Arbeidsrecht en insolventie
Einde inhoudsopgave
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/3.1.2:3.1.2 Plan van behandeling
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/3.1.2
3.1.2 Plan van behandeling
Documentgegevens:
Mr. J. van der Pijl, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. J. van der Pijl
- JCDI
JCDI:ADS306012:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Insolventierecht / Faillissement
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Er is voor gekozen de in artikel 239 Fw geregelde pendant van art. 40 Fw, betreffende surseance, niet afzonderlijk te bespreken, maar slechts daar waar dat van belang is aan de orde te stellen.
Dit geldt voor de paragrafen 3.3, 3.5 en 3.6; paragraaf 3.4. leent zich minder voor het onderscheid in verschillende werkingssferen als hier bedoeld.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Er bestaat momenteel een beperkt aantal concrete regels dan wel regelingen in de Nederlandse wet, dat voor deze materie van belang is, omdat daarin ten behoeve (en in een enkel geval ten nadele) van werknemers wordt afgeweken van de hoofdregel dat alle schuldeisers in een faillissement gelijk worden behandeld, alsook omdat daarin wordt voorzien in opvang van de nadelige gevolgen voor de werknemer van de deconfiture van zijn werkgever.
Het gaat om:
artikel 40 lid 2 Fw;1
artikel 7:673c BW;
artikel 3:288 aanhef en sub e BW;
de loongarantieregeling van de artikelen 61 tot en met 68 WW.
Deze vier regels/regelingen zullen als ankerpunt voor de verdere bespreking van dit onderwerp fungeren, wat leidt tot vier paragrafen over de deelonderwerpen die met genoemde wetsbepalingen corresponderen:
Loon en insolventie (paragraaf 3.3);
Beëindigingsvergoeding en insolventie (paragraaf 3.4);
Bevoorrechting werknemersaanspraken (paragraaf 3.5);
Loongarantieregeling (paragraaf 3.6).
De volgorde is ingegeven door de gedachte dat logisch voorkomt eerst te bepalen welke aanspraken een werknemer überhaupt nog heeft (paragrafen 3.3 en 3.4), vervolgens of deze aanspraken bevoorrecht zijn boven andere vorderingen (paragraaf 3.5) en ten slotte of en, zo ja, in hoeverre UWV deze aanspraken garandeert en overneemt (paragraaf 3.6).
De vier paragrafen zullen overigens nog vooraf gegaan worden door een afzonderlijke beschouwing (paragraaf 3.2) over het algemene insolventierechtelijke onderscheid dat grosso modo kan worden gemaakt tussen de verschillende categorieën schulden:
boedelschulden, die vóór andere schulden, zonder verificatie, door de curator zullen moeten worden voldaan;
faillissementsschulden, die in beginsel uitsluitend via verificatie tot voldoening kunnen komen;
niet-verifieerbare schulden.
In de vier vervolgparagrafen zal allereerst, steeds aan de hand van wetsgeschiedenis, rechtspraak en literatuur, worden nagegaan wat de ratio achter de betreffende regels is. Vervolgens komt telkens – bij wijze van inhoudelijke uitwerking van de onderzochte regel(s) – de personele, de materiële en respectievelijk de temporele werkingssfeer ervan aan orde: op wie zijn de regels precies van toepassing, wat houden zij in en over welke periode strekken zij zich uit?2 Bezien zal worden waar de regelingen van elkaar verschillen en elkaar overlappen.
In paragraaf 3.7 wordt gesignaleerd welke principiële en praktische problemen zich voordoen en worden suggesties gedaan voor verbeteringen, waarna met een conclusie wordt afgesloten.