Aanvullen van subjectieve rechten
Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/18.1:18.1 Methodologische opzet deel III
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/18.1
18.1 Methodologische opzet deel III
Documentgegevens:
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS296804:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Voorbeelden daarvan zijn te vinden in randnummer 648 en 696.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
789. In deel I van dit onderzoek heb ik een theoretisch kader geschetst om te verklaren waarom subjectieve rechten (automatisch) worden aangevuld. Ik heb daar op basis van (rechts)economische uitgangspunten besproken hoe juridische regels over het (automatisch) aanvullen van subjectieve rechten ervoor kunnen zorgen dat de maatschappelijke welvaart wordt verhoogd.
790. In deel II van dit onderzoek heb ik de juridische regels bestudeerd die er in het Nederlandse recht voor zorgen dat subjectieve rechten worden aangevuld. Ik heb de verschillende juridische regels die bestaan om ‘twee dingen bij elkaar te houden’ ieder in een apart hoofdstuk besproken. Daarbij ben ik al een beetje vooruitgelopen op deel III, door per hoofdstuk aan te geven hoe de daar besproken regelingen zich verhouden tot de uitgangspunten die voortvloeien uit deel I.
791. In deel III maak ik de koppeling tussen deel I en deel II nogmaals, maar dan voor alle in deel II besproken juridische regels gezamenlijk. Daarmee probeer ik de samenhang tussen beide delen nog duidelijker neer te zetten. De uitgangspunten uit deel I gebruik ik daarbij als toetsingskader, de Nederlandse regelingen uit deel II als de gegevens die ik aan de hand van dat toetsingskader beoordeel. Ik vergelijk het toetsingskader en de Nederlandse regelingen op twee niveaus. De reden daarvoor is dat ik in deel II – om de tekst niet onnodig lang te maken – zowel mijn eigen mening (op basis van deel I) heb weergegeven als de in de Nederlandse doctrine heersende leer. Nu trek ik deze twee weer uit elkaar. Daardoor is het voor de lezer eenvoudiger om te onderscheiden tussen de vraag of het Nederlandse vermogensrecht, gezien de mechanismen die daarin aanwe zig zijn, aan de uitgangspunten uit deel I kan voldoen en de vraag of het dat, gezien de invulling die aan deze mechanismen wordt gegeven in de Nederlandse doctrine, ook daadwerkelijk doet. De eerste vraag behandel ik in hoofdstuk 19, de tweede in hoofdstuk 20. Een slotconclusie volgt in hoofdstuk 21.
792. In hoofdstuk 19 behandel ik dus, zoals gezegd, de vraag of het Nederlandse vermogensrecht, gezien de mechanismen die daarin aanwezig zijn, aan de uitgangspunten uit deel Ikan voldoen. Ik heb daar in deel II al naar gehint, vooral door de volgorde waarin ik de verschillende mechanismen die in het Nederlandse recht zijn terug te vinden, heb gepre senteerd. Hier bespreek ik deze vraag nogmaals, voor alle in deel II besproken regelingen gezamenlijk. Deze analyse heeft een wat abstract karakter, omdat ik enkel geïnteresseerd ben in de vraag of de mechanismen die in het Nederlandse recht aanwezig zijn, de mogelijkheid bieden om het vermogensrecht in te delen op de manier die uit deel I volgt. Of dat daadwerkelijk ook gebeurt, bespreek ik pas in hoofdstuk 20.
793. De analyse in hoofdstuk 20 is wat concreter. Ik bespreek daar de vraag of de wijze waarop in de Nederlandse doctrine invulling wordt gegeven aan de mechanismen die ik in deel II besprak, ook daadwerkelijk voldoet aan de uitgangspunten uit deel I. Ook naar het antwoord op deze vraag heb ik op enkele plekken in deel II al gehint, door voor te stellen om het Nederlandse recht op een bepaalde manier op te vatten.1
794. Gezamenlijk vormen de hoofdstukken 19 en 20 het antwoord op de in paragraaf 1.2.2 gestelde onderzoeksvraag: ‘stemt de wijze waarop het Nederlandse vermogensrecht het aanvullen van subjectieve rechten regelt overeen met hetgeen men op basis van de ratio van het aanvullen van sub jectieve rechten zou verwachten?’ De implicaties van het antwoord bespreek ik in hoofdstuk 21, dat als slotconclusie dient.