Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/2.7
2.7 Rechtswaarborgen III: bewijs, bewijsuitsluiting en verdedigingsrechten
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 6 december 1988, Series A vol. 146 (Barberá, Messegué and Jabardo).
EHRM 7 oktober 1988, NJ 1991/351 (Salabiaku).
EHRM 8 oktober 2002, EHRC 2002/104 (Beckles). In deze zaak had de rechter bij de instructie van de jury een grens overschreden.
EHRM 8 februari 1996, NJCM-Bulletin, p. 706 (Murray) en 8 april 2004, no. 38544/97 (Weh), par. 46.
EHRM 20 maart 2001, no. 33501/96 (Telfner).
Albers, Rechtsbescherming bij bestuurlijke boeten. Balanceren op een magische lijn? (2002), p. 129.
Zie in dit verband het vergelijkbare aanvullende bewijs in EHRM 23 april 1997, NJ 1997/635 (Van Mechelen), welke zaak verderop wordt besproken.
Zie bijvoorbeeld EHRM 23 juni 2009, no. 15737/02 (Ongiin).
EHRM 18 maart 1997, JB 1997/112 (Mantovanelli), par. 33.
Onder meer EHRM 27 maart 1998, JB 1998/92 (J.J.).
EHRM 11 juli 2006, EHRC 2006/118 (Jalloh), par. 96, en 11 december 2008, EHRC 2009/9 (Panovits), par. 82. Zie vergelijkbaar eerder EHRM 12 mei 2000, NJ 2002/180 (Khan), par. 35 en 37, en 5 november 2002, NJ 2004/262 (Allan), par. 43.
Het begrip getuigen moet ruim worden uitgelegd in de context van art. 6 lid 3 EVRM. Het gaat niet alleen om getuigen ter zitting, maar ook om de verklaringen die zijn opgenomen in het politieonderzoek en als bewijs worden gebruikt. Zie onder meer EHRM 5 april 2005, NJ 2005/551 (Scheper).
EHRM 20 november 1989, 50 jaar EVRM, NJCM-Bulletin 2000/1, p. 118-121 (Kostovski).
EHRM 23 april 1997, NJ 1997/635 (Van Mechelen).
EHRM 26 maart 1996, NJ 1996/741 (Doorson). In die zaak waren er naast de anonieme getuigen nog twee bekende getuigen en had de raadsman de anonieme getuigen voldoende kunnen bevragen. Bovendien had de verdachte ter zitting erkend dat de foto die de anonieme getuigen hadden herkend inderdaad een foto van hem was.
Deze gegevens zijn ontleend aan de noot van Spronken bij EHRM 20 november 1989, 50 jaar EVRM, NJCM-Bulletin 2000/1, p. 118-121 (Kostovski).
EHRM 4 juli 2000, EHRC 2000/71 (Mink K.).
EHRM 10 november 2005, NJ2005/551 (Bocos-Cuesta), par. 69. Zie ook eerder EHRM 2 juli 2002, NJ 2003/671 (S.N.).
EHRM 10 november 2005, NJ 2005/551 (Bocos-Cuesta), par. 71.
EHRM 24 april 2007, no. 14152/02 (W).
EHRM 2 juli 2002, NJ 2003/671 (S.N.).
De Wilde, 'Compensatie voor het uitblijven van een gelegenheid om een minde/jarig slachtoffer als getuige te ondervragen', NJCM-Bulletin, 2009/5, p. 495-511. In HR 6 juli 2010, NJB 2010/1553 oordeelde de Hoge Raad overigens dat het gerechtshof gelet op art. 6 EVRM te snel had aangenomen dat de gezondheid of welzijn van de getuige, het minde/jarige slachtoffer van een zedendelict, maakte dat er van afgezien diende te worden haar op te roepen. De algemene notie dat herhaalde ondervraging voor het minde/jarige slachtoffer (opnieuw) een traumatische ervaring zou kunnen opleveren was in dit verband onvoldoende.
EHRM 5 april 2005, NJ 2005/551 (Scheper).
Zie daarover Plooy, 'Toezeggingen aan getuigen in strafzaken — de rechtsstaat in het geding?' en Buruma, 'Deals met criminelen — antwoord aan een bedreigde officier', beiden in: Trema 2004/5, p. 185-200.
EHRM 27 januari 2004, no. 44484/98 (Lorsé).
EHRM 27 januari 2004, no. 54445/00 (Verhoek).
EHRM 12 mei 2000, NJ 2002/180 (Khan), par. 34; en 5 november 2002, NJ 2004/262 (Allan), par. 42.
EHRM 11 december 2008, EHRC 2009/9 (Panovits), par. 81. Deze overweging doet herinneren aan EHRM 23 november 2006, AB 2007/51 (Jussila).
EHRM 5 november 2002, NJ 2004/262 (Allan). De nationale rechter meende dat de verklaringen van de informant mochten worden gebruikt, maar benadrukte wel bij de instructie dat de jury bij de weging van de betrouwbaarheid van de verklaring in ogenschouw diende te nemen dat de informant een beroepscrimineel was die kennelijk belang had bij zijn verklaring.
EHRM 11 december 2008, EHRC 2009/9 (Panovits), par. 86. Zie in vergelijkbare zin EHRM 27 november 2008, no. 36391/02 (Salduz), par. 57-58; 23 juni 2009, no. 15737/02 (eingiin), par. 34-35 en 24 september 2009, no. 7025/04 (Pishchalkinov), par. 91.
EHRM 11 juli 2006, EHRC 2006/118 (Jalloh). Het toegediende braakmiddel was niet zonder risico's en de betrokkene werd ook daadwerkelijk ziek.
In EHRM 7 oktober 2008, NJCM-Bulletin 2009/4, p. 428 (Bogumil) werd het zonder informed consent operatief verwijderen van een bolletje cocaïne wel geoorloofd geacht. Hier was geen strijd met de art. 3 en 8 EVRM omdat de operatie was verricht om het leven van de aangehouden drugskoerier te redden, terwijl de operatie juist was uitgevoerd.
Onderdeel 6 van zijn noot bij EHRM 30 juni 2008, NJ 2009/20 (afgen).
EHRM 1 juni 2010, no. 22978/05 (afgen).
EHRM 1 juni 2010, no. 22978/05 (afgen), par. 180.
Zie Spronken, 'De staart van Salduz zwiept door Europa: laatste ontwikkelingen en de zaak Brusco', NbSr 2010/12, p. 908-910.
EHRM 9 juni 1998, Reports 1998-IV (Teixeira de Castro) en 5 februari 2008, NJ 2008/499 (Ramanauskas).
EHRM 5 februari 2008, NJ 2008/499 (Ramanauskas).
EHRM 5 februari 2008, NJ 2008/499 (Ramanauskas).
EHRM 16 april 2002, NJ 2003/452 (Colas Est).
EHRM 9 december 2004, EHRC 2005/11 (Van Rossem).
EHRM 12 juli 1988, no. 10862/84 (Schenk), par. 47-49. Zie meer recent het vergelijkbare EHRM 10 maart 2009, no. 4378/02 (Bykov).
EHRM 21 mei 2002, no. 39339/98 (M.M.).
EHRM 8 april 2003, no. 39339/98 (M.M.).
EHRM 23 maart 2006, EHRC 2006/80 (Van Vondel). Zie inzake deze ontvankelijkheidsbeslissing de paragraaf hiervoor.
EHRM 25 oktober 2007, NJ 2008/584 (Van Vondel), par. 49.
1-112 27 september 2005, NJ 2007/453.
1-112 10 februari 2009, NJ 2009/167.
EHRM 12 mei 2000, NJ 2002/180 (Khan).
Zie ook Barkhuysen, 'Het EVRM als integraal onderdeel van het Nederlandse materiële bestuursrecht', in: De betekenis van het EVRM voor het materiële bestuursrecht (2004), p. 69. Zie voorts de noot van Schalken bij HR 10 februari 2009, NJ 2009/167 en par. 10.2 van de conclusie van A-G Knigge, bij HR 30 juni 2009, LJN BH3079, LJN BH3081 en LJN BH3084.
