Hof Den Haag, 25-11-2025, nr. 200.331.411/01
ECLI:NL:GHDHA:2025:2439
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
25-11-2025
- Zaaknummer
200.331.411/01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2025:2439, Uitspraak, Hof Den Haag, 25‑11‑2025; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHDHA:2025:120, Uitspraak, Hof Den Haag, 28‑01‑2025; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2023:3722
Uitspraak 25‑11‑2025
Inhoudsindicatie
Aanneming van werk. Redelijke prijs (ex artikel 7:752 BW) kan niet worden vastgesteld. Vordering tot betaling slotfactuur wordt afgewezen.
Partij(en)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.331.411/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/10/618572 / HA ZA 21-428
arrest van 25 november 2025
in de zaak van
Robouma B.V.,
gevestigd in Ridderkerk,
appellante in principaal hoger beroep,
verweerster in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. R.F. van Leeuwen, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
[verweerder] ,
wonend in [woonplaats],
verweerder in principaal hoger beroep,
appellant in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. H.W. ten Katen, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt partijen hierna Robouma en [verweerder].
1. Het verdere procesverloop in hoger beroep
1.1.
Voor het verloop van de procedure tot 28 januari 2025 verwijst het hof naar zijn tussenarrest van die datum (hierna te noemen: het tussenarrest). Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep na het tussenarrest blijkt uit de volgende stukken:
- -
de akte van Robouma, met producties;
- -
de antwoordakte van [verweerder].
2. De verdere beoordeling in hoger beroep
2.1.
Bij het tussenarrest heeft het hof de volgende beslissingen genomen:
- -
door partijen zijn geen grieven gericht tegen de in rov. 6.3 van het tussenarrest genoemde oordelen van de rechtbank, zodat deze oordelen vaststaan;
- -
niet kan worden vastgesteld dat tussen partijen een overeenkomst van aanneming van werk op regiebasis en met een uurtarief van € 32,50 tot stand is gekomen (rov. 6.8 en 6.9 van het tussenarrest);
- -
[verweerder] is niet geslaagd in het bewijs van de door hem gestelde vaste prijs, althans richtprijs, zodat deze niet is komen vast te staan (rov. 6.10 tot en met 6.17 van het tussenarrest);
- -
[verweerder] dient een redelijke prijs te betalen aan Robouma voor de door haar uitgevoerde werkzaamheden (rov. 6.18 van het tussenarrest);
- -
Het is in beginsel aan de aannemer om te stellen (en vervolgens te bewijzen) wat de exacte omvang van de werkzaamheden was en dat de gevorderde prijs redelijk was (rov. 6.20 van het tussenarrest).
2.2.
Het hof heeft Robouma vervolgens in de gelegenheid gesteld om de door haar in de procedure ingebrachte facturen en urenoverzichten gedetailleerd en onderbouwd met stukken (voor zover aanwezig) toe te lichten, aan de hand waarvan inzichtelijk wordt gemaakt welke werkzaamheden zij heeft verricht, welke materialen zij heeft gebruikt, en welke kosten zij daarvoor in rekening heeft gebracht bij [verweerder]. [verweerder] is in de gelegenheid gesteld op deze toelichting te reageren. Het is op grond van artikel 7:752 BW – en overeenkomstig de in het tussenarrest aan Robouma gegeven opdracht – aan Robouma om de facturen en door hem in de procedure gebrachte totaaloverzicht (waarop zij haar vordering tot betaling van de slotfactuur en niet betaalde btw baseert) naar behoren toe te lichten.
2.3.
Het uurtarief van € 32,50 (exclusief btw) is volgens Robouma een redelijke prijs. Met verwijzing naar haar producties A tot en met E bij haar akte (een totaaloverzicht, inkoopfacturen, onderliggende facturen die zien op de gemaakte uren, een overzicht van de bouwkundige, en stukken met betrekking tot twee andere projecten), concludeert Robouma dat zij in totaal voor een bedrag van € 32.506,35 (exclusief btw) aan materiaal heeft ingekocht en verwerkt in de woning van [verweerder], en een bedrag van € 56.011,00 (exclusief btw) heeft betaald voor de door haar ingezette manuren. Dat betekent volgens haar dat de totaalsom uitkomt op een bedrag van € 88.517,35 exclusief btw, dat wil zeggen€ 105.948,36 inclusief btw (waarvan € 68.054,00 betaald is door [verweerder]). Dit is volgens Robouma een (meer dan) redelijke vergoeding voor de uitgebreide verbouwing.
2.4.
Naar het oordeel van het hof heeft Robouma onvoldoende onderbouwd en toegelicht om te kunnen vaststellen welke werkzaamheden zij heeft verricht als onderdeel van de door [verweerder] aan haar verstrekte opdracht. Ook heeft Robouma onvoldoende toegelicht welke van deze werkzaamheden zij al (met haar facturen met kenmerk 20301, 20331, 20534, 20535, 21082 en 21132) in rekening heeft gebracht bij [verweerder]. De volgende overwegingen zijn daarvoor redengevend.
