst van Eurotaxglass's volgt namelijk een nieuwprijs € 53.894. Het oordeel van het hof, dat de ‘switch’ naar de koerslijst van Eurotaxglass's het gevolg is van de toepassing van de juist nieuwprijs van € 55.683 is dus zowel juridisch als feitelijk onjuist.
Als in het oordeel van het hof (mede) zou zijn besloten dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een kostenvergoeding in de bezwaarfase, omdat eerst in beroep is geklaagd over de onjuiste nieuwprijs, of — als hierover niet geklaagd is — de inspecteur zijn fout ambtshalve heeft gesteld, dan getuigt dat oordeel eveneens van een onjuiste rechtsopvatting. Geen rechtsregel brengt mee dat eerst dan aanspraak kan worden gemaakt op een kostenvergoeding in de bezwaarfase als het ‘winnende argument’ ook in dit fase is aangevoerd of door de inspecteur ambtshalve is toegepast.
3.2. Kostenvergoeding in de bezwaarfase — correctiefactoren in de koerslijst Eurotaxglass's
Op grond van paragraaf 3.1. hiervoor ben ik van mening dat de uitspraak van het hof gereed ligt voor vernietiging en de inspecteur aan belanghebbende een kostenvergoeding voor de bezwaarfase moet uitkeren. Ten overvloede en in aanvulling hierop voer ik nog een tweede argument aan.
Bij het opleggen van de naheffingsaanslag stelde de inspecteur de inkoopwaarde in onbeschadigde staat vast op basis van de koerslijst van X-Ray die in het rapport van hertaxatie van de Dienst Domeinen zit.
In mijn beroepschrift bij de rechtbank stelde ik me op het standpunt dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd, omdat in het rapport van hertaxatie ook de koerslijst van Eurotaxglass's zit. Als in die koerslijst de bijstellingen ‘markt- en dealersituatie’ worden toegepast, dan leidt dat tot een lagere inkoopwaarde dan de koerslijst van X-Ray. In zijn verweerschrift aanvaardde de inspecteur de toepassing van deze correctiefactoren. De inspecteur aanvaardde de vermindering van de naheffingsaanslag op deze grond en bevestigde dat het beroepschrift gereed ligt voor gegrondverklaring. Volgens de inspecteur komt belanghebbende evenwel niet in aanmerking voor een kostenvergoeding in de bezwaarfase.
De rechtbank onderschrijft dit standpunt. Volgens de rechtbank is voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase geen aanleiding, omdat het beroep uitsluitend gegrond verklaard is als gevolg van toepassing van de koerslijst Eurotaxglass's met de correctiefactoren ‘markt- en dealersituatie’ en dit in bezwaar niet aan de orde is gesteld.
Met een andere motivering oordeelt het hof dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een kostenvergoeding in de bezwaarfase. In dit kader overweegt het hof in rechtsoverwegingen 5.10 en verder, met zoveel woorden en voor zover hier van belang, dat in het arrest van uw college van 15-11-2019, ECLI:NL:HR:2019:1783 is beslist dat in de koerslijst van Eurotaxglass's met de bijstellingen ‘markt- en dealersituatie’ rekening mag worden gehouden, maar dat dit niet moet als daarvoor geen onderbouwing of nader bewijs voor het individuele geval is gegeven. Volgens het hof is de inspecteur in dit geval tegemoet gekomen aan het verzoek om toepassing van de correctiefactoren om ‘van de zaak af te zijn’. Het hof voegt daaraan toe dat uit het arrest van uw college van 23-03-2023, ECLI:NL:HR:2023:440 volgt dat indien de inspecteur bij het opleggen van een naheffingsaanslag aan de hand van de hem op dat moment ter beschikking staande gegevens het desbetreffende motorrijtuig in staat is om het voor de belastingplichtige meest gunstige BPM-tarief of de meest gunstige maatstaf van heffing te bepalen, hij uit eigen beweging dat meest gunstige tarief of die meest gunstige heffingsmaatstaf moet toepassen. Volgens het hof is het in zoverre onduidelijk gebleven waarom de inspecteur in beroep alsnog akkoord is gegaan met toepassing van de twee correctiefactoren, omdat hij hiertoe niet verplicht was op basis van intern beleid of anderszins. Het hof heeft in het dossier verder ook geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven tot het in aanmerking nemen van de correctiefactoren. Gelet hierop is het hof van oordeel dat geen sprake is van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid en belanghebbende daarom niet in aanmerking komt voor een kostenvergoeding zoals bedoeld in artikel 7:15 Awb.
Ik ben van mening dat het hof het recht heeft geschonden. In het arrest van uw college van 23-12-2022, ECLI:NL:HR:2022:1917 staat het volgende in rechtsoverweging 4.2.4:
‘De Inspecteur heeft bij de uitspraak op bezwaar het bedrag van de naheffingsaanslag verminderd, kennelijk omdat deze hoger was dan het bedrag aan bpm dat wordt geacht te rusten op een vergelijkbare, binnenlands geregistreerde personenauto. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat die aanslag aanvankelijk tot een te hoog bedrag was vastgesteld en in zoverre in strijd is met artikel 110 VWEU. Gelet op hetgeen hiervoor in 4.2.3 is overwogen, betekent dit dat de naheffingsaanslag een bezwarend besluit is waarmee het recht van de Unie ten uitvoer wordt gebracht. De Inspecteur was dus bij het opleggen van de naheffingsaanslag gehouden tot naleving van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel. In zoverre faalt het middel.’