EHRM 11 juli 2006, EHRC 2006/118 (Jalloh).
Zie voor een bespreking van deze wetgeving Bulterman, Financiële sancties. De totstandkoming en implementatie van financiële VN-sancties en hun gevolgen voor financiële instellingen (2003), hoofdstuk 4; Lugard, Sanctieregelgeving. De sanctiewet 1977 en de Regeling toezicht Sanctiewet 1977 in het algemeen en in het bijzonder voor trustkantoren', TvCo 2006/4; Snijder-Kuipers en Tilleman, 'Ken uw cliënt! Risicogeoriënteerde benadering in toekomstige Nederlandse anti-witwaswetgeving', JI3N 2008/13; Van der Wulp, 'Anti-terrorismefinanciering', in: Jaarboek Compliance 2008 (2008) en Stijnen, `Compliance en de poortwachterfunctie van trustkantoren' in: Compliance in het financieel toezichtrecht (2008).
Zie voor een korte beschrijving van het wetsvoorstel Rogier, 'De aanpak van criminaliteit en terrorisme; verschuiving van strafrecht naar bestuursrecht', in: Bestuursrechtelijke aanpak van terrorisme (2007), p. 35-36.
EHRM 8 februari 1996, NJCM-Bulletin 1996, p. 706 (Murray) en EHRM 6 juni 2000, EHRC 2000/63 (Magee). In laatstgenoemde uitspraak liet het Hof zich wel in die zin over de betrokken wetgeving uit door in het kader van de klacht dat ook art. 14 in verbinding met art. 6 EVRM was geschonden te oordelen dat de Noord-Ierse terrorismewetgeving ten opzichte van de anti-terrorisme wetgeving in Engeland en Wales niet-discriminerend was, omdat in (verschillende delen van) het Verenigd Koninkrijk op bepaalde terreinen niet altijd naar uniforme wetgeving werd gestreefd en omdat de verschillen hier aan de orde zijn gebaseerd op regionale verschillen en niet op afkomst.
EHRM 17 december 1996, J73 1997/80 (Saunders). Het agument dat de complexiteit van beursfraude en het publieke belang bij opsporing en vervolging van dergelijke fraude kunnen niet rechtvaardigen dat een verregaande inbreuk wordt gemaakt op het recht op een eerlijke procedure.
EHRM 29 november 1988, NJ 1989/815 (Brogan). De op zich legitieme wens om de maatschappij te beschermen tegen terrorisme kunnen niet een inbreuk rechtvaardigen op art. 5 lid 3 EVRM (het recht om bij vrijheidsberoving onverwijld voorgeleid te worden voor een rechter).
EHRM 21 december 2000, EHRC 2001/18 (Quinn), par. 59.
EHRM 29 juni 2006, EHRC 2007/13 (Weber and Saravia). Het kan wellicht enige verbazing wekken dat het Hof hier 156 paragrafen nodig heeft om de klachten manifestly ill-founded te verklaren.
EHRM 1 juli 2008, NJCM-Bulletin 2009/1, p. 42.
EHRM 10 maart 2009, no. 4378/02 (lorda.chi).
Op papier voldoet de Nederlandse wetgeving op het punt van de telefoontap (art. 126m en 126t Sv) wellicht nog wel, maar de praktijk suggereert dat er (te) weinig beperkingen worden gesteld. Aan Van der Wilt, 'Excessief gebruik van de telefoontap?', NJB 2009/2193, p. 2813-2819, onleen ik dat Nederland in de periode 1998-2008 aanzienlijk hoog scoort ten opzichte van een aantal andere landen, waaronder de Verenigde Staten, waar het gaat om het aantal telefoontaps (zowel relatief gemeten naar het aantal inwoners als in absolute zin) en dat de rechter-commissaris de vordering tot het afgeven van een machtiging voor een tapbevel door de officier van justitie slechts marginaal beoordeelt.
EHRM 2 september 2010, NJB 2010/1935.
EHRM 4 december 2008, NJCM-Bulletin 2009/4, p. 391 (S. and Marper).
EHRM 12 januari 2010, no. 4158/05 (Gillan en Quinton).
EHRM 27 juni 2000, no. 43286/98 (Echeverri Rodriguez).
Deze uitspraak is met een verkeerde jaartalvermelding opgenomen in NJ 20021102, met noot van Schalken.
EHRM 5 november 2002, NJ 2004/262 (Allan), par. 42.
Uit de hiervoor genoemde zaken Barberá, Messegué and Jabardo1 en Salabiaku2 bleek dat de bewijslast in enge zin op de vervolgende instantie berust, maar dat nationale wetgeving er in kan voorzien dat het aan de verdachte is om zich te beroepen op schulduitsluitingsgronden. Hoe verhoudt zich dit tot het zwijgrecht? Uit het enkele zwijgen van de verdachte zal gelet op de bewijslast van de overheid niet een veroordeling kunnen worden gebaseerd.3 Er zal dus voldoende bewijsmateriaal voorhanden moeten zijn dat vraagt om een uitleg door de verdachte, die in een positie is om de benodigde duidelijkheid te verschaffen. Indien de verdachte dan toch zwijgt mag de nationale rechter op basis van comon sense uit het zwijgen afleiden dat de verdachte geen ontlastende verklaring kan geven en derhalve schuldig is 4 Hieruit mag geen verschuiving van de bewijslast worden afgeleid, zo volgt uit de zaak Telfner.5 In die zaak was de klager veroordeeld vanwege het veroorzaken van een aanrijding terwijl het slachtoffer niet had gezien wie in de auto zat. Uit de omstandigheden dat de klager gewoonlijk in de auto van zijn moeder reed waarmee de aanrijding is veroorzaakt, hij niet thuis was tijdens en na de aanrijding, dat niemand kon verklaren waar hij was en de klager zweeg mocht de nationale rechter niet afleiden dat hij de aanrijding had veroorzaakt, aldus het Hof. In de overwegingen van het Hof speelde mee dat ook was gebleken dat de zuster van klager de auto eveneens gebruikte en dat de nationale rechter zonder enig bewijs veronderstelde dat de klager onder invloed verkeerde, hetgeen zeker afdoet aan de eis dat de rechter niet de schuld van de betrokkene mag veronderstellen. Waar Albers de motivering van de veroordeling door de nationale Oostenrijkse rechter ronduit stuitend achtte,6 heb ik daar, met uitzondering van de geopperde veronderstelling dat de klager onder invloed verkeerde, minder moeite mee. Ik meen dan ook dat het Hof een te strenge bewijsmaatstaf hanteert door indirect bewijs eigenlijk nimmer als toereikend te kwalificeren.7
Noch uit het verdrag noch uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kunnen bewijsregels worden afgeleid. De toetsing van het Hof is in het licht van art. 6 EVRM steeds gericht op de vraag of de procedure waarin de klager betrokken is geweest fair is geweest.8 Daarbij speelt hoor en wederhoor een grote rol. In Mantovanelli — overigens niet een zaak die een criminal charge betrof verwoordde het Hof dit als volgt:
'The Court notes that one of the elements of a fair hearing within the meaning of Article 6 para. 1 is the right to adversarial proceedings; each party must in principle have the opportunity not only to make known any evidence needed for his claims to succeed, but also to have knowledge of and comment on all evidence adduced or observations filed with a view to influencing the court' s decision (...). In this connection, the Court makes it clear at the outset that, just like observance of the other procedural safeguards enshrined in Article 6 para. 1, compliance with the adversarial principle relates to proceedings in a "tribunar; no general, abstract principle may therefore be inferred from this provision that, where an expert has been appointed by a court, the parties must in all instances be able to attend the interviews held by him or to be shown the documents he has taken into account. What is essential is that the parties should be able to participate properly in the proceedings before the "tribunal" (...).'9
Het verdedigingsbeginsel brengt met zich dat de klager op een hoorzitting zijn zaak kan bepleiten, het aangebrachte bewijs van de wederpartij moet kunnen betwisten en opinies van deskundigen moet kunnen betwisten. In dit verband is van belang dat hij ook zelf de getuigen of deskundigen kan bevragen. Hoor en wederhoor waar het om deskundigenrapportages gaat is vooral van belang indien de rechter voor het nemen van zijn beslissing geheel of grotendeels afhankelijk is van het oordeel van de deskundige. Het verdedigingsbeginsel brengt volgens het Europees Hof voorts met zich dat de conclusie van de advocaat-generaal door de verdachte moet kunnen worden becommentarieerd alvorens de Hoge Raad arrest wijst.10 Maar het Hof voegt daar aan toe:
`In addition, the quality of the evidence must be taken into consideration, including whether the circumstances in which it was obtained cast doubts on its reliability or accuracy. While no problem of fairness necessarily arises where the evidence obtained was unsupported by other material, it may be noted that where the evidence is very strong and there is no risk of its being unreliable, the need for supporting evidence is correspondingly weaker.'11