2.5.
Robouma heeft in haar akte geen toelichting gegeven op de totstandkoming van het totaaloverzicht. Zij heeft volstaan met een opsomming van de volgens haar verrichte werkzaamheden (punt 10 van haar akte). Deze opsomming is nagenoeg gelijk aan de opsomming in productie 12 bij de conclusie van antwoord in reconventie in eerste aanleg. Zonder enige nadere toelichting verwijst Robouma naar facturen en urenstaten. Tussen de opsomming van de verrichte werkzaamheden en de gebruikte materialen en door haar genoemde urenaantallen heeft zij geen enkel verband gelegd. Uit enkel deze opsomming en verwijzingen kan het hof niet met een redelijke mate van zekerheid afleiden dat de genoemde werkzaamheden daadwerkelijk door Robouma zijn verricht met de materialen zoals vermeld op de facturen en op basis van het aantal uren zoals vermeld op de urenstaten. Het is niet aan het hof om de genoemde werkzaamheden te koppelen aan de in de procedure gebrachte facturen en urenstaten. Het is in dit geval aan de aannemer om naar behoren te stellen (en zo nodig te bewijzen) wat de werkelijke omvang van de werkzaamheden was en de door hem gevorderde prijs redelijk is. De wijze van procederen van Robouma miskent dat de eisen van een behoorlijke procesvoering meebrengen dat een partij die een beroep wil doen op bepaalde producties – in dit geval ter onderbouwing van de stelling dat een redelijke prijs in rekening wordt gebracht – dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk wordt wat hem ter beslissing wordt voorgelegd en voor de wederpartij waartegen zij zich dient te verweren.
2.6.
Nu Robouma onvoldoende heeft onderbouwd en concreet inzichtelijk gemaakt welke werkzaamheden zij – met welke materialen en in hoeveel uren – heeft verricht aan de woning van [verweerder], wordt aan nadere bewijslevering niet toegekomen. Bij gebreke van een voldoende gesteld uitgangspunt over de (omvang van de) door Robouma verrichte werkzaamheden, welk uitgangspunt door [verweerder] gemotiveerd wordt betwist, kan ook een deskundige immers niet bepalen wat een redelijke prijs zou zijn (geweest) voor het (wel) door Robouma uitgevoerde werk. De omvang van het door Robouma uitgevoerde werk, kan het hof – bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing – niet (schattenderwijs) bepalen.
2.7.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hof niet kan vaststellen of Robouma recht heeft op betaling van de door haar gevorderde (onbetaald gelaten) slotfactuur als onderdeel van de (niet meer vast te stellen) redelijke prijs. Dit betekent dat de vordering van Robouma tot betaling van de slotfactuur niet toewijsbaar is.
De btw (factuur 20535)
2.8.
Robouma vordert een bedrag van € 2.100,00 wegens btw. Het gaat om btw over het bedrag van € 10.000,00 zoals vermeld in de factuur met kenmerk 20535 van 30 december 2020, met vervaldatum 22 september 2020 (zie het door Robouma opgestelde overzicht in punt 20 van de inleidende dagvaarding en productie 3, pagina 4, bij de inleidende dagvaarding).
2.9.
[verweerder] betwist dat hij nog btw verschuldigd is en het restant van deze factuur nog zou moeten betalen. Uit de stellingen van [verweerder] begrijpt het hof dat hij meent dat hij gelet op de manier waarop de contante betaling op 22 september 2020 tot stand is gekomen niet meer hoefde te verwachten dat hij alsnog btw zou moeten betalen over het contant betaalde bedrag van € 10.000,00. [verweerder] ging er namelijk van uit dat hij met voldoening van dit bedrag in contanten een korting kreeg, feitelijk ter hoogte van de btw, terwijl Robouma – zo begrijpt het hof althans uit de stellingen van Robouma – er vanuit gaat dat een contante betaling gelijk staat aan een bedrag exclusief btw.
2.10.
De factuur – waarvan Robouma thans nog een gedeeltelijke betaling vordert – is pas ruim drie maanden na de contante betaling en door haar gestelde vervaldatum (op 22 september 2020) opgemaakt. Daarbij komt dat in het bij de inleidende dagvaarding als productie 2 overgelegde financiële overzicht wel het contant betaalde bedrag van € 10.000,00 is opgenomen, maar niet een bedrag terzake van de btw over de betaalde € 10.000,00 (dat bedrag is in de in hoger beroep door Robouma overgelegde financiële overzichten opgenomen). Gelet hierop lag het op de weg van Robouma om voldoende te stellen waaruit zou kunnen volgen dat het op 22 september 2020 voor [verweerder] duidelijk was welke factuur hij met zijn contante betaling voldeed en of daarmee de gehele factuur werd voldaan of slechts een gedeelte daarvan. Robouma heeft daarover echter geen enkele stelling ingenomen en heeft slechts verwezen naar de hiervoor genoemde pas later opgemaakte factuur van 30 december 2020. Dat is in het licht van de betwisting van [verweerder] onvoldoende ter onderbouwing van haar stelling dat [verweerder] nog btw moet betalen over het contant door hem betaalde bedrag.
