Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/8.4.7.2
4.7.2 De gevolgen van de verdeling van samenvallende gemeenschappen voor de omvang van de huwelijksgemeenschap in de declaratieve opvatting over de werking van de verdeling
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948062:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Van Mourik & Schols, Gemeenschap (Mon. BW nr. B9) 2015/38; Asser/Perrick 3-V 2023/151 en L.C.A. Verstappen onder punt 5 van zijn noot in NJ onder HR 8 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2274, NJ 2017/437. Zie tevens punt 2.23 van de conclusie van A-G Rank-Berenschot vóór deze uitspraak met verdere literatuurverwijzingen.
Zie Van Mourik & Schols, Gemeenschap (Mon. BW nr. B9) 2015/38 en L.C.A Verstappen onder punt 5 van zijn noot in NJ onder HR 8 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2274, NJ 2017/437.
Zie paragraaf 4.3.4 van hoofdstuk 5.
Vgl. mijn opmerkingen over de werking van de uitsluitingsclausule in de hoofdtekst hierna. Wat daarover de werking van de uitsluitingsclausule wordt geschreven, geldt ook voor de werking van de insluitingsclausule. Net zoals de uitsluitingsclausule is ook de insluitingsclausule verbonden aan de erfrechtelijke verkrijgingstitel dan wel op grond van de goederenrechtelijke werking van de clausule aan de verkrijging van de goederen als zodanig door de oorspronkelijk erfgenamen. Dat de uiteindelijk verkregen goederen ‘voor de helft’ afkomstig zijn uit de ontbonden huwelijksgemeenschap, doet aan de werking van de insluitingsclausule dus niet af. Wel kan de insluitingclausule worden doorbroken door de werking van artikel 1:95 lid 1 BW, zie paragraaf 4.5.2.2 hiervóór.
Vgl. mijn opmerkingen in paragraaf 4.6.2 hiervóór over de opvolgende verdeling.
Vgl. paragraaf 4.4.1 en 4.6.2 hiervóór.
Zie Van Mourik & Schols, Relatievermogensrecht (Mon. Pr. nr. 12) 2021/45; Verstappen & Burgerhart, Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Algemeen deel A 2020, p. 226; Klaassen/Luijten & Meijer, Huwelijksgoederen- en erfrecht, Eerste gedeelte 2005/172, alsmede L.C.A. Verstappen onder de punten 16-19 van zijn noot in NJ onder de uitspraak HR 8 september 2017, ECLI:NL:HR: 2017:2274, NJ 2017/437. Zie tevens punt 2.22 van de conclusie van A-G Rank-Berenschot vóór de uitspraak HR 8 september 2017, ECLI:NL:HR: 2017:2274, NJ 2017/437.
Zie paragraaf 3.3 van hoofdstuk 5.
Zie paragraaf 4.3.3 hiervoor, onder verwijzing naar paragraaf 4.2.3 van hoofdstuk 5.
Voor de concrete uitwerking van deze optie wordt verwezen naar paragraaf 4.7.3 hierna. In die paragraaf wordt de translatieve werking van de verdeling als uitgangspunt genomen. Voor de feitelijke toepassing van artikel 1:95 lid 1 BW maakt het echter geen verschil of men van de translatieve of declaratieve werking van de verdeling uitgaat (waar dit voor het toepassingsbereik van artikel 1:95 lid 1 BW wél verschil uitmaakt, zie paragraaf 4.4.1 hiervóór).