Het Europees Hof heeft een aantal uitspraken gewezen tegen Nederland inzake het gebruik van anonieme getuigen.12 In de zaak Kostovski was de Hoge Raad van oordeel dat art. 6 lid 3 EVRM niet meebracht dat geen beperkingen mochten worden gesteld aan de verplichting van getuigen om vragen betreffende de identiteit van personen te beantwoorden. Het Hof kwam in plenaire samenstelling echter tot het oordeel dat art. 6 EVRM was geschonden omdat hij geen fair trial had gehad.13 Het Hof oordeelde dat art. 6 lid 1 en lid 3 EVRM met zich brengen dat de verdachte op enig moment de gelegenheid moet krijgen om een belastende getuigenverklaring aan te vechten en daartoe de getuige zelf te bevragen. Dat de verdachte de ondervragende politiefunctionarissen en magistraten vragen mocht stellen en dat de getuige vreesde voor represailles kon daar niet aan afdoen. Het gaat hier aldus om het verdedigingsbeginsel dat in geding is en niet zozeer de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen. In de zaak Van Mechelen14 waren de verdachten van een ramkraak op een postkantoor waarbij een politiefunctionaris tijdens de daarop volgende schietpartij zwaar gewond raakte ontkomen, maar herkend door een aantal leden van het arrestatieteam. Die leden wilden uit angst voor represailles enkel anoniem getuigen. Het EHRM heeft ten eerste bedenkingen tegen de noodzaak van de anonimiteit omdat het hier gaat om politiefunctionarissen. Verder werden de verdedigingsrechten van de verdachten onvoldoende gegarandeerd. Doordat zij slechts via een telefoonverbinding vragen mochten stellen konden zij niet zelf de betrouwbaarheid van de getuigen beoordelen. In deze zaak was verder wel aanvullend bewijs voorhanden (bewijs van de overval zelf, de observatie dat de auto's die bij de overval waren gebruikt kort voor de overval het woonwagenkamp hadden verlaten en telefoontaps waaruit bleek dat de verdachten tijdens en na de overval niet thuis waren), maar het Hof vond toch dat het bewijs, anders dan in de zaak Doorson,15 in overwegende mate steunde op de anonieme getuigenverklaringen.16 Het Hof legt de lat hier hoog — wellicht te hoog — door enerzijds het gebruik van anonieme getuigen vrijwel onmogelijk te maken en anderzijds indirect bewijs erg snel te licht te achten. In de zaak Mink K. werd nadien wel toelaatbaar geacht dat een informant als bedreigde getuige werd afgeschermd van de verdediging. Van belang was dat de verdediging hem schriftelijk vragen kon stellen, dat de informant werd gehoord door de rechter-commissaris en dat er voldoende steunbewijs was.17
Het vorenstaande betekent overigens niet dat de verdediging een onbeperkt recht heeft om getuigen op te roepen en aan de tand te voelen. In de zaak Bocos-Cuesta oordeelde het Hof ten eerste dat van de klager mag worden gevergd dat hij gemotiveerd aangeeft waarom het noodzakelijk is een bepaalde getuige te kunnen ondervragen. Voorts overwoog het dat er op zich geen bezwaren zijn tegen het horen van getuigen in de opsporingsfase, mits er wel mogelijkheden geboden worden om die verklaringen aan te kunnen vechten, en dat er een afweging dient plaats te hebben tussen de belangen van de verdediging en de belangen van slachtoffers die als getuigen worden opgeroepen.
`In appropriate cases, principles of fair trial require that the interests of the defence are balanced against those of witnesses or victims called upon to testify. In this respect, the Court has had regard to the special features of criminal proceedings concerning sexual offences. Such proceedings are often conceived of as an ordeal by the victim, in particular when the later is unwillingly confronted with the defendant. These features are even more prominent in a case involving a minor. In the assessment of the question whether or not in such proceedings an accused received a fair trial, the victim' s interest must be taken into account. The Court, therefore, accepts that in criminal proceedings concerning sexual abuse certain measures may be taken for the purpose of protecting the victim, provided that such measures can be reconciled with an adequate and effective exercise of the rights of the defence. In securing the rights of the defence, the judicial authorities may be required to take measures which counterbalance the handicaps under which the defence labours (…).’18
Ondanks de hierboven geformuleerde mogelijkheden tot inperking van de verdedigingsrechten ter zake van het aan de tand voelen getuigen oordeelde het Hof dat in de zaak Bocos-Cuesta het recht op een fair trial was geschonden omdat de klager, die was beschuldigd van seksuele aanranding van vier jonge kinderen die hem allevier in een spiegelconfrontatie hadden aangewezen als de dader, op geen enkele wijze de mogelijkheid werd geboden de confrontatie met de kinderen aan te gaan. Het Hof was er, anders dan de nationale rechters, niet van overtuigd dat het voor kinderen onmogelijk was om de confrontatie met de beklaagde aan te gaan, nu geen deskundigenadvies was ingewonnen door de nationale rechter. De getuigenisssen van twee ouderen, die wel op zitting wilden getuigen, waren verder niet van zwaar gewicht, omdat die getuigen zelf de aanrandingen niet hadden gezien. Ook hier blijkt dus dat het Hof zich streng toont tegenover de inquisitoire trekken van ons strafprocesrecht:
`It is true that the trial courts undertook a careful examination of the statements taken from the children and gave the applicant ample opportunity to contest them, but this can scarcely be regarded as a proper substitute for a personal observation of a witness giving oral evidence.'19
In de Finse zaak W. waren de kinderen buiten de aanwezigheid van de verdediging verhoord. Ter zitting werden de video-opnamen van de verhoren getoond. De kinderen werden voorts onderworpen aan een psychologisch onderzoek, in welk verband door de psycholoog werd geconcludeerd dat hun verklaringen betrouwbaar waren. Verder verklaarde de moeder van twee van de slachtoffers dat hun gedrag was veranderd, terwijl de verdachte had bekend de kinderen wel eens op hun billen te hebben getikt, maar overigens ontkende de ontuchtige handelen te hebben gepleegd. Het verzoek van de verdachte om twee van de slachtoffers opnieuw te verhoren werd afgewezen omdat de moeder verdere ondervraging van de kinderen weigerde. De klacht werd door het EHRM gegrond verklaard. Nu de zaak afhing van de verklaring van de kinderen had de verdediging op enigerlei wijze de kans geboden moeten worden vragen aan de slachtoffers te stellen. In de woorden van het Hof:
`47. The children's statements as recorded on videotape during the pre-trial investigation and played back in the District Court and the Court of Appeal constituted virtually the sole evidence on which the courts' findings of guilt were based. The witnessen heard by the courts, the parents, had made no observations on the alleged acts and gave evidence only in respect of the perceived changes in the children's personality and on their reliability. The psychologist testified only about the reliability of the children's statements. In contrast to the case of S.N. v. Sweden, in the present case the applicant and his counsel had at no point been afforded an opportunity to have questions put to the children. 48. In these circumstances, the use of this evidence involved such limitations on the rights of the defence that the applicant cannot be said to have received a fair trial.' 20
In de in het citaat hiervoor aangehaalde Zweedse zaak S.N. betrof het eveneens misbruik van een kind waarbij het slachtoffer door de politie was verhoord buiten aanwezigheid van de verdediging. Van dat verhoor was een video-opname gemaakt. Voorts werd het verzoek van de verdediging om een tweede verhoor gehonoreerd. Dat tweede verhoor werd met instemming van de advocaat van de verdachte eveneens afgenomen buiten aanwezigheid van de verdediging. Bij dat verhoor, waarvan een audio-opname was gemaakt, werden de vragen van de verdediging naar tevredenheid van de verdediging beantwoord. De verklaringen van het kind werden betrouwbaar gevonden door de nationale rechters, zodat een veroordeling volgde. Het EHRM nam er vervolgens genoegen mee dat de klager niet rechtstreeks vragen had kunnen stellen aan het kind.21 Met De Wilde kan op grond van deze jurisprudentie van het Hof worden geconcludeerd dat waar het bewijs van ontucht met minderjarigen vooral steunt op de verklaringen van de kinderen en er dus onvoldoende steunbewijs voorhanden is, het niet aan de verdediging bieden van de mogelijkheid de slachtoffers ter zitting te ondervragen moet worden gecompenseerd door de verdediging op andere wijze in de gelegenheid te stellen vragen voor te leggen aan de slachtoffers.22
Waar voldoende steunbewijs voorhanden is zal niet snel worden aangenomen dat het niet kunnen ondervragen van slachtoffers in strijd is met het eerste en derde lid van art. 6 EVRM. In dit verband kan worden gewezen op de zaak Scheper.23 In deze Nederlandse zaak waarin drie straatprostituees in verschillende steden aangifte hadden gedaan van verkrachting had de verdediging verzocht de prositituees op te roepen. Hoewel de nationale rechter daar gehoor aan gaf bleken de vrouwen spoorloos. De man werd vervolgens veroordeeld, niet alleen op basis van de belastende verklaringen van de vrouwen tegenover de politie, maar voorts omdat hij had erkend (vrijwillige) seks met hen te hebben gehad, omdat de modus operandi in de drie zaken overeen kwam, en omdat het medisch onderzoek ten aanzien van één van de vrouwen seksueel geweld bevestigde. De onmogelijkheid de vrouwen ter zitting als getuigen te horen leverde bij het Hof vanwege het steunbewijs terecht geen gegronde klacht op.