2.11.
Dat partijen het oneens zijn over op wiens initiatief de contante betaling tot stand is gekomen en of daarbij wel of niet gesproken is over een korting (ter hoogte van de btw), is gelet op het voorgaande niet relevant voor de vraag of de btw zoals vermeld op factuur 20535 nog door [verweerder] betaald moet worden.
2.12.
Voor zover Robouma stelt dat de verschuldigdheid van de btw op of kort na 22 september 2020 (al) zou blijken uit de door haar opgemaakte financiële overzichten, kan hij daarin niet worden gevolgd nu [verweerder] betwist deze overzichten (volledig) te hebben ontvangen.
De buitengerechtelijke incassokosten
2.13.
De door Robouma gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is evenmin toewijsbaar. Niet is komen vast te staan dat deze kosten in redelijkheid voor rekening van [verweerder] kunnen worden gebracht, nu niet vast is komen te staan dat [verweerder] de slotfactuur aan Robouma verschuldigd is.
Vervangende schadevergoeding
2.14.
[verweerder] vordert een vervangende schadevergoeding (in plaats van nakoming) ter hoogte van € 33.824,58 indien sprake is van een vaste aanneemsom, of € 24.135,94 indien sprake is van een richtprijs. Dit zijn volgens hem de kosten om het werk – dat volgens hem ook de werkzaamheden omvat die zijn genoemd in de offerte van Robouma van 30 maart 2021 – af te (laten) maken.
2.15.
Het hof zal deze tegenvordering van [verweerder] afwijzen. Voor vergoeding van kosten om het werk af te (laten) maken, bestaat in dit geval geen aanleiding. Daartoe is het volgende redengevend.
2.16.
De gevorderde vervangende schadevergoeding ziet op een vergoeding van de kosten om het werk geheel af te (laten) maken, omdat Robouma in gebreke zou zijn gebleven deze werkzaamheden uit te voeren als onderdeel van de tussen partijen gemaakte afspraken. Zoals door het hof in zijn tussenarrest is beslist (rov. 6.10 tot en met 6.17) heeft [verweerder] niet bewezen dat partijen een vaste prijs of een richtprijs zijn overeengekomen voor het volledige werk, met inbegrip van de werkzaamheden die zijn genoemd in de offerte van 30 maart 2021. Bij deze stand van zaken hoeft [verweerder] alleen te betalen voor het werk dat daadwerkelijk door Robouma is uitgevoerd. Voor de tot eind maart 2021 uitgevoerde werkzaamheden heeft [verweerder] in totaal een bedrag van € 68.054,00 betaald. Meer dan dat bedrag is [verweerder] naar het oordeel van het hof niet verschuldigd, aangezien Robouma na eind maart 2021 geen werkzaamheden meer heeft verricht.
2.17.
Dit leidt tot de conclusie dat [verweerder] geen nakoming kon verlangen van de in de offerte van 30 maart 2021 vermelde werkzaamheden. Voor een omzetting van zijn nakomingsvordering in een vordering tot vervangende schadevergoeding (artikel 6:87 lid 1 BW), bestond daarom geen grondslag. Volledigheidshalve merkt het hof op dat [verweerder] ook onvoldoende heeft gesteld dat hij te veel heeft betaald voor de tot eind maart 2021 door Robouma uitgevoerde werkzaamheden. Van ondeugdelijk uitgevoerde werkzaamheden is niet gebleken, ten aanzien waarvan hij zijn eerdere eis in reconventie heeft beperkt.
Conclusie en proceskosten
2.18.
De conclusie is dat de grieven van Robouma in principaal hoger beroep (deels) slagen, namelijk voor zover zij betrekking hebben op de toewijzing van de vordering in reconventie. Daarmee is de voorwaarde voor het instellen van het incidentele hoger beroep vervuld. Uit het voorgaande blijkt verder dat de incidentele grief van [verweerder] slaagt, voor zover hij daarin betoogt dat de door Robouma in rekening gebrachte prijs van € 105.948,58 – het hof leest (zie rov. 2.3) €105.948,36 inclusief btw – geen redelijke prijs is. Daarom zal het hof het bestreden vonnis van 19 april 2023 gedeeltelijk vernietigen, te weten:- rov. 3.1 tot en met 3.3, en opnieuw rechtdoende zal het hof een bedrag van € 5.691,08 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 mei 2021 (dat wil zeggen:€ 2.074,74 (trap) en € 3.616,34 (containerhuur) (zie rov. 6.3 van het tussenarrest);- rov. 3.5 tot en met 3.7, en opnieuw rechtdoende zal het hof de tegenvorderingen van [verweerder] afwijzen, met uitzondering van de kosten van vervanging van het deurslot (€ 278,30) (zie rov. 6.3 van het tussenarrest);- voor het overige zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen (dat wil zeggen: wat betreft de door de rechtbank afgewezen vergoeding van vertragingsschade (€ 15.444,00), en de afgewezen vergoeding van de schade aan de voordeur (€ 3.194,40) (zie rov. 6.3 van het tussenarrest).
