Sfeerovergangen in de winstsfeer
Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/6.3.3.1:6.3.3.1 Toetsing
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/6.3.3.1
6.3.3.1 Toetsing
Documentgegevens:
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630560:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De analyse van de winsttoerekening bij vorderingen en schulden leidt tot de volgende conclusies:
Criterium 1: In overeenstemming met de uitgangspunten van het totaalwinstbeginsel
In casu bedragen de totale rentelasten € 700. Omdat de rentekosten niet alleen zien op de belaste periode, moet de totale rentelast worden verdeeld over de onbelaste en belaste periode. Door waardering tegen waarde in het economische verkeer van de schuld vindt de verdeling zo plaats dat slechts een last ad € 308 aan de belaste periode wordt toegerekend. Hierdoor worden per saldo in de belaste periode niet de contractueel in de belaste periode verschuldigde rentekosten in aanmerking genomen. Een deel van de kosten (€ 42) wordt immers toegerekend aan de onbelaste periode.
Een juiste interpretatie van het totaalwinstbeginsel brengt met zich mee dat alleen de werkelijk genoten opbrengsten en gemaakte kosten die toerekenbaar zijn aan de belaste periode onderdeel zijn van de totaalwinst. Op het moment van de sfeerovergang wordt ervan uitgegaan dat de lening op dat moment is afgesloten. De feitelijke situatie is dat de onderneming de lening reeds eerder heeft afgesloten en de rente die ten laste van het resultaat kan worden gebracht, afwijkt van de contractueel overeengekomen rente. In casu is er geen rechtvaardiging om een deel van de in de belaste periode betaalde rentekosten aan de onbelaste periode toe te rekenen. Bij een lening met een vaste looptijd is het ook goed denkbaar dat de onderneming helemaal niet de mogelijkheid heeft tot eerdere afkoop of vervreemding van de schuld. Er is dan geen sprake van een potentieel realiseerbaar resultaat.
Criterium 2: Er is sprake van een adequate toerekening (toerekening aan de periode waarin de voordelen worden opgeroepen door de bedrijfsuitoefening)
Bij rente als vergoeding voor uitstaande dan wel opgenomen geldleningen laat de vraag in welk jaar de verschuldigde rente als last verantwoord dient te worden zich eenvoudig beantwoorden. Gelet op de aard van rente vindt toerekening plaats aan de jaren waarin de financiering gebruikt wordt. Zoals uit het voorbeeld blijkt, gaat bij een sfeerovergang deze regel ineens niet meer op. In casu worden namelijk niet de nominale rentekosten in aftrek gebracht. Het renteverschil ad € 42 wordt mijns inziens ten onrechte toegerekend aan de onbelaste periode.
Criterium 3: Er is sprake van een duidelijk en praktisch toepasbaar systeem
De waardering tegen waarde in het economische verkeer van schulden in plaats van de nominale waarde leidt tot de post (dis)agio. De waardering van de lening is mijns inziens niet dermate complex dat hierdoor grote uitvoeringsproblemen ontstaan.