De zogenoemde kroongetuige brengt een ander probleem met zich dan de afgeschermde getuige. Waar bij afscherming vooral het verdedigingsbelang aan de orde is, speelt bij getuigen die in ruil voor strafvermindering of het geheel afzien van vervolging een belastende verklaring afleggen ten aanzien van een (andere) verdachte vooral het probleem van de betrouwbaarheid, naast mogelijke andere morele problemen die samenhangen met het vangen van boeven met boeven.24 Bij het gebruik van kroongetuigen kunnen de problemen van verdedigingsbelang en betrouwbaarheid soms culmineren en niet alleen bij afgeschermde kroongetuigen. Zo konden in de Nederlandse zaak Lorsé de criminelen met wie een overeenkomst door het OM was gesloten niet meer worden gehoord door de verdediging. De ene was namelijk overleden en de andere was gedetineerd in Marokko. Het Hof overwoog onder meer:
`In judging the fairness of the proceedings against the applicant the Court considers in the first place that although it would have been preferable if Stewart and De Brakeleer could have testified in the presence of the defence, the impossibility to do so is not due to negligence on the part of the authorities. Neither Stewart' s death nor De Brakeleer's imprisonment is imputable to the respondent State and a serious effort was made to question De Brakeleer in a way that did justice to the rights of the defence. Secondly, the Court observes that the defence was aware of the agreements and of the identity of Stewart and De Brakeleer and that the proceedings were conducted in such a way as to enable the trial courts as well as the defence ample opportunity to examine the agreements and credibility of Stewart and De Brakeleer. Numerous witnesses were questioned very extensively by both the trial judges and the defence at every stage of the proceedings about all important aspects of the agreements, about the interrogations and about the motives, reliability and credibility of Stewart and De Brakeleer. Also, questions of the defence were put to De Brakeleer in Morocco. The applicant was thus provided with a considerable amount of relevant information giving him ample opportunity to challenge not only the conclusion of the agreements, but also the reliability of Stewart and De Brakeleer and the credibility of their statements.'25
Voorts woog mee dat de nationale rechters toonden zich goed bewust te zijn van de gevaren die zijn verbonden aan het sluiten van overeenkomsten met criminelen en dat de verklaringen van de kroongetuigen in belangrijke mate werden ondersteund door ander bewijs. In de zaak Verhoek konden de kroongetuigen wel worden gehoord door de verdediging en was eveneens de krtitische opstellling van de nationale rechters van belang.26
Dat in het EVRM bewijsregels ontbreken laat onverlet dat het Hof zich in voorkomende gevallen wel kan buigen over de (on)rechtmatigheid van bewijs. Het Hof verwoorde dit als volgt:
'It is not the role of the Court to determine, as a matter of principle, whether particular types of evidence — for example, unlawfully obtained evidence — may be admissible or, indeed, whether the applicant was guilty or not. The question which must be answered is whether the proceedings as a whole, including the way in which the evidence was obtained, were fair. This involves an examination of the "unlawfulness" in question and, where a violation of another Convention right is concerned, the nature of the violation found.' 27
In de zaak Panovits voegde het Hof daar het volgende aan toe:
'The severity of the sentence that may be imposed upon the conclusion of the criminal proceedings would increase the level of due diligence that is required from the domestic authorities in this respect.'28
In de zaak Alan29 oordeelde het Hof dat bewijs moest worden uitgesloten dat was verkregen als gevolg van een inbreuk op het zwijgrecht. Het betrof hier de langdurige inzet van een informant die de klager in voorarrest een bekentenis had onttrokken.