2.19.
Het hof ziet in de omstandigheid dat partijen over en weer in het (on)gelijk worden gesteld aanleiding de proceskosten tussen partijen in beide instanties te compenseren.
3. Beslissing
Het hof:
in het principaal hoger beroep en in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep
3.1.
vernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 april 2023,
en opnieuw rechtdoende:
in conventie:
- veroordeelt [verweerder] aan Robouma een bedrag van € 5.691,08 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 4 mei 2021;
- wijst af wat meer of anders is gevorderd;
in reconventie:
- veroordeelt Robouma aan [verweerder] een bedrag van € 278,30 te betalen;
- wijst af wat meer of anders is gevorderd;
3.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen zowel in eerste aanleg in conventie en in reconventie als in principaal en incidenteel hoger beroep, in die zin dat Robouma en [verweerder] ieder de eigen kosten dragen;
3.3.
verklaart de veroordelingen tot betaling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mr. R.A. van der Pol, J.I. de Vreese-Rood en J.N. de Blécourt en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.
Uitspraak 28‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Mondeling overeengekomen aannemingsovereenkomst. Geen overeenkomst op regiebasis of tegen een vaste prijs of richtprijs. Opdrachtgever is een redelijke prijs verschuldigd (artikel 7:752 lid 1 BW). Volgt aktewisseling.
Partij(en)
GERECHTSHOF DEN HAAG
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.331.411/01
Zaaknummer rechtbank : 618572 / HA ZA 21-428
Arrest van 28 januari 2025
in de zaak van
Robouma B.V.,
gevestigd in Ridderkerk,
appellante in principaal hoger beroep,
verweerster in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. R.F. van Leeuwen, kantoorhoudend in Rotterdam,
tegen
[verweerder] ,
wonend in [woonplaats],
verweerder in principaal hoger beroep,
appellant in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. H.W. ten Katen, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof zal partijen hierna noemen Robouma en [verweerder].
1. De zaak in het kort
1.1.
Partijen hebben mondeling een overeenkomst van aanneming van werk gesloten. Partijen verschillen van mening over de vraag of een overeenkomst op regiebasis (volgens Robouma) of tegen een vaste prijs of richtprijs (volgens [verweerder]) is overeengekomen.
1.2.
Het hof is van oordeel dat in dit geval niet is komen vast te staan dat een vaste prijs of richtprijs is overeengekomen, noch dat een overeenkomst op regiebasis met een vast uurtarief is overeengekomen, zodat [verweerder] een redelijke prijs voor het werk verschuldigd is (artikel 7:752 lid 1 BW).
2. Procesverloop in hoger beroep
2.1.
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:
- -
de dagvaarding van 14 juli 2023, waarmee Robouma in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 april 2023;
- -
het arrest van dit hof van 12 september 2023, waarbij een mondelinge behandeling is gelast;
- -
het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 november 2023, en de daarin genoemde akte van [verweerder], met productie 1;
- -
de memorie van grieven van Robouma;
- -
de memorie van antwoord en voorwaardelijke memorie van grieven in incidenteel appel van [verweerder], met één productie;
- -
de memorie van antwoord in incidenteel appel van Robouma, met twee producties.
2.2.
Op 9 oktober 2024 heeft een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgehad, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Zowel mr. Van Leeuwen, namens Robouma, als mr. Ten Katen, namens [verweerder], hebben tijdens de zitting spreekaantekeningen voorgedragen. De spreekaantekeningen zijn aan het procesdossier toegevoegd.
2.3.
Op 15 januari 2025 heeft mr. Ten Katen de spreekaantekeningen van mr. De Jong van de zitting bij de rechtbank aan de griffie van het hof (en mr. Van Leeuwen) gezonden. Ook deze spreekaantekeningen zijn aan het procesdossier toegevoegd.
2.4.
Ten slotte is een datum voor arrest bepaald.
3. Feitelijke achtergrond
3.1.
Tussen [verweerder] als opdrachtgever en Robouma als aannemer is mondeling een overeenkomst van aanneming van werk gesloten voor de verbouwing van de door [verweerder] op 15 mei 2020 gekochte woning aan [adres] (hierna te noemen: de woning).
3.2.
Er is geen schriftelijk overeenkomst getekend, noch is er een tussen partijen vaststaande specificatie van de te verrichten werkzaamheden voorhanden. Een offerte en een opdrachtbevestiging ontbreken eveneens.
3.3.
Robouma is op 25 mei 2020 aangevangen met het in opdracht van [verweerder] verbouwen en renoveren van de woning.
3.4.
Robouma heeft zes facturen aan [verweerder] gestuurd voor een bedrag van totaal € 105.948,58, inclusief btw. [verweerder] heeft daarvan een bedrag van € 68.054,00 betaald. De slotfactuur van 2 april 2021, ter hoogte van € 35.724,58 inclusief btw (€ 29.524,45 excl. btw), heeft [verweerder] niet aan Robouma betaald.
