Medezeggenschap en de spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht
Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/2.6:2.6 Conclusie
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/2.6
2.6 Conclusie
Documentgegevens:
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS486215:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Eind negentiende eeuw begon, voor het eerst bij verlichte geesten als de Delftse ondernemer Van Marken, het besef te ontstaan dat ten opzichte van werknemers een morele gehoudenheid bestond hen, anders dan alleen als arbeidskrachten, te betrekken bij de onderneming waar zij werkzaam waren. Desondanks duurde het nog ruim een halve eeuw voor met de Wet op de ondernemingsraden een regeling het licht zag die in brede zin invulling gaf aan medezeggenschap van werknemers. Afgevaardigden van hen in een ondernemingsraad zouden betrokken gaan worden bij beleids- en besluitvorming, om daarmee de gang van zaken in de onderneming te beïnvloeden. Het behartigen van de belangen van werknemers als een van de vele, uiteenlopende belangen die een rol spelen bij de totstandkoming van beleid en besluiten, is niet alleen een rechtsgrond om medezeggenschapsrechten aan werknemers toe te kennen, belangenbehartiging is ook een belangrijk doel daarvan.Omgekeerd zie we dat betrokkenheid van de door de ondernemingsraad vertegenwoordigde werknemers bij beleids- en besluitvorming leidt tot een vergroting van het draagvlak van beleid en besluiten, hoe vervelend soms ook, hetgeen vanuit ondernemersperspectief een belangrijke toegevoegde waarde van medezeggenschap vormt.
Als beïnvloeding plaats vindt door het voeren van overleg, het geven van advies dan wel het verlenen van instemming aangaande beleid en besluiten, dan spreken we van directe medezeggenschap. Bij beïnvloeding door middel van betrokkenheid bij de samenstelling van organen van de ondernemer die op hun beurt bij vaststelling van beleid en besluiten betrokken zijn, gaat het om indirecte zeggenschap. Een tot op zekere hoogte vergelijkbaar onderscheid dat wordt gemaakt betreft dat tussen medezeggenschap ‘aan de voet’, die vorm is gegeven in de Wet op de ondernemingsraden, en medezeggenschap ‘aan de top’ of ‘via de top’, die is vervat in de bepalingen betreffende de structuurregeling in Boek 2 BW.
In de geest van eendracht die in de jaren na de Tweede Wereldoorlog in Nederland rondwaarde, kenmerkte de ondernemingsraad in de Wet van 1950 zich hoofdzakelijk als een orgaan van samenwerking; belangenbehartiging speelde nog slechts een bescheiden rol. Sprekend was dat de bestuurder en de gekozen afgevaardigden van de werknemers tezamen de ondernemingsraad vormden. Pas in de jaren zestig tekende zich de kentering af dat het behartigen van de specifieke belangen van werknemers een prominentere rol ging spelen. Enerzijds leidde dat in 1971 tot een aanzienlijke uitbreiding van de bevoegdheden van de ondernemingsraad, anderzijds resulteerde dat er in dat de bestuurder van de onderneming vanaf 1979 geen lid meer van de raad was; het overleg tussen bestuurders en de ondernemingsraad ‘nieuwe stijl’ vindt sindsdien plaats in de daartoe in het leven geroepen overlegvergadering. Aldus ging het dualistische karakter van de ondernemingsraad als overlegorgaan en als orgaan dat de werknemers vertegenwoordigt en met name hun belangen behartigt definitief verloren. Daarmee werd overigens geen afbreuk gedaan aan het bredere belang van de onderneming dat met de instelling van de ondernemingsraad gediend wordt (vgl. art. 2 lid 1 WOR) en aan het feit dat de ondernemingsraad er verstandig aan doet dit bredere belang in zijn overwegingen te betrekken. Eveneens in 1979 werd de ondernemingsraad met de invoering van het beroepsrecht (art. 26 WOR) een belangrijk rechtsmiddel toegekend om nakoming af te dwingen van zijn adviesrecht (art. 25 lid 1 WOR). Indien we tenslotte in ogenschouw nemen dat het de bedoeling is dat overleg over de algemene gang van zaken van de onderneming sindsdien plaats vindt in aanwezigheid van een of meer commissarissen van de vennootschap, dan wel van een of meer bestuurders van de aandeelhouder( s), dan is de stelling gerechtvaardigd dat de ondernemingsraad in de jaren zeventig volwassen is geworden, en zich niet meer laat wegdenken uit grotere ondernemingen.