In de eerder genoemde zaak Panovits steunde het bewijs grotendeels op de eerste verklaring van de minderjarige dader die ten tijde van zijn eerste bekentenis niet was bijgestaan door een advocaat of zijn vader. Hoewel er bijkomend bewijs was alsook een tweede later afgelegde belastende verklaring, meende het Hof dat door het gebruik van die eerste verklaring in de strafzaak het recht op due proces onherstelbaar was geschonden.30 In de zaak Jalloh31 — waarin de klager een braakmiddel werd toegediend opdat hij de heroïnebolletjes zou uitspugen, hetgeen strijd opleverde met art. 3 EVRM — werd geoordeeld dat bewijsuitsluiting ook moet plaatshebben indien het bewijs is verkregen na een dergelijke vernederende behandeling. Dat het bewijs — de heroïnebolletjes — ook verkregen zouden zijn indien de Duitse autoriteiten gewoon hadden afgewacht totdat dit op natuurlijke wijze het lichaam van klager zou hebben verlaten, deed daar niet aan af.32
In de zaak Gäfgen lag de vraag voor of de vruchten van bewijs dat in strijd met art. 3 EVRM is verkregen toelaatbaar zijn. De casus is als volgt. Klager — een rechten-student — heeft het 11-jarige zoontje van een bankier meegelokt en vermoord, het lijk verborgen en losgeld geëist, waarbij hij de suggestie wekte dat de jongen in een hut werd vastgehouden. Bij het ophalen van het losgeld is hij gevolgd en aangehouden. Omdat klager beweerde dat het kind door andere ontvoerders werd vastgehouden, heeft een politiechef opdracht gegeven hem te bedreigen met het toebrengen van aanzienlijke pijn (zonder dat daarvan sporen zouden worden achtergelaten) in de hoop dat het kind dan nog zou kunnen worden bevrijd voordat het zou omkomen van honger en kou. Klager heeft vervolgens onder de dreiging van marteling de locatie van het lijk prijsgegeven. Daar zijn sporen van de klager aangetroffen. Nadien heeft hij bekentenissen aan de politie afgelegd en ook aan de rechtbank. De verantwoordelijke politiemensen kregen een voorwaardelijke boete en werden overgeplaatst en klager werd door de Duitse strafrechter tot levenslang veroordeeld voor moord, ontvoering en afpersing op grond van de bekentenissen bij de rechtbank en het fysieke bewijsmateriaal (hij had het geld opgehaald, er was een brief gevonden en er was een lijk met zijn sporen). De bekentenissen tegenover de politie werden als onrechtmatig terzijde geschoven. Er liep ten tijde van de klacht nog een schadevergoedingszaak wegens psychologische schade. Klager diende een klacht in bij het EHRM met betrekking tot zijn strafzaak. De Vijfde Kamer van het Hof achtte de inbreuk op art. 3 EVRM voldoende hersteld nu de autoriteiten de inbreuk hadden erkend, maatregelen hadden getroffen tegen de politiemensen en de eerste bekentenis van Gäfgen in zijn eigen strafzaak hadden uitgesloten als bewijs. Met betrekking tot de vraag of art. 6 EVRM was geschonden stelde het Hof het voorop dat de zaak zich onderscheidde van Jalloh, omdat het hier ging om de vruchten van de onder dwang verkregen bekentenis. Niettegenstaande de sterke veronderstelling dat de vruchten van een bekentenis die is verkregen door te handelen in strijd met art. 3 EVRM verboden vruchten zijn, achtte het Hof het proces in zijn geheel fair. Het Hof nam daarbij in aanmerking dat het directe onrechtmatige bewijs door de nationale rechter terzijde was geschoven, dat klager tegenover de rechtbank zelf had aangegeven opnieuw te willen bekennen omdat hij hiermee spijt wilde betuigen en dat er voldoende bijkomend bewijs was van ontvoering en afpersing. Buruma merkt terecht op dat indien wel een schending van art. 6 EVRM was aangenomen en Gäfgen vrijuit zou zijn gegaan, dit een schending van art. 2 EVRM jegens de nabestaanden van de jongen zou kunnen opleveren.33 De zaak is vervolgens nogmaals bekeken door de Grote Kamer. De Grote Kamer stelde voorop dat art. 3 EVRM geen uitzonderingen, rechtvaardigende factoren of het balanceren van belangen toelaat. De dreiging met marteling leverde een onmenselijke behandeling op in strijd met art. 3 EVRM. Anders dan de gewone kamer meende de Grote Kamer dat Gäfgen zijn slachtofferstatus had behouden, want de inbreuk op art. 3 EVRM was geenszins hersteld. De strafrechtelijke veroordeling van de politiemannen was vooral een symbolische, terwijl de disciplinaire sancties bij veroordeling in ontslag zouden hebben moeten resulteren en niet in overplaatsing. Voorts liep er al drie jaar een procedure inzake het verzoek om toekening van rechtsbijstand in het kader van de door Gäfgen te voeren schadevergoedingsprocedure, zodat hier ook weinig kans was op een effective remedy. Net als de Vijfde Kamer kwam de Grote Kamer tot het oordeel dat art. 6 EVRM niet was geschonden. Ik geef hier enkele citaten weer:
`175. The Court is further aware of the different competing rights and interests at stake. On the one hand, the exclusion of — often reliable and compelling — real evidence at a criminal trial will hamper the effective prosecution of crime. There is no doubt that the victims of crime and their families as well as the public have an interest in the prosecution and punishment of criminals, and in the present case that interest was of high importance. Moreover, the instant case is particular also in that the impugned real evidence was derived from an illegal method of interrogation which was not in itself aimed at furthering a criminal investigation, but was applied for preventive purposes, namely in order to save a child' s life, and thus in order to safeguard another core right guaranteed by the Convention, namely Article 2. On the other hand, a defendant in criminal proceedings has the right to a fair trial, which may be called into question if domestic courts use evidence obtained as a result of a violation of the prohibition of inhuman treatment under Article 3, one of the core and absolute rights guaranteed by the Convention. Indeed, there is also a vital public interest in preserving the integrity of the judicial process and thus the values of civilised societies founded upon the rule of law.
178. However, contrary to Article 3, Article 6 does not enshrine an absolute right. The Court must therefore determine what measures are to be considered both necessary and sufficient in criminal proceedings concerning evidence secured as the result of a breach of Article 3 in order to secure effective protection of the rights guaranteed by Article 6. As established in its case-law (...), the use of such evidence raises serious issues as to the fairness of the proceedings. Admittedly, in the context of Article 6, the admission of evidence obtained by conduct absolutely prohibited by Article 3 might be an incentive for law-enforcement officers to use such methods notwithstanding such absolute prohibition. (...) However, the Court considers that both a criminal trial' s fairness and the effective protection of the absolute prohibition under Article 3 in that context are only at stake if it has been shown that the breach of Article 3 had a bearing on the outcome of the proceedings against the defendant, that is, had an impact on his or her conviction or sentence.'34
Omdat bij de rechtbank uiteindelijk zeer belastende verklaringen waren afgelegd door Gäfgen — zo verklaarde hij uiteindelijk dat hij tevoren had beraamd het kind te doden en niet in een opwelling nadat hij de jongen had ontvoerd —, was de Grote Kamer van oordeel dat er gezegd kon worden dat er sprake was van 'a break in the in causal chain leading from the prohibited methods of investigation to the applicant's conviction and sentence in respect of the impugned real evidence.' 35 Derhalve konden de laatste verklaringen worden gebruikt voor een veroordeling zonder dat dit strijd opleverde met art. 6 EVRM. Hoewel voor de Nederlandse strafrechtspraktijk en voor die van een aantal andere Europese landen vooral de zaak Salduz en de in het voetspoor daarvan gewezen rechtspraak over rechtsbijstand van veel praktisch belang is voor de effectuering van het zwijgrecht,36 zijn de juridische en morele implicaties van de zaak Gäfgen mijns inziens stukken interessanter, omdat in die zaak de vraag speelt of een afgedwongen bekentenis a priori in de weg staat aan een eerlijk proces.
Indien sprake is van uitlokking — dat wil zeggen de situatie dat de dader het delict, indien hij daartoe door een overheidsfunctionaris of een door de politie geïnstrueerde derde niet zou zijn bewogen, niet zou hebben gepleegd — mag een veroordeling niet op het daardoor verkregen bewijs worden gebaseerd. Het Hof oordeelde namelijk dat '[t]he public interest cannot justify the use of evidence obtained as a result of police incitement' 37 Het onderscheid tussen 'the creation of a criminal intent' en 'the exposure of a latent pre-existing criminal intent' werd in dit verband verworpen. Voorts oordeelde het Hof dat in het geval wanneer gebruik is gemaakt van undercoveragenten een (niet volslagen onwaarschijnlijk) uitlokkingverweer wordt gevoerd, het aan de vervolgende instantie is te bewijzen dat van uitlokking geen sprake is geweest. Indien dat bewijs niet wordt geleverd zal de rechter met inachtneming van de rechten van de verdediging zelf deugdelijk onderzoek moeten doen. Omdat in de Litouwse omkopingszaak Ramanauskas38 de nationale rechter na vaststelling van de schuld van klager — nota bene zelf een openbare aanklager — ter zake van het aannemen van steekpenningen het irrelevant achtte of het misdrijf al dan niet was uitgelokt, was de klacht met betrekking tot schending van art. 6 lid 1 EVRM gegrond. De nationale rechter kon zich namelijk niet onttrekken aan de vraag of het bewijs op een faire wijze was verkregen. In deze zaak oordeelde het Hof voorts dat het feit dat een agent van een anti corruptie-eenheid aanvankelijk op eigen houtje had gehandeld, niet met zich kon brengen dat de autoriteiten niet verantwoordelijk waren voor dit gedeelte van het optreden. Volgens het Hof kon namelijk niet worden toegestaan dat van toepassing zijnde principes worden omzeild door privatisering van uitlokking.