3.5.
Op 30 maart 2021 heeft Robouma een offerte aan [verweerder] gezonden waarin, voor zover hier relevant, het volgende is vermeld:
“[…] betreft: resterende werkzaamheden [adres] fam [verweerder] […]
totaal arbeid + materiaal excl 21% btw € 27340,44 […]”
3.6.
Begin april 2021 heeft [verweerder] aan Robouma kenbaar gemaakt geen gebruik meer te willen maken van de diensten van Robouma.
3.7.
Bij brief van 4 mei 2021 heeft [verweerder] de tussen partijen gesloten overeenkomst ontbonden.
4. Procedure bij de rechtbank
4.1.
Robouma heeft [verweerder] gedagvaard en gevorderd, samengevat, [verweerder] te veroordelen om aan haar te betalen:
I. een bedrag van € 37.824,58, te vermeerderen met wettelijke rente;
II. een bedrag van € 1.395,43 wegens vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten;
III. de proceskosten en nakosten.
4.2.
[verweerder] heeft op zijn beurt gevorderd (in reconventie), samengevat en na wijziging van eis, Robouma te veroordelen om aan hem te betalen:
I. een bedrag van € 33.081,93 indien het een vaste aanneemsom betreft, danwel;
II. een bedrag van € 24.135,94 indien het een richtprijs betreft, plus;
III. een bedrag van € 20.913,20 voor de overige schade (bestaande uit: € 15.444,00 wegens vertragingsschade, € 1.996,50 wegens herstelkosten, € 3.194,40 wegens het moeten vervangen van de voordeur, en € 278,30 wegens vervanging van het deurslot);
IV. de proceskosten en nakosten.
4.3.
Na getuigen te hebben gehoord heeft de rechtbank bij eindvonnis geoordeeld dat [verweerder] is geslaagd in het bewijs van een overeenkomst met een richtprijs van € 70.000,00. De rechtbank heeft [verweerder] in conventie veroordeeld om een bedrag van € 14.588,08 (te vermeerderen met wettelijke rente) aan Robouma te betalen. Dit bedrag bestaat uit € 8.947,00 terzake van het verschil tussen het betaalde bedrag en de overeengekomen richtprijs, en € 2.024,74 en € 3.616,34 voor meerwerk ten aanzien van de inmeting en plaatsing van een trap, respectievelijk ten aanzien van de huur van containers. In reconventie is Robouma veroordeeld om een bedrag van € 33.190,83 aan [verweerder] te betalen, als vergoeding van de schade die [verweerder] heeft geleden, met name doordat Robouma weigerde de in de offerte opgenomen werkzaamheden binnen de overeengekomen richtprijs uit te voeren. De proceskosten heeft de rechtbank tussen partijen gecompenseerd.
5. Vorderingen in hoger beroep
5.1.
Robouma is onder aanvoering van drie grieven in hoger beroep gekomen. Zij vordert dat het hof het bestreden vonnis vernietigt, haar oorspronkelijke vordering alsnog toewijst en de tegenvordering van [verweerder] afwijst.
5.2.
In het principaal hoger beroep concludeert [verweerder] tot bekrachtiging van het vonnis. In voorwaardelijk incidenteel hoger beroep – dat wil zeggen in het geval het principaal hoger beroep van Robouma slaagt en sprake zou zijn van een regieopdracht – voert zij verschillende bezwaren aan tegen het tussenvonnis van 9 februari 2022 en concludeert zij tot afwijzing van de vorderingen van Robouma.
6. Beoordeling in hoger beroep
6.1.
Centraal staat de vraag welke prijs [verweerder] moet betalen voor de door Robouma uitgevoerde verbouwingswerkzaamheden, die zij heeft verricht op basis van de tussen partijen gesloten overeenkomst van aanneming van werk. Volgens Robouma is sprake van een regieafspraak waarbij een tarief per uur is overeengekomen (met materiaalkosten en een opslag van 10%), terwijl volgens [verweerder] partijen een vaste prijs, althans een richtprijs, zijn overeengekomen.
De omvang van het hoger beroep
6.2.
Het hof stelt vast dat [verweerder] zijn tegenvordering op Robouma voor zover die op de grondslag van ondeugdelijk werk is gebaseerd, heeft ingetrokken (na wijziging van eis in de procedure bij de rechtbank). Dat betekent dat de tegenvordering ter hoogte van een bedrag van € 1.996,50 wegens herstelkosten, buiten het bereik van deze procedure in hoger beroep valt. De tegenvordering voor zover die is gebaseerd op de gestelde prijsafspraak heeft [verweerder] gehandhaafd.
6.3.