Gelet op dit toetsingskader ben ik van mening dat het hof het recht heeft geschonden door te stellen dat uit de gedingstukken niet is gebleken dat de inspecteur de correctiefactoren in de koerslijst van Eurotaxglass's had moeten toepassen en hij dit enkel heeft gedaan om ‘van de zaak af te zijn’ en vervolgens de naheffingsaanslag op deze grond heeft verminderd. Dit is namelijk niet relevant. Kennelijk was de inspecteur van mening dat deze correctiefactoren moeten worden toegepast (om welke reden dan ook). Reeds daarom moet het ervoor worden gehouden dat de naheffingsaanslag aanvankelijk tot een te hoog bedrag was vastgesteld en in zoverre in strijd is met artikel 110 VWEU. Dat de inspecteur geen verklaring heeft gegeven waarom hij de naheffingsaanslag heeft verminderd of dit uitsluitend heeft gedaan ‘om van de zaak af te zijn’, doet hieraan niet af. Naar mijn mening is de consequentie hiervan dat sprake is van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid, zoals bedoeld in artikel 7:15 Awb, en belanghebbende daarom in aanmerking komt voor een kostenvergoeding in de bezwaarfase.
In de redenering van het hof ligt besloten dat de inspecteur geen rekening met de correctiefactoren hoefde te houden, omdat uit het hiervoor genoemde arrest van 15-11-2019 niet volgt dat dit moet. Dit oordeel getuigt naar mijn mening van een onjuiste rechtsopvatting. Naar mijn mening was de inspecteur, op wie de last rust ervoor te waken dat met de heffing van BPM niet wordt gereden buiten de in artikel 110 VWEU neergelegde begrenzing van de heffingsbevoegdheden, verplicht de correctiefactoren uit eigen beweging toe te passen. Door dit na te laten is sprake van een aan de inspecteur te wijten onrechtmatigheid. In gelijke zin oordeelde het hof Arnhem/Leeuwarden, zie de uitspraak van 26-09-2023, BK-ARN 22/511:
‘4.14.
Wat betreft die kosten van bezwaar is in artikel 7:15, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht voorgeschreven dat deze door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Als een belastingaanslag, zoals in dit geval de naheffingsaanslag, wordt verminderd of vernietigd, is de onrechtmatigheid daarvan in beginsel gegeven. Dit onrechtmatig handelen wordt aan het betrokken bestuursorgaan toegerekend (vgl. HR (civiel) 20februari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2588).
4.15.
Dit laatste geldt temeer nu de inspecteur bij het opleggen van een naheffingsaanslag BPM is gehouden te blijven binnen de grenzen van artikel 110 VWEU. Indien de inspecteur bij het opleggen van een naheffingsaanslag aan de hand van de hem op dat moment ter beschikking staande gegevens over het desbetreffende motorrijtuig in staat is om het voor de belastingplichtige meest gunstige BPM-tarief of de meest gunstige heffingsmaatstafte bepalen aan de hand van de regeling die sinds de ingebruikneming van het motorrijtuig heeft gegolden — zoals in dit geval een waardecorrectie in verband met de markt- en dealersituatie, gebaseerd op HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1783 — moet hij uit eigen beweging dat meest gunstige tarief of die meest gunstige heffingsmaatstaf toepassen. Daarmee draagt hij ervoor zorg dat hij bij het uitoefenen van zijn bevoegdheid tot het opleggen van naheffingsaanslagen in de BPM blijft binnen de begrenzing van artikel 110 VWEU (vgl. HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:440, r.o. 3.2.2). Indien de inspecteur dit nalaat en de naheffingsaanslag op grond van een daartegen ingesteld beroep of hoger beroep wordt verminderd of vernietigd, heeft deze naheffingsaanslag berust op een onjuiste uitleg van de van toepassing zijnde regeling en is deze naheffingsaanslag derhalve onrechtmatig. Dit onrechtmatig handelen wordt aan de inspecteur toegerekend.
4.16.
Het vorenstaande brengt mee dat de kosten van rechtsbijstand in dit geval voor vergoeding in aanmerking komen. Anders dan de Rechtbank heeft geoordeeld, bestaat er geen grond om voor de toewijsbaarheid van een verzoek tot vergoeding van de in de bewaarfase gemaakte kosten van rechtsbijstand, de aanvullende eis te stellen dat de vermindering van de belastingaanslag het gevolg moet zijn van hetgeen de belanghebbende in de bezwaarfase heeft aangevoerd. De Rechtbank had daarom een bezwaarkostenvergoeding moeten toekennen. Nu het Hof zelf deze kostenvergoeding vaststelt, moet de puntwaarde worden gehanteerd zoals die geldt ten tijde van deze uitspraak (2023: € 296), waardoor deze € 592 bedraagt (1 punt voor bezwaarschrift, 1 punt voor hoorzitting).’
Gelet op de hiervoor geciteerde rechtsoverweging 4.16 getuigt het oordeel van de rechtbank, dat de vermindering van de naheffingsaanslag het gevolg moet zijn van hetgeen in de bezwaarfase is aangevoerd, ook van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het hof het oordeel van de rechtbank op dit punt heeft gevolgd, is dat oordeel dus rechtens ook onjuist.
4. Conclusie
Op grond van het voorgaande verzoek ik uw college:
- —
Dit beroep in cassatie gegrond te verklaren;
- —
De uitspraak van het hof partieel te vernietigen;
- —
De inspecteur te veroordelen in een kostenvergoeding in de bezwaarfase;
- —
De inspecteur te veroordelen in de proceskosten in de hoger beroepsfase;
- —
De staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten in de cassatiefase;
Hoogachtend,