In zijn noot bij deze uitspraak schrijft Schalken dat ook een corrupte officier van justitie bij het Straatsburgse Hof kan komen uithuilen en nog gelijk kan krijgen ook.39 Ik zou in dit verband willen opmerken dat bewijsuitsluiting in de strafzaak één ding is, iets anders is of zijn loopbaan als aanklager terecht tot een einde is gekomen. Het Hof lijkt bij de toekenning van compensatie in verband met de door de klager ondergane gevangenisstraf en gemiste inkomsten als aanklager dit onderscheid niet te maken, of misschien toch wel, nu het bij de hoogte van de schadevergoeding spreekt van "the nature of the case" en uitkomt op €30.000 in plaats van de verzochte €140.000. Van een volledige compensatie lijkt aldus geen sprake, hetgeen me terecht voorkomt (hoewel ik €30.000 ook dan nog teveel vind).
Ook kan het Hof zich geroepen voelen zich uit te laten over vraag of bij de bewijsvergaring is gehandeld in strijd met art. 8 EVRM. In de zaak Colas Est waren de Franse autoriteiten in het kader van mededingingstoezicht overgegaan tot bedrijfinvallen bij ondernemingen die actief waren in de wegenbouw. De invallen vonden — in overeenstemming met het destijds geldende Franse recht — plaats zonder voorafgaande rechterlijke machtiging. Bij de invallen werden bedrijfsruimten betreden en werd een grote hoeveelheid bedrijfsdocumenten in beslag genomen waaruit het bestaan van prijsafspraken bleek. De betrokken ondernemingen kregen vervolgens flinke boetes opgelegd door de Franse mededingingsautoriteit. In de nationale beroepsprocedures beriepen de ondernemingen zich op onrechtmatigheid van het bewijs, omdat de invallen zonder rechterlijke machtiging in strijd zouden zijn met art. 8 EVRM, dat mede het huisrecht beschermd. De beroepen van de ondernemingen werden echter verworpen, omdat het huisrecht volgens de Franse rechters niet zag op rechtspersonen. Bij het EHRM vonden de ondernemingen — die op grond van art. 34 EVRM net als natuurlijke personen een klacht konden indienen — wel gehoor. Volgens het Hof was art. 8 EVRM inmiddels ook van toepassing op bedrijven en was de inbreuk op het huisrecht disproportioneel geweest:
`Building on its dynamic interpretation of the Convention, the Court considers that the time hos come to hold that in certain circumstances the rights guaranteed by Article 8 of the Convention may be construed as including the right to respect for a company' s registered office, branches or other business premises (...). At the material time (...) the relevant authorities had very wide powers which, pursuant to the 1945 ordinance, gave them exclusive competence to determine the expediency, number, length and scale of inspections. Moreover, the inspections in issue took place without any prior warrant being issued by a judge and without a senior police officer being present (...). That being so, even supposing that the entitlement to interfere may be more far-reaching where the business premises of a juristic person are concerned (...), the Court considers, hoving regard to the marmer of proceeding outlined above, that the impugned operations in the competition field cannot be regarded as strictly proportionate to the legitimate aims pursued (…).’40
Als wel tevoren een huiszoekingsbevel is afgegeven kan een huiszoeking niettemin in strijd komen met art. 8 EVRM. Zo oordeelde het Hof in de zaak Van Rossem41 dat die verdragsbepaling was geschonden omdat geen adequate bescherming tegen misbruik van politiebevoegdheden bestond, nu enerzijds het bevel te algemeen was (voorwaarden en beperkingen ontbraken) en anderzijds niet ten aanzien van alle in beslaggenomen goederen een lijst was opgemaakt. In deze zaken speelde overigens slechts de inbreuk op art. 8 EVRM een rol. De toelaatbaarheid van aldus verkregen bewijs bij boeteoplegging of strafvervolging kwam dus niet aan de orde.
Er zijn wel voorbeelden waarin een inbreuk op art. 8 EVRM is ingebracht als argument dat geen fair trial heeft plaatsgehad. In de Zwitserse zaak Schenk had een derde genaamd Pauty, een in de woorden van Schenk voormalig 'member of the Foreign Legion, a chief steward in the Navy, a stunt man, a bodyguard, an informer working for the Italian police, a circus employee and out of work', die door Schenk was verzocht zijn toenmalige vrouw die in Haïti verbleef om te brengen, na contact met de politie vanuit Frankrijk een telefoongesprek met klager opgenomen waarin Pauty deed alsof de missie was geslaagd en waaruit zijn opdracht tot huurmoord bleek. Hier speelde overigens dat Pauty zelf ook onder verdenking stond. Hoewel de Zwitserse rechter oordeelde dat het gesprek niet op rechtmatige wijze was opgenomen, achtte die het toelaatbaar als bewijs. De Zwitserse cassatierechter meende dat het belang van de verdachte moest worden gewogen tegen het belang van waarheidsvinding, waarbij het laatste belang zwaarder woog nu het ging om een zwaar misdrijf. Verder had het bewijs, dat betrouwbaar was, ook rechtmatig verkregen kunnen worden. Voorts had de Zwitserse rechter in aanmerking genomen dat het opgenomen telefoongesprek niet het enige bewijs was. Zo stond vast dat Schenk de voormalige legionair had ingehuurd en was bekend dat hij minst genomen ontevreden was over de toelage die hij zijn vrouw diende te geven en dat hij eerder had getracht belastende informatie over zijn toenmalige vrouw te verkrijgen. Het Europees Hof overwoog:
`The applicant was not unaware that the recording complained of was unlawful because it had not been ordered by the competent judge. He had the opportunity — which he took of challenging its authenticity and opposing its use, having initially agreed that it should be heard (...). The fact that his attempts were unsuccessful makes no difference. (.. ) Furthermore, at the outset of the judicial investigation Mr. Schenk sought and obtained an investigation of Mr. Pauty (...). Moreover, counsel for the applicant could have examined Mr. Pauty — who had been summoned as a witness — during the trial at the Rolle Criminal Court (...). The Court also attaches weight to the fact that the recording of the telephone conversation was not the only evidence on which the conviction was based. (...) In conclusion, the use of the disputed recording in evidence did not deprive the applicant of a fair trial and therefore did not contravene Article 6 para. 1.'42
Twee Nederlandse zaken waarin een aangever door de politie ter zake van het opnemen van telefoongesprekken was gefaciliteerd resulteerden bij het Hof in een gegronde klacht met betrekking tot schending van het privacyrecht, maar niet ter zake van het recht op een fair trial. De eerste zaak M.M. betrof een mevrouw S. die zich bij de politie had gemeld met een klacht over seksuele intimidatie door de advocaat van haar gedetineerde echtgenoot. Omdat mevrouw S. twijfelde of zij aangifte wilde doen omdat er geen bewijs was naast haar verklaring, werd op instigatie van de politie en met haar instemming en in overleg met de officier van justitie afluisterapparatuur aan haar telefoon gekoppeld, zodat haar telefoongesprekken konden worden afgeluisterd. Zodra haar belager haar belde stuurde mevrouw S. het gesprek aan op zijn seksuele avances. Toen deze zaak de pers haalde meldden zich nog twee vrouwen als slachtoffer van seksuele intimidatie en/of verkrachting. Ter zake van verkrachting volgde vrijspraak, maar voor de seksuele intimidatie van mevrouw S. en één van de andere twee vrouwen volgde wel een veroordeling van de advocaat. In een ontvankelijkheidsbeslissing verklaarde het Hof de klacht dat art. 6 EVRM was geschonden manifestly mede omdat het afgeluisterde gesprek niet als bewijs was gebruikt door het gerechtshof.43 Het Hof oordeelde nadien met betrekking tot de klacht dat art. 8 EVRM was geschonden dat de verregaande bemoeienis van politie en justitie met de telefoontap met zich bracht dat het afluisteren moest worden toegerekend aan de overheid, zodat een wettelijke basis daarvoor nodig was. Nu die ontbrak was art. 8 EVRM geschonden.44 In de tweede Nederlandse zaak, de zaak Van Vondel, was door de Parlementaire Enquêtecommissie Opsporingsmethoden aangifte tegen de politiefunctionaris van Vondel gedaan wegens meineed. Nadat de klacht inzake art. 6 EVRM bij een separate beslissing niet-ontvankelijk was verklaard,45 kwam het Hof wel tot een ontvankelijke en gegronde klacht inzake art. 8 EVRM, omdat Van Vondel in het kader van een parallel onderzoek door het zogenoemde Fort-team van de Rijksrecherche uitspraken waren ontlokt door een geïnstrueerde politie-informant die heimelijk waren opgenomen met behulp van de Rijksrecherche. Ook hier volgde het oordeel dat het afluisteren moest worden toegerekend aan de overheid, zodat een wettelijke basis daarvoor nodig was. Nu die ontbrak was art. 8 EVRM geschonden. Cruciaal lijkt hier te zijn de mate van politiebemoeienis, zo volgt uit de volgende overweging:
'The Court is of the opinion that the obtention by the National Police Internal Investigation Department — for the purposes of an officially commissioned fact-finding inquiry — of recordings of (telephone) conversations between the applicant and Mr R. that had been made by the later with technical equipment made available for this purpose by the National Police Internal Investigation Department constituted an interference with the applicant' s private life and/or correspondence (in the sense of telephone communications) which was imputable to a public authority. The Court would note that the recording of private (telephone) conversations by a conversation partner and the private use of such recordings does not per se offend against Article 8 if this is done with private means, but that by its very nature this is to be distinguished from the covert monitoring and recording of communications by a private person in the context of and for the benefit of an official inquiry — criminal or otherwise — and with the connivance and technical assistance of public investigation authorities. In that respect, the Court observes that in the present case, although the recordings of the applicant' s conversations were made by Mr R. on a voluntary basis and for his own purposes, the equipment was provided by the authorities, who on at least one occasion gave him specific instructions as to what information should be obtained from the applicant. In these circumstances, the Court considers that the authorities "made a crucial contribution to executing the scheme" and it is not persuaded that it was ultimately Mr R. who was in control of events. To hold otherwise would be tantamount to allowing investigating authorities to evade their responsibilities under the Convention by the use of private agents (...).'46
In zijn separate opnion bij Van Vondel schrijft Meij er dat hij, anders dan in de zaak M.M., meent dat nu terecht een schending wordt aangenomen. De inzet van een gestuurde informant is immers aanzienlijk verdergaand dan het enkel behulpzaam zijn bij het plaatsen van een telefoontap bij een slachtoffer die in bewijsnood verkeert en bovendien niet zelf belt, maar enkel een telefoontje van haar belager afwacht. In het laatste geval zou volgens Meijer een wettelijke grondslag voor de tap niet nodig zijn. In beide zaken werd een herziening bij de Hoge Raad gevraagd vanwege de door het Europees Hof geconstateerde schending van art. 8 EVRM. In M.M. achtte de Hoge Raad geen grond aanwezig voor het alsnog niet-ontvankelijk verklaren van het OM, want de klacht in het kader van art. 6 EVRM was juist verworpen, terwijl het afgeluisterde gesprek uiteindelijk niet als bewijs was gebruikt. Volstaan werd met een beperkte strafvermindering vanwege de schending van art. 8 EVRM.47 In Van Vondel was de telefoontap wel als bewijs gebruikt door de strafrechter. De enkele schending van art. 8 EVRM leidde evenwel niet tot bewijsuitsluiting in de daaropvolgende nationale herzieningsprocedure, temeer niet nu er voldoende bijkomend bewijs voorhanden was. Hier volstond de Hoge Raad eveneens met een beperkte strafvermindering.48
Ook in de zaak Khan49 ging het om het afluisteren van de verdachte. Hier was door de politie afluisterapparatuur aangebracht in een woning. Toevallig had klager — die daarvoor als verdachte was aangemerkt ter zake van "drug trafficking", maar tegen wie geen bewijs bestond — in die woning, die hij niet bewoonde, een voor hem belastend gesprek. De plaatsing van afluisterapparatuur was als zodanig niet in strijd met het Britse comon-law, maar was niet gecodificeerd. Het EHRM oordeelde dat art. 6 EVRM niet was geschonden omdat in de nationale procedure kon worden opgeworpen dat het bewijs wegens onrechtmatige verkrijging moest worden uitgesloten. Dat de nationale rechter dit verweer in elke instantie verwierp doet daar niet aan af. De procedure was derhalve fair. Saillant detail is dat het Hof vervolgens in dezelfde zaak wel concludeerde dat art. 13 EVRM was geschonden omdat er met betrekking tot de (gestelde) schending van art. 8 EVRM geen effectieve klachtmogelijkheden waren naar nationaal recht. In zijn noot bij die uitspraak schrijft Schalken dat hier voor het eerst een ontkoppeling plaats heeft van enerzijds een geconstateerde onrechtmatigheid en anderzijds het daaraan te verbinden rechtsgevolg. Ook ik meen mogelijkheden voor een gedifferentieerde benadering te zien. De inbreuk op privacyrechten kan niet (zonder meer) op één lijn worden gesteld met een inbreuk op het zwijgrecht 50 Anders gezegd: een inbreuk op art. 6 lid 2 of art. 3 EVRM weegt zwaarder dan een inbreuk op art. 8 EVRM. Dit hangt niet alleen samen met de vraag naar de betrouwbaarheid van het bewijs, zo volgt uit Jalloh,51 maar ook met de zwaarte van de inbreuk op mensenrechten.
De vrees voor terreuraanslagen heeft in verschillende Europese landen geleid (tot initiatieven) tot wetgeving teneinde die tegen te gaan. Waar bijvoorbeeld in Nederland de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme, die voorziet in een plicht om de identiteit van degene waarmee een zakelijke relatie wordt aangegaan vast te stellen en in een meldingsplicht met betrekking tot ongebruikelijke transacties, en de Sanctiewetgeving, die voorziet in het verbod met bepaalde entiteiten of personen transacties te verrichten en het gebod tegoeden van bepaalde entiteiten of personen te bevriezen,52 met uitzondering van de bevriezing van tegoeden nog redelijk onschuldig zijn, geldt dit niet voor wetgevingstrajecten die zien op verdergaande beperkingen van burgerlijke vrijheden met het oog op het voorkomen van terrorisme. Zie in dit verband bijvoorbeeld het wetsvoorstel Wet bestuurlijke maatregelen nationale veiligheid, dat er in voorziet dat een gebieds-, persoonverbod of een meld-plicht in het leven worden geroepen voor een persoon 'die op grond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan' en dat voorts ten aanzien van die persoon een subsidie, vergunning, ontheffing of erkenning kan worden afgewezen of worden ingetrokken.53
In Noord-Ierland voorzag anti-terrorismewetgeving in een beperking van het zwijgrecht van de verdachte indien het de verdenking van terroristische misdrijven betrof. Die wetgeving kwam er op neer dat de rechter het zwijgen medebepalend kon achten bij de weging van het voorliggende bewijs. Het EHRM voelde zich niet gehouden die wetgeving te toetsen aan art. 6 EVRM, maar overwoog dat het slechts gehouden was te beoordelen of in het voorliggende geval een fair trial had plaatsgehad. Zolang in het voorliggende geval de veroordeling maar niet hoofdzakelijk op het zwijgen van de verdachte is gebaseerd en mits de verdachte zich in een vroeg stadium (de politieverhoren) kan laten bijstaan door een raadsman is er geen schending van art. 6 EVRM.54 De Ierse anti-terrorismewetgeving ging nog verder: op zwijgen stond een gevangenisstraf van zes maanden. Nadat aan Quinn aanvankelijk na aanhouding op verdenking van betrokkenheid bij een overval door de IRA een cautie was gegeven werd hem later meegedeeld dat hij verplicht was naar waarheid te antwoorden. Dit kon uiteraard niet door de beugel. Onder verwijzing naar Saunders55 en Brogan56 overwoog het Hof:
'The Court, accordingly, finds that the security and public order concerns of the Government cannot justify a provision which extinguishes the very essence of the applicant' s rights to silence and against self incrimination guaranteed by Article 6 § 1 of the Convention.'57