Het hof stelt daarnaast ook vast dat geen van partijen grieven heeft gericht tegen de volgende oordelen van de rechtbank, zodat dit tussen partijen vast staat en daarmee buiten het bereik van het hoger beroep valt:
- -
dat [verweerder] de gemaakte kosten voor de trap (€ 2.074,74; rov. 2.16 van het eindvonnis) en de kosten voor de huur van containers (€ 3.616,34; rov. 2.18 van het eindvonnis) en de kosten van de vervanging van het deurslot (€ 278,30; rov. 4.18 van het tussenvonnis en 2.31 van het eindvonnis) aan Robouma moet betalen;
- -
dat de tegenvordering van [verweerder] tot vergoeding van vertragingsschade (€ 15.444,00; rov. 2.26 van het eindvonnis) niet toewijsbaar is;
- -
dat [verweerder] niet is geslaagd in het bewijs dat de trap die de heer [betrokkene] heeft gegeven tegen de voordeur van de woning zodanige schade (€ 3.194,40) heeft aangericht aan de deur en de deurpost dat deze beide vervangen moesten worden (rov. 2.27 van het eindvonnis).
6.4.
Robouma betwist dat partijen een vaste prijs, althans een richtprijs zijn overeengekomen van € 70.000,00 inclusief btw (feitelijke een vaste prijs van € 77.000,00). Haar grieven zijn gericht tegen het oordeel dat [verweerder] is geslaagd in het bewijs op dit punt (grief I), dat sprake is van een vast prijs c.q. een richtprijs (grief II), en dat zij de schade van [verweerder] moet betalen (grief III). Volgens Robouma zijn partijen een overeenkomst op regiebasis, tegen betaling van een vast uurtarief, overeengekomen. Zij stelt dat de tussen partijen gemaakte afspraak erop neerkomt dat zij op basis van regie werkzaamheden zou verrichten onder de volgende voorwaarden:
- per gewerkt uur: een tarief van € 32,50 exclusief btw;
- met doorbelasting van geleverde bouwmaterialen, dat wil zeggen: inkoop-groothandelsprijs vermeerderd met 10%.
Robouma vordert daarom ook in hoger beroep betaling van een bedrag van € 35.724,58 (de slotfactuur) en betaling van een bedrag van € 2.100,00 (wegens niet betaalde btw).
6.5.
[verweerder] voert daarentegen – kort gezegd – aan dat sprake is van een vaste prijs, althans een richtprijs, en dat hij is geslaagd in de door de rechtbank aan hem gegeven bewijsopdracht.
Bewijslastverdeling
6.6.
Op Robouma rust op grond van artikel 150 Rv in beginsel de stelplicht en de bewijslast dat een overeenkomst op regiebasis tussen partijen is overeengekomen (zoals hiervoor onder rov. 6.4 bedoeld) tegen een uurtarief van € 32,50 en dat haar uit dien hoofde nog een bedrag van € 37.824,58 toekomt, nu zij zich op het rechtsgevolg van die stellingen beroept.
6.7.
Omdat [verweerder] bij wijze van verweer stelt dat geen overeenkomst op regiebasis maar op basis van een vaste prijs, althans in elk geval een richtprijs, is overeengekomen dient hij – zoals ook de rechtbank terecht als uitgangspunt heeft genomen – die vaste prijs van € 70.000,00 te bewijzen.
- geen regiebasis met uurtarief (Robouma)
6.8.
Robouma stelt dat tussen partijen mondeling een overeenkomst van aanneming van werk op regiebasis met een uurtarief van € 32,50 is overeengekomen, maar heeft niet – in de processtukken noch tijdens de zitting bij het hof – concreet uit de doeken gedaan, hoe, waar en wanneer dit precies met [verweerder] zou zijn afgesproken. Het had als professionele aannemer die een aannemingsovereenkomst sluit met een consument, op haar weg gelegen om die duidelijkheid te verschaffen, maar dat heeft zij niet gedaan. De gestelde afspraak is niet vastgelegd en correspondentie waaruit de juistheid van de door Robouma gestelde afspraak zou kunnen worden afgeleid ontbreekt. Het hof kan bij gebreke van voldoende concrete feiten en omstandigheden dus niet vaststellen of Robouma het gerechtvaardigde vertrouwen heeft mogen hebben dat de door haar gestelde regieovereenkomst met een uurtarief van € 32,50 tot stand is gekomen. De eenzijdige vastlegging door haar van bepaalde uren (onder vermelding van een uurtarief) en materiaalkosten in wat zij de “urenoverzichten” noemt (productie 2 bij de dagvaarding) en de op 30 maart 2021 verzonden offerte, is in dat verband onvoldoende omdat dit niets zegt over de gerechtvaardigdheid van de verwachting van Robouma ten tijde van het aangaan van de overeenkomst van aanneming van werk, nog daargelaten of gelet op het onduidelijke karakter van de stukken (zie ook rov. 6.16) die verwachting ook voor [verweerder] duidelijk had moeten zijn.
6.9.
Dat betekent dat niet kan worden vastgesteld dat tussen partijen een overeenkomst van aanneming van werk op regiebasis en met een uurtarief van € 32,50 tot stand is gekomen. De verwijzing door [verweerder] naar artikel 3 lid 1 van EU-Richtlijn 93/13, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2011/83 kan bij die stand van zaken verder onbesproken blijven.
