De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting
Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.1:4.1 Inleiding
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.1
4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS388539:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk staat de vraag centraal hoe de stichting gekarakteriseerd kan worden. In het bijzonder zal worden onderzocht wat de rechtskenmerken van de stichting inhouden, wat zij betekenen voor governanceopvattingen en governanceregelingen voor de stichting.
Uit het voorgaande hoofdstuk bleek dat in sommige sectoren een raad van toezicht verplicht is voorgeschreven. Stichtingen die niet verplicht zijn om een raad van toezicht in te stellen, kunnen niettemin vrijwillig overgaan tot instelling van een raad van toezicht. Wat is de invloed van de specifieke kenmerken van de stichting, die anders zijn dan de kenmerken van andere rechtspersonen, op de taak en op de bevoegdheden van de raad van toezicht van de stichting? Bezien wordt welke (minimale) bevoegdheden de raad van toezicht in verband met die kenmerken zou moeten hebben. Daarnaast wordt nagegaan of, mede in verband met deze kenmerken, een bovengrens geldt voor (combinaties van) bevoegdheden die aan de raad van toezicht kunnen worden toegekend.
Hierna komt allereerst het historische onderscheid tussen corporatieve en niet- corporatieve rechtspersonen aan de orde en het “normaaltype” stichting dat de wetgever voor ogen stond ten tijde van het opstellen van het eerste stichtingenrecht, de WS 1956. Het verschil tussen stichtingen en andere rechtspersonen is sinds de eerste wettelijke regeling terug te zien in de wettelijke omschrijving van de stichting, anders gezegd: in haar materiële kenmerken. Na een beschrijving van de wijze van vaststelling van het stichtingsdoel en de (on)mogelijkheid om het statutaire doel te wijzigen, komen de drie materiële kenmerken van de stichting aan de orde, te weten:
het hebben van een doelgebonden vermogen;
het uitkeringsverbod; en
het ledenverbod.