Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002, 317, rov. 3.33.
HR, 24-04-2018, nr. 17/01822
ECLI:NL:HR:2018:661
- Instantie
Hoge Raad (Strafkamer)
- Datum
24-04-2018
- Zaaknummer
17/01822
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2018:661, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 24‑04‑2018; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:216
ECLI:NL:PHR:2018:216, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 20‑03‑2018
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2018:661
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2018-0202
Uitspraak 24‑04‑2018
Inhoudsindicatie
Aanwezigheidsrecht, detentie uit anderen hoofde. Hof heeft verstek verleend tegen niet verschenen verdachte. HR: Op de gronden die zijn vermeld in de CAG is het middel terecht voorgesteld. Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: Aan de cassatieschriftuur is een kopie gehecht van een p-v van bevindingen, waaruit moet worden afgeleid dat verdachte slechts enkele uren vóór de aanvang van de tz. in h.b. door de politie is aangehouden en is ingesloten op het politiebureau, welke insluiting voortduurde t.t.v. de behandeling van de zaak door het Hof. Dit brengt met zich dat achteraf moet worden vastgesteld dat de beslissing van het Hof om tegen verdachte verstek te verlenen en het onderzoek voort te zetten onjuist was en dat aan het recht van verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan.
Partij(en)
24 april 2018
Strafkamer
nr. S 17/01822
NA/SA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Den Haag van 10 april 2017, nummer 22/005549-16, in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M.R. Mantz, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt dat de verdachte in strijd met art. 6 EVRM niet in de gelegenheid is gesteld bij de berechting van zijn zaak in hoger beroep aanwezig te zijn, aangezien hij ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde was gedetineerd en hij niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht.
2.2.
Op de gronden die zijn vermeld in de conclusie van de plaatsvervangend Advocaat-Generaal onder 4 tot en met 8 is het middel terecht voorgesteld.
3. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 april 2018.
Conclusie 20‑03‑2018
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. A-G. Schending van aanwezigheidsrecht. De verdachte was ten tijde van de terechtzitting ingesloten op het politiebureau. Achteraf bezien heeft het hof ten onrechte tegen de verdachte verstek verleend en het onderzoek voortgezet.
Nr. 17/01822 Zitting: 20 maart 2018 | Mr. D.J.M.W Paridaens Conclusie inzake: [verdachte] |
De verdachte is bij arrest van 10 april 2017 door het gerechtshof Den Haag onder toepassing van art. 416 , tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
Het cassatieberoep is op 10 april 2017 namens de verdachte ingesteld en mr. M.R. Mantz, advocaat te 's-Gravenhage, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel beoogt te klagen dat het hof tegen de verdachte verstek heeft verleend en het onderzoek heeft voortgezet zonder deugdelijk onderzoek te hebben ingesteld of de verdachte mogelijk gedetineerd zat, waardoor het aanwezigheidsrecht van de verdachte is geschonden en in strijd is gehandeld met art. 6 EVRM.
Uit de stukken van het geding blijkt dat aan de verdachte een dagvaarding om te verschijnen ter terechtzitting in hoger beroep van 10 april 2017 om 10:15 uur in persoon is uitgereikt. De verdachte is op deze terechtzitting niet verschenen. Wel is verschenen mr. Mantz, die heeft verklaard niet uitdrukkelijk door de verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren. Het hof heeft verstek verleend, het onderzoek voortgezet en na de sluiting van het onderzoek op dezelfde zitting de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
Uitgangspunt is dat indien de dagvaarding aan een verdachte in persoon is betekend en de verdachte noch zijn (gemachtigd) raadsman op de terechtzitting is verschenen, de rechter – behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – kan uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht.1.Nochtans bestaat de mogelijkheid dat achteraf moet worden vastgesteld dat aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan. Dit kan zich voordoen indien de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak rechtens van zijn vrijheid was beroofd zonder dat dit de rechter bekend was.2.
6. Aan de cassatieschriftuur is een kopie gehecht van de eerste twee pagina’s van een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1500-2017098035-12, opgemaakt door [verbalisant] , hoofdagent van politie Eenheid Den Haag, waaruit – voor zover hier van belang – het volgende naar voren komt:
- de verdachte is op 10 april 2017 om 04:05 uur in Den Haag aangehouden wegens verdenking van heling dan wel diefstal van een fiets en is overgebracht naar het politiebureau Hoefkade te Den Haag;
- de verdachte is op 10 april 2017 om 05:36 uur geleid voor de hulpofficier van justitie;
- op 10 april 2017 om 05:39 uur is door de hulpofficier van justitie het bevel gegeven om de verdachte op te houden voor onderzoek;
- op 10 april 2017 om 05:44 uur is de piketcentrale voor de rechtsbijstand in kennis gesteld dat de verdachte heeft aangegeven dat voorafgaande aan zijn eerste verhoor overleg wil voeren met een raadsman/raadsvrouw;
- op 10 april 2017 om 10:26 uur heeft de verdachte een onderhoud gehad met de aan hem toegewezen advocaat Koerselman, kantoorhoudende te Zoetermeer, die aangaf dat zij niet de advocaat was die de verdachte wenste en dat zij contact op zou nemen met de voorkeursadvocaat van de verdachte, mr. Mantz. Tevens gaf zij, na het consult, namens de verdachte te kennen dat de verdachte die ochtend ter terechtzitting moest verschijnen bij de politierechter in Den Haag;
- op 10 april 2017 om 13:15 uur is in het politiebureau Hoefkade te Den Haag de verdachte gehoord. Hij werd daarbij bijgestaan door mr. Mantz. Tijdens dit verhoor werd aangegeven dat de verdachte deze ochtend bij het hof diende te verschijnen.
7. Uit het hiervoor onder 6. vermelde proces-verbaal – aan de herkomst en betrouwbaarheid waarvan in redelijkheid niet behoeft te worden getwijfeld – moet worden afgeleid dat de verdachte slechts enkele uren vóór de aanvang van de terechtzitting in hoger beroep door de politie is aangehouden en vervolgens is ingesloten op het politiebureau, welke insluiting voortduurde ten tijde van de behandeling van de zaak door het hof. Dit brengt met zich dat achteraf moet worden vastgesteld dat de beslissing van het hof om tegen de verdachte verstek te verlenen en het onderzoek voort te zetten onjuist waren en dat aan het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, is tekortgedaan.
8. Gelet op het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, brengt het voorgaande mee dat de verdachte de mogelijkheid dient te hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen.
9. Het middel slaagt.
10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
11. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑03‑2018
Vgl. HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3042; HR 20 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:98; HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:388; HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1128 en HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3224.