Einde inhoudsopgave
Het voorlopig getuigenverhoor (BPP nr. XVII) 2015/311
311 Fishing expeditions niet toegestaan in Nederland
Mr. E.F. Groot, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. E.F. Groot
- JCDI
JCDI:ADS453456:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Voetnoten
Voetnoten
A-G Huydecoper in zijn conclusie voor HR 24 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4980. Dit blijkt onder andere uit: PG Herziening Rv 2002, p. 154 en 553 over art. 843a Rv (de vereisten van art. 843a Rv moeten fishing expeditions voorkomen); Kamerstukken II 2005-06, 30 392, nr. 3, p. 20 (MvT, over art. 1019a Rv): “Voorkomen dient te worden dat deze vordering uitmondt in zogenaamde fishing expeditions, die de eiser in de gelegenheid zouden stellen rond te neuzen in de onderneming van zijn concurrent door het opvragen van allerlei «bewijs».”; Kamerstukken II 2006-07, 30 951, nr. 1, p. 16 (Reactie van de minister op het Rapport fundamentele herbezinning burgerlijk procesrecht); de verklaring van Nederland ingevolge art. 23 Haags Bewijsverdrag die dient ter vermijding van fishing expeditions (zie hierover Van het Kaar 2008, p. 161); A-G Spier in zijn conclusie voor HR 22 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB5626, NJ 2010, 542; Kamerstukken II 2011-12, 33 079, nr. 3, p. 6 (MvT) waarin de Minister opmerkt dat de rechter voldoende mogelijkheden ter beschikking staan om fishing expeditions tegen te gaan bij een verzoek om informatie te verschaffen en dat in de “vermoedelijk spaarzame gevallen waarin toch bescheiden zijn verschaft waarop de verkrijger achteraf gezien geen recht had” degene die schade heeft geleden zijn schade kan verhalen. Ook in de toelichting op art. 16 ALI/UNIDROIT Principles of Transnational Civil Procedure wordt een fishing expedition niet toelaatbaar geacht. Krans 2009, p. 62.
Conclusie A-G Huydecoper voor HR 24 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR4980.
In tegenstelling tot full disclosure, zie de conclusie van A-G Spier voor HR 22 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB5626, NJ 2010, 542.
Hof ’s-Hertogenbosch 21 maart 2007, ECLI:NL:GHSHE:2007:BA1886; Hermans 2006, p. 313.
Voor fishing expeditions is in het Nederlandse recht geen plaats. Zij verdragen zich niet met het “naar Nederlands recht aanvaarde uitgangspunt, dat men niet “zomaar” toegang kan verlangen tot alle informatie waarover een ander beschikt.”1 Volgens Huydecoper is hierbij de eerlijke procesvoering in het geding. Een partij zou in een benarde positie terecht komen als haar wederpartij naar eigen goeddunken zonder beperkingen informatie zou mogen verzamelen. Hij zou dan niet in staat zijn “tijdig of adequaat aan te voeren dat/waarom bepaalde informatie “ultra fines” is - men is dan, tot op grote hoogte, aan de willekeur van zijn wederpartij overgeleverd.”2Bovendien veronderstelt een fishing expedition oneigenlijke bedoelingen.3
De rechter die vaststelt dat de verzoeker het voorlopig getuigenverhoor gebruikt voor een (echte) fishing expedition, moet concluderen dat de verzoeker het voorlopig getuigenverhoor gebruikt voor een ander doel dan waarvoor de bevoegdheid is bedoeld en het verzoek afwijzen op grond van misbruik van bevoegdheid.4