Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen
Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/4.6.2:4.6.2 Aanmerkelijk belang wordt niet-aanmerkelijk belang
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/4.6.2
4.6.2 Aanmerkelijk belang wordt niet-aanmerkelijk belang
Documentgegevens:
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS451748:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over het fictieve aanmerkelijk belang uitgebreider hoofdstuk 9.
De hieruit mogelijk voortvloeiende dubbele belastingheffing wordt voorkomen door art. 24, tweede lid. Wet IB (zie onderdeel 4.3.1 alsmede hoofdstuk 9, onderdeel 9.2.1).
Zie over de regeling van art. 20c, zesde lid, Wet IB uitgebreider hoofdstuk 10, onderdeel 10.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook de omgekeerde situatie kan zich voordoen. De tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen houden immers op tot een aanmerkelijk belang te behoren, indien op enig moment niet langer aan de aanmerkelijkbelangkwalificaties wordt voldaan. De aandeelhouder stapt dan over van de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' op de bron 'inkomsten uit vermogen'. Dit betekent dat op dat moment het (objectieve) gemiddeld op de (desbetreffende) aandelen gestorte kapitaal weer relevant wordt voor de belastingheffing ter zake van de aandelen en niet langer de (subjectieve) verkrijgingsprijs. Deze sfeerovergang van de bron 'winst uit aanmerkelijk belang' naar de bron 'inkomsten uit vermogen' wordt geregeld in art. 20a, zesde lid, onderdeel h, Wet IB. Ingevolge deze bepaling wordt onder de vervreemding van aandelen (mede) begrepen het niet langer aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang. Dit betekent dat de ex-aanmerkelijkbelanghouder moet afrekenen over de aanwezige (latente) aanmerkelijkbelangwinst. Als overdrachtsprijs geldt, nu een tegenprestatie bij de vervreemding ontbreekt, ingevolge art. 20c, vierde lid, eerste volzin, Wet IB de waarde in het economische verkeer van de aandelen ten tijde van de (fictieve) vervreemding. Aangezien het niet langer aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang in een dergelijke situatie niet gepaard gaat met de daadwerkelijke ontvangst van financiële middelen, zodat de daadwerkelijke betaling van de aanmerkelijkbelangheffing tot (financiële) problemen aanleiding kan geven, kan de betaling van belasting ingevolge art. 20e Wet IB worden uitgesteld tot het moment waarop de aanmerkelijkbelangaandelen daadwerkelijk worden vervreemd. De aandelen worden dan voor zover het de vervreemdingsvoordelen betreft geacht tot een aanmerkelijk belang te behoren, het zgn. fictieve aanmerkelijke belang (art. 20e, tweede lid, Wet IB). Evenals dat onder het tot 1 januari 1997 geldende fictieve aanmerkelijke belang in geval van de aandelenfusie van art. 40 (oud) Wet IB het geval was, is ook onder het nieuwe regime de aanmerkelijkbelangclaim gemaximeerd tot de latente vervreemdingswinst die aanwezig is op het moment waarop niet langer aan de vereisten voor de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang wordt voldaan.1 Worden de ex-aanmerkelijkbelangaandelen nadien voor een lagere (overdrachts)prijs vervreemd, dan wordt de daadwerkelijke aanmerkelijkbelangwinst in aanmerking genomen; is de overdrachtsprijs hoger, dan is niet meer aanmerkelijkbelangheffing verschuldigd dan aanwezig was op het moment waarop niet langer aan de aanmerkelijkbelangkwalificatie werd voldaan. De afgrenzing met de bron 'inkomsten uit vermogen' is nu hierin gelegen dat de regeling van het fictieve aanmerkelijk belang uitsluitend geldt voor de zgn. vervreemdingsvoordelen (waaronder dan tevens inkoop van aandelen, inkoop en afkoop van winstbewijzen en liquidatie van de vennootschap wordt begrepen) en niet meer voor de zgn. reguliere voordelen. De reguliere voordelen worden vanaf het moment dat niet langer wordt voldaan aan de aanmerkelijkbelangkwalificatie belast volgens de regels van de bron 'inkomsten uit vermogen'.2
Bedraagt op het moment waarop niet langer aan de aanmerkelijkbelangcriteria wordt voldaan, de waarde in het economische verkeer van de aandelen, winstbewijzen en schuldvorderingen minder dan de verkrijgingsprijs, dan is in beginsel sprake van een verlies uit aanmerkelijk belang. Een dergelijk verlies uit aanmerkelijk belang kan in aanmerking worden genomen op de voet van art. 60 Wet IB (art. 20a, tweede lid, Wet IB). Of een dergelijk verlies in casu ook daadwerkelijk kan worden geëffectueerd, hangt blijkens art. 20c, zesde lid, Wet IB af van de vraag of de belastingplichtige onmiddellijk of middellijk geheel of nagenoeg geheel zijn belang bij de activiteiten van de vennootschap behoudt. Is dit niet het geval, dan is art. 20c, zesde lid, Wet IB niet van toepassing en kan een dergelijk verlies worden genomen. Er ontstaat dan geen fictief aanmerkelijk belang. Behoudt de belastingplichtige wel voor ten minste 90% zijn belang bij de activiteiten van de vennootschap, dan is art. 20c, zesde lid, Wet IB in beginsel wel van toepassing en kan het aanmerkelijkbelangverlies niet worden genomen.3 Het niet in aanmerking genomen negatieve vervreemdingsvoordeel wordt dan gevoegd bij de verkrijgingsprijs van de overige aandelen in de vennootschap dan wel, ingeval de belastingplichtige geen aandelen in de vennootschap behoudt, van de aandelen in de vennootschap door middel waarvan de belastingplichtige het belang middellijk heeft behouden; het latente aanmerkelijkbelangverlies gaat dus niet definitief verloren, doch wordt doorgeschoven naar de toekomst. De vraag rijst echter of deze doorschuifre-geling van art. 20c, zesde lid, Wet IB in een dergelijke situatie wel op een bevredigende wijze kan worden toegepast, nu de belastingplichtige geen overige aandelen in de vennootschap houdt, zoals art. 20c, zesde lid. Wet IB eist. De aandelen verliezen hun aanmerkelijkbelangkwalificatie, maar het zijn nog steeds dezelfde aandelen. De vraag rijst dan hoe verder moet worden omgegaan met dit aanmerkelijkbelangverlies. Art. 20c, zesde lid, tweede volzin, Wet IB bepaalt immers dat de eerste volzin buiten toepassing blijft als het negatieve vervreemdingsvoordeel niet kan worden gevoegd bij de verkrijgingsprijs van een aandeel. Een passende uitwerking wordt mijns inziens verkregen door de tweede volzin van art. 20c, zesde lid, Wet IB in casu van toepassing te achten, zodat het negatieve vervreemdingsvoordeel (toch) in aanmerking kan worden genomen, maar geheel duidelijk ligt dit niet (zie uitgebreider hoofdstuk 10, onderdeel 10.3.2).