503. Ondanks dat de nalatenschap en de ontbonden huwelijksgemeenschap los van elkaar verdeeld kunnen worden, en wel in iedere volgorde die de deelgenoten wensen, zal in de meeste gevallen een gelijktijdige verdeling van beide gemeenschappen plaatsvinden.1 In dat geval vinden er op hetzelfde moment twee verdelingen in één handeling plaats.2 In welke volgorde men echter ook verdeelt, het gevolg van die verdelingen is voor de omvang van de huwelijksgemeenschap van de betrokken erfgenamen anders naargelang men de declaratieve werking of de translatieve werking van de verdeling volgt. Volgt men de declaratieve werking van de verdeling, dan worden de door verdeling verkregen goederen krachtens dezelfde titel(s) verkregen als waaronder die deelgenoot deze goederen vóór de verdeling hield. Voor een erfgenaam-niet langstlevende echtgenoot betekent dit dat hij de goederen in alle gevallen ‘krachtens erfrecht’ zal verkrijgen. Dat is immers de titel waaronder hij de goederen gemeenschappelijk verkregen heeft en hij die goederen vóór de verdeling hield. Dat de goederen ook tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoorden, maakt daarbij niet uit. Met de verkrijgingstitel van de langstlevende echtgenoot hebben de (overige) erfgenamen niets te maken. In dat verband wordt verwezen naar hetgeen in hoofdstuk 5 reeds over de werking van artikel 3:186 lid 2 BW is opgemerkt. Aldaar is uiteengezet dat artikel 3:186 lid 2 BW óók in de declaratieve opvatting over de verdeling niet zo uitgelegd moet worden dat degene die goederen krachtens verdeling verkrijgt, die goederen verkrijgt krachtens de titels waaronder alle deelgenoten dat goed vóór de verdeling hielden/hebben verkregen. Artikel 3:186 lid 2 BW heeft in dat geval ‘slechts’ tot gevolg dat de goederen die door verdeling worden verkregen, worden verkregen onder de titel(s) waaronder die deelgenoot zelf dat goed vóór de verdeling hield/had verkregen.3 De goederen die door de (overige) erfgenamen krachtens verdeling worden verkregen, worden door hen dus uitsluitend ‘krachtens erfrecht’ verkregen, en niet mede krachtens de titel waaronder de langstlevende die goederen verkregen heeft/hield.
504. Het voorgaande heeft tot gevolg dat wanneer goederen zijn toegedeeld aan een erfgenaam die in de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen is gehuwd, deze goederen op grond van de hoofdregel van artikel 1:94 lid 2 sub a BW buiten diens beperkte huwelijksgemeenschap zullen vallen, tenzij aan de oorspronkelijke verkrijging een insluitingsclausule is verbonden.4 Dat geldt zowel wanneer beide gemeenschappen gelijktijdig worden verdeeld, als wanneer eerst de nalatenschap of eerst de huwelijksgemeenschap wordt verdeeld. Op grond van de declaratieve werking werkt de verkrijgingstitel ‘krachtens erfrecht’ immers bij beide verdelingen door.5 Artikel 1:95 lid 1 BW kan aan deze uitkomst dan niets veranderen. Ook hier staat het beperkte karakter van artikel 1:95 lid 1 BW daar dan aan in de weg.6 Zijn de erfgenamen in de algehele wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd, dan zullen de goederen alleen buiten de huwelijksgemeenschap vallen als aan de oorspronkelijke verkrijging een uitsluitingsclausule is verbonden. In de literatuur wordt in dit verband vaak gesteld dat de uitspraak van de Hoge Raad in Vier Huizen nog van toepassing zou zijn (HR 11 mei 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4810, NJ 1985/527).7 In hoofdstuk 5 is echter al aan de orde gekomen dat deze uitspraak is gewezen onder de werking van het oud BW, waar werd aangenomen dat de deelgenoten in een boedelgemeenschap slechts een aandeel hadden in die gemeenschap als geheel. Daardoor kon pas door verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap worden vastgesteld welke goederen tot de nalatenschap behoorden en werd pas bij verdeling van de nalatenschap vastgesteld tot welke specifieke goederen ieder van de erfgenamen gerechtigd was. Dit was dan een verkrijging uit handen van erflater