- geen vaste prijs of richtprijs ([verweerder])
6.10.
Het hof is van oordeel dat evenmin is komen vast te staan dat partijen een vaste prijs, althans een richtprijs, van € 70.000,00 inclusief btw zijn overeengekomen.
6.11.
Alle (getuigen)verklaringen in onderlinge samenhang beschouwd, wijzen er naar het oordeel van het hof op dat partijen het voorafgaand aan de aankoop van de woning hebben gehad over het budget van [verweerder] en dat [verweerder] (en zijn vriendin en ouders) dit budget vervolgens gedurende de uitvoering van het werk herhaaldelijk onder de aandacht van Robouma (en [loodgieter]) hebben gebracht. De verklaringen van de getuigen zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende om te kunnen vaststellen dat de gestelde vaste prijsafspraak is gemaakt, althans een richtprijs van € 70.000,00 inclusief btw is overeengekomen. Daartoe wordt het volgende overwogen.
6.12.
[verweerder] is niet steeds consistent in zijn verklaringen met betrekking tot het moment waarop overeenstemming zou zijn bereikt over de gestelde prijsafspraak. Zo heeft hij tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank verklaard dat Robouma – bij monde van [betrokkene] – hem enkele dagen na 4 februari 2020 heeft gebeld met de mededeling dat hij het voor € 70.000,00 kon doen. Als getuige heeft [verweerder] juist verklaard dat hij en [betrokkene] op ”een gegeven moment” een gesprek hadden ”bij mijn werkplaats en zijn opslagplaats” en dat [betrokkene] toen heeft gezegd ”dat het 70.000 euro zou moeten kosten”. Beide verklaringen zijn niet met elkaar te rijmen.
6.13.
Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft [verweerder] geen antwoord kunnen geven op de vraag waarom hij twee verschillende verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot het moment waarop overeenstemming over de gestelde prijsafspraak zou zijn bereikt. Dat draagt niet bij aan de overtuigende kracht van zijn verklaring. De verklaringen van [verweerder] overtuigen het hof er daarom niet van dat voor of bij het aangaan van de overeenkomst van aanneming van werk een vaste prijsafspraak is gemaakt waarbij Robouma zich heeft verbonden het budget van € 70.000,00 niet te zullen overschrijden.
6.14.
Ook de verklaring van [verweerder] dat hij zijn budget vanaf het begin (dat wil zeggen: ook tijdens de bezichtigingen van twee andere woningen) aan Robouma heeft kenbaar gemaakt, overtuigt niet. Zelfs wanneer het budget van [verweerder] voor Robouma duidelijk was, betekent dit nog niet dat voor of bij het aangaan van de overeenkomst van aanneming van werk sprake is geweest van dusdanig concrete uitlatingen van Robouma, dat [verweerder] daaruit mocht afleiden dat Robouma het werk (dat op dat moment nog niet voldoende kon worden bepaald), binnen dit (verbouwings)budget kon realiseren. Ook betekent dit niet dat [verweerder] er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat Robouma het door hem genoemde budget niet zou overschrijden. Een dergelijk gerechtvaardigd vertrouwen kon [verweerder], anders dan hij stelt, in dit geval ook niet ontlenen aan een door Robouma, volgens diens verklaring, tijdens de bezichtiging gegeven ‘ruwe inschatting’ van de te verwachten kosten. De omstandigheid dat bepaalde werkzaamheden nog afhankelijk waren van later nog door [verweerder] te maken keuzes (in elk geval wat betreft de te realiseren indeling en aanbouw), draagt bij aan dit oordeel. De details van de uit te voeren werkzaamheden zijn namelijk pas later (na de sloopwerkzaamheden en – zoals [verweerder] heeft verklaard - vanuit een “blank canvas”) gedurende de uitvoering van het werk, door partijen besproken, zoals het “Frans balkonnetje”.
6.15.
De andere (getuigen)verklaringen die schriftelijk en in de procedure bij de rechtbank zijn afgelegd, voegen onvoldoende toe. Uit de verklaringen van de vriendin van [verweerder], zijn ouders en loodgieter [loodgieter] blijkt namelijk niet dat deze getuigen voldoende zicht hadden op de omvang van de door Robouma te verrichten werkzaamheden aan de woning. Géén van de getuigen is er bovendien bij aanwezig geweest toen de gestelde prijsafspraak zou zijn gemaakt.
6.16.
Het feit dat de “urenoverzichten” van Robouma (productie 2 bij dagvaarding in eerste aanleg) het woord “aanneemsom” vermelden, is – op zich of in samenhang met de hiervoor besproken stellingen – ook onvoldoende om de door [verweerder] gestelde vaste aanneemsom aan te nemen. De overzichten noemen onder dit kopje immers ook gewerkte uurprijzen en een uurtarief, hetgeen juist niet duidt op een vaste aanneemsom. Al met al zijn de “urenoverzichten” te onduidelijk om daar conclusies aan te verbinden. Uit de opmaak van deze urenoverzichten blijkt naar het oordeel van het hof dat het om niet meer gaat dan een ingevulde ‘template’ waaraan niet zonder meer de door [verweerder] (of Robouma zie rov. 6.8) bepleite betekenis toekomt.