Ook wordt met het oog op terrorismebedreiging gepleit voor het verruimen van de opsporingsbevoegdheden van veiligheidsdiensten. Een voorbeeld vormt de wijziging in 1994 van Duitse wetgeving met betrekking tot de verruiming van de mogelijkheden voor de Duitse veiligheidsdienst BND om telecommunicatie (in het bijzonder mobiele telefoons) af te luisteren. Daarbij ging het om Rasterfahndung, ongerichte en min of meer algemene — niet op specifieke personen betrekking hebbende — interceptie van telecommunicatie waarbij met behulp van catchwords wordt gescreend op berichten die mogelijk informatie bevatten over ernstige misdrijven zoals terroristische aanslagen. Een klacht van een Duitse journaliste en haar Uruguayaanse partner tegen deze wet, het Verbrechensbekmpfungsgesetz, had in 1999 bij het Bundesferfassungsgericht succes. De wet werd in strijd geacht met de Duitse grondwet en is nadien gewijzigd. Klagers meenden dat ook de gewijzigde wet in strijd kwam met de art. 8 en 10 EVRM. Het Europees Hof voor de Rechten van Mens overwoog onder meer dat na de amendementen de bij wet voorziene inbreuk op wat wij het briefgeheim noemen 'was counterbalanced both by a reasonable limitation of the offeraces for which data transmission was permitted and by the provision of supervisory mechanisms against abuse' en dat notificatie van de interceptie aan de betrokkenen nadat de gegevens zijn vernietigd niet in alle gevallen noodzakelijk is.58 In een vergelijkbare Engelse zaak, ook hier betrof het monitoring van telecommunicatieverkeer, achtte het Hof art. 8 EVRM wel geschonden, omdat wegens een diffuse reikwijdte en het ontbreken van duidelijke randvoorwaarden van de afluisterbevoegdheden, niet was voldaan aan de eis van voorzienbaarheid bij wet.59 In een Moldavische zaak waar het afluisteren van telefoongesprekken wel een wettelijke basis had, maar ongelimiteerd toestemming voor telefoontaps werd verleend door de rechterlijke macht, kwam het Hof toe aan een vergelijkbaar oordeel als in de zojuist genoemde Engelse zaak.60 Met betrekking tot de Nederlandse afluisterpraktijk kan in dit verband zeker worden gevreesd dat die niet door de Straatsburgse beugel kan.61 Het volgen van een vermeende terrorist met onder meer een GPS-surveillance stuitte niet op bezwaar. Het Hof achtte het van belang dat andere middelen niet effectief bleken, dat de surveillance drie maanden duurde, dat de surveillance de verdachte in feite alleen raakte gedurende het weekend en dat het onderzoek zeer ernstige strafbare feiten betrof.62 Een andere inbreuk op art. 8 EVRM vormt het bewaren van vingerafdrukken, celmateriaal en DNA-profielen. De Grote kamer oordeelde in een Engelse zaak dat het bewaren van deze gegevens na vrijspraak of sepot in strijd was met art. 8 EVRM.63 Verder kan met het oog op art. 8 EVRM worden gewezen op Gillan and Quinton. In deze zaak klaagden twee personen dat zij preventief werden staande gehouden en gefouilleerd toen zij op weg waren naar een betoging naar aanleiding van een internationale wapenbeurs. Het betrof hier een aan de hand van het criterium expediency — dat wil zeggen geschiktheid of behulpzaamheid — met het oog op terrorismepreventie aangewezen risicogebied dat het Greater London omvatte. Het ging hier om een fouilleringsbevoegdheid van de Londense politie, welke bevoegdheid via voortdurende verlenging al jaren van toepassing was, waarbij de agenten naar eigen inzicht iedere willekeurige passant aan de kleding mochten fouilleren en hun bagage doorzoeken zonder dat er enige verdenking hoefde te zijn of de verwachting dat er voorwerpen zouden worden aangetroffen die in verband met terrorisme zouden kunnen worden gebruikt. Verder bleek dat rechtelijke controle vrijwel onmogelijk leek vanwege de ruime discretie, de fouilleringen nimmer tot aanhoudingen wegens terroristische misdrijven resulteerden, maar wel wegens andere delicten en lange tijd vooral zwarte en Aziatische personen aan deze preventieve fouillering zijn onderworpen. Deze vrijwel onbegrensde fouilleringsmogelijkheden die ook hebben geleid tot willekeurige toepassing konden volgens het Hof niet door de beugel.64
Het gebruik van bewijs afkomstig van derden kan evenzeer raken aan de vraag naar de rechtmatigheid ervan. In de Nederlandse zaak Echerverri Rodriguez had Justitie op verzoek informatie over een medeverdachte ontvangen uit de Verenigde Staten, waarna in Nederland het onderzoek werd hervat, hetgeen leidde tot een drugsvangst waarbij verzoeker op de plaats van aflevering van de drugs werd aangehouden. De veroordeling van verzoeker werd gebaseerd op zijn verklaringen bij de rechtbank, de verklaringen van de medeverdachte tegenover de politie en de rechter-commissaris, de processen-verbaal en het resultaat van het forensisch onderzoek van de inbeslaggenomen substanties. Nadat hij alle Nederlandse instanties zonder succes had doorlopen klaagde verzoeker over het gebruik van Amerikaans onderzoek en de weigering om alle door hem opgegeven (Amerikaanse) getuigen op te roepen. Het Hof achtte de klacht niet-ontvankelijk:
‘Insofar as the applicant complains that the Court of Appeal refused to take oral evidence from the USA Assistant Attorney Ms D. as she could have clarified issues in relation to the investigation carried out in the USA, the Court considers that the Convention does not preclude reliance, at the investigating stage, on information obtained by the investigating authorities from sources such as foreign criminal investigations. Nevertheless, the subsequent use of such information can mise issues under the Convention where there are reasons to assume that in this foreign investigation defence rights guaranteed in the Convention have been disrespected. However, the applicant has not substantiated in any way that such reasons existed in the instant case. Noting the extensive reasons given by the Court of Appeal for not acceding to the requests by the defence to take evidence from Ms D., Ms Y., Mr M. and the police officers having observed the location of the final delivery of the cocaine, the Court cannot find that the decisions by the Court of Appeal on these requests can be regarded as unreasonable or arbitrary, or that these refusals, as such, deprived the applicant of a fair hearing within the meaning of Article 6 of the Convention.'65
Het EHRM heeft er derhalve geen moeite mee als bij het opsporingsonderzoek zwaar wordt geleund op informatie van buitenlandse opsporingsdiensten, tenzij er reden is om aan te nemen dat in het buitenland de verdedigingsrechten van het EVRM niet zijn gerespecteerd. Vage vermoedens en veronderstellingen zijn niet voldoende om een onderzoek te kunnen bewerkstelligen naar de wijze waarop de informatie in het buitenland is verkregen. De verdediging zal de nodige twijfel moeten zaaien dat de informatie op unfaire wijze is verkregen, aldus Schalken in zijn noot bij deze uitspraak.66
De hiervoor besproken jurisprudentie illustreert de casuïstische benadering van het Hof waar het art. 6 EVRM betreft. Steeds moet goed voor ogen worden gehouden dat het EHRM niet zozeer de nationale proces- en bewijsregels beoordeelt, maar toetst of in het licht van art. 6 EVRM een eerlijke procedure heeft plaatsgehad. Er wordt dus vooral gekeken naar welke rol de vervolgende instantie en nationale rechter feitelijk hebben gespeeld in de voorliggende zaak. Of zij zich precies aan de nationale procdurele regels hebben gehouden is daarbij niet van het grootste belang, het gaat er immers om of zij zich hebben gehouden aan de rechten die voortvloeien uit art. 6 EVRM.67 In de paragraaf hierna gaat het nu juist wel om de vraag of de autoriteiten en de nationale rechter de nationale wetgeving naleven. Een belangrijke kwestie die mede verband houdt met bewijsrecht is nog niet genoemd, namelijk die inzake de bestuurlijke beoordelingruimte. De vraag of het bestuursorgaan beoordelingsruimte toe kan komen bij de feitenvaststelling of bij de feitenkwalificatie is een vraag die het EHRM beoordeelt in het kader van de toegang tot een rechter metfulljurisdiction. Ik kom hierop terug bij de bespreking van de toegang tot de rechter.