rechtstreeks, omdat de erfgenamen vóór de beide verdelingen helemaal niet gerechtigd waren tot de afzonderlijke goederen van de nalatenschap. Omdat de verkrijging van de afzonderlijke goederen als een verkrijging van erflater rechtstreeks kwalificeerde, werd die verkrijging volledig beheerst door de uitsluitingsclausule die erflater aan de erfrechtelijke verkrijging had verbonden. Aldus vielen de goederen op grond van die uitsluitingsclausule als geheel buiten de huwelijksgemeenschap waarin de betreffende erfgenamen waren gehuwd, ook al werden de goederen mede door verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap verkregen.8
505. Thans kan deze redenering niet meer volgehouden worden. Naar huidig recht hebben de erfgenamen reeds vóór de verdeling een aandeel in de afzonderlijke goederen die tot beide gemeenschappen behoren, ook als men de declaratieve opvatting over de verdeling volgt (en dus niet slechts een aandeel in die gemeenschappen als geheel).9 Als men er dan ook nog eens van uitgaat dat een aandeel in een gemeenschappelijk goed als afzonderlijk goed kwalificeert, zou men kunnen denken dat wanneer erflater bij zijn overlijden in de wettelijke gemeenschap van goederen is gehuwd, de uitsluitingsclausule alléén aan de verkrijging van zijn helft in de goederen van die huwelijksgemeenschap is verbonden. De andere helft behoorde immers aan de langstlevende echtgenoot toe, en daar kon erflater (dus) geen uitsluitingsclausule aan verbinden. Desalniettemin moet ook naar huidig recht worden aangenomen dat bij iedere verdeling de door de erfgenamen verkregen goederen als geheel onder de werking van de uitsluitingsclausule vallen. Dat komt doordat de uitsluitingsclausule wordt geacht aan de erfrechtelijke titel verbonden te zijn, dan wel omdat deze ‘goederenrechtelijke werking’ heeft. Voor beide opties wordt verwezen naar paragraaf 4.5.1 hiervóór. Als men ervan uitgaat dat een uitsluitingsclausule aan de erfrechtelijke titel is verbonden (‘optie 1’), dan geldt dat deze – uitgaande van de declaratieve werking van de verdeling in combinatie met de ‘beperkte’ werking van artikel 3:186 lid 2 BW (zie randnummer 503 hiervóór) – bij beide verdelingen doorwerkt, ongeacht hun volgorde. Voornoemde combinatie zorgt er dan voor dat de erfgenamen de goederen bij iedere verdeling uitsluitend ‘krachtens erfrecht’ verkrijgen. Dat is de enige titel waaronder zij de goederen zélf gemeenschappelijk hebben gehouden/verkregen. Dat geldt ook voor de verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap. De (overige) erfgenamen zijn uitsluitend krachtens erfrecht tot de goederen van de ontbonden huwelijksgemeenschap gerechtigd geworden, en zij hebben de goederen dus uitsluitend krachtens die titel gemeenschappelijk gehouden/verkregen. Daarom worden zij (ook) na verdeling van die gemeenschap geacht die goederen volledig ‘krachtens erfrecht’ te hebben verkregen; dat de langstlevende echtgenoot de goederen (ook) onder een andere titel heeft gehouden of verkregen, is niet relevant. Gaat men ervan uit dat een uitsluitingsclausule goederenrechtelijke werking heeft (‘optie 2’), dan zorgt die goederenrechtelijke werking ervoor dat de uitsluitingsclausule zich over beide verdelingen uitstrekt. De uitsluitingsclausule ‘volgt’ in dat geval de verkrijging van de goederen waar hij aan verbonden is, zolang deze door de oorspronkelijke erfgenamen worden verkregen (zie paragraaf 4.5.1 en 4.5.3 hiervóór). In beide gevallen is dus het gevolg dat de door de opvolgende verdeling verkregen goederen op grond van de uitsluitingsclausule buiten de algehele wettelijke gemeenschap van goederen vallen, ongeacht in welke volgorde de verdeling van de samenvallende gemeenschappen plaatsvindt. Is aan de oorspronkelijke verkrijging géén uitsluitingsclausule verbonden, dan geldt dat de door verdeling verkregen goederen in beginsel in de algehele wettelijke huwelijksgemeenschap vallen, tenzij deze daar op grond van artikel 1:95 lid 1 BW alsnog van zijn uitgezonderd.10