6.17.
Dit alles leidt tot de conclusie dat [verweerder] niet is geslaagd in het bewijs van de door hem gestelde vaste prijs, althans richtprijs, zodat deze niet is komen vast te staan. De daarop gerichte grieven van Robouma slagen.
- [verweerder] moet een redelijke prijs betalen
6.18.
Uit de omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld dat – zoals Robouma stelt – tussen partijen een regieovereenkomst is gesloten op basis van een uurtarief van € 32,50 en ook de door [verweerder] gestelde vaste prijs of richtprijs niet is komen vast te staan, volgt dat voor de bepaling van de door [verweerder] aan Robouma voor de verrichte werkzaamheden verschuldigde prijs aansluiting moet worden gezocht bij het bepaalde in artikel 7:752 lid 1 BW. Op grond van deze bepaling is, wanneer de prijs bij het sluiten van de overeenkomst niet is bepaald, een redelijke prijs verschuldigd door de opdrachtgever. [verweerder] dient dus een redelijke prijs aan Robouma te betalen voor de door haar uitgevoerde werkzaamheden.
6.19.
Uit de stellingen van Robouma leidt het hof af dat zij van mening is dat het totaal van de door haar gefactureerde bedragen een redelijke prijs is voor het door haar uitgevoerde werk. Robouma verwijst ter onderbouwing naar de door haar aan [verweerder] gezonden facturen en de door haar opgestelde urenoverzichten, waarin de uitvoeringskosten zijn gespecificeerd. Robouma voert verder aan dat [verweerder] de facturen (met uitzondering van de slotfactuur) na ontvangst daarvan niet heeft betwist en dat hij bij ontvangst van de aan hem verstrekte urenoverzichten ook niet heeft geprotesteerd tegen het daarin genoemde uurtarief. Wat daarvan ook zij, dit neemt niet weg dat [verweerder] in deze procedure heeft betoogd dat hij deze urenoverzichten (behalve het overzicht dat hem op 17 augustus 2020 is toegezonden) niet kent en dat hij de specificatie onbegrijpelijk vindt. Volgens [verweerder] is de specificatie onbegrijpelijk, omdat daaraan geen urenoverzichten van ingeschakeld personeel en geen inkoopfacturen van ingekochte materialen zijn gehecht. Daarom zijn deze overzichten, zo voert [verweerder] aan, door hem niet te beoordelen.
6.20.
Bij het bepalen van een redelijke prijs is van belang welke werkzaamheden zijn verricht en welke materialen zijn gebruikt. Ook dient rekening te worden gehouden met door de aannemer ten tijde van het sluiten van de overeenkomst gewoonlijk bedongen prijzen en met de door haar ter zake van de vermoedelijke prijs gewekte verwachtingen. In uitzonderingssituaties kunnen ook overige omstandigheden een rol spelen. Het is in beginsel aan de aannemer om te stellen (en vervolgens te bewijzen) wat de exacte omvang van de werkzaamheden was en te bewijzen dat de door haar gevorderde prijs redelijk is.
6.21.
Het partijdebat over de vraag wat in dit geval een redelijke prijs als bedoeld in artikel 7:752 lid 1 BW is voor de door Robouma verrichte werkzaamheden is tussen partijen nog niet gevoerd. Het hof zal partijen daarom in de gelegenheid stellen hun stellingen ten aanzien van de vraag wat volgens hen in dit geval een redelijk prijs is voor de door Robouma verrichte werkzaamheden, bij akte nader toe te lichten:
- Robouma zal eerst in de gelegenheid worden gesteld om de door haar in de procedure gebrachte facturen en urenoverzichten gedetailleerd en onderbouwd met stukken (voor zover aanwezig) toe te lichten, aan de hand waarvan inzichtelijk wordt gemaakt:
o welke werkzaamheden zij heeft verricht;
o welke materialen daarbij door haar (of onderaannemers) zijn gebruikt, en;
o welke kosten zij daarvoor in rekening heeft gebracht bij [verweerder].
- [verweerder] zal daarna in de gelegenheid worden gesteld om op deze toelichting van Robouma te reageren.
6.22.
Indien partijen aanleiding zien om alsnog onderling een regeling te beproeven ter beëindiging van hun geschil, kunnen zij dat ook in voornoemde akten aan het hof kenbaar maken.
6.23.
Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.
7. Beslissing
Het hof:
in het principaal hoger beroep en in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep
7.1.
verwijst de zaak naar de (rol)zitting van 25 februari 2025 voor het nemen van een akte door Robouma, met het hiervoor onder rov. 6.21 en 6.22 vermelde doel, waarna de zaak zal worden verwezen naar de (rol)zitting van vier (4) weken daarna, voor het nemen van een antwoordakte door [verweerder];
7.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, J.I. de Vreese-Rood en J.N. de Blécourt en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2025.