De procesovereenkomst
Einde inhoudsopgave
De procesovereenkomst (BPP nr. XIII) 2012/3.5:3.5 Conclusie
De procesovereenkomst (BPP nr. XIII) 2012/3.5
3.5 Conclusie
Documentgegevens:
M.W. Knigge, datum 24-10-2012
- Datum
24-10-2012
- Auteur
M.W. Knigge
- JCDI
JCDI:ADS387165:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In verschillende wettelijke bepalingen wordt het partijen mogelijk gemaakt om af te wijken van het procesrecht. Onderscheid kan gemaakt worden tussen de gevallen waarin partijen afwijken van de wettelijke competentieverdeling en/of het stelsel van rechtsmiddelen (paragraaf 3.2.2), de gevallen waarin zij afwijken van het bewijsrecht (paragraaf 3.2.3) en de gevallen waarin wordt afgeweken van de regels omtrent de rechtsingang en de gang van zaken tijdens de procedure (paragraaf 3.2.4). In sommige gevallen is voor een dergelijke afwijking een overeenkomst van partijen nodig, terwijl de wet in andere gevallen spreekt over een bepaalde verklaring of gedraging van partijen.
In de wet worden verschillende voorwaarden gesteld aan de mogelijkheid om af te wijken van het procesrecht. Zo wordt in sommige wetsbepalingen vereist dat procesovereenkomst betrekking heeft op een geschil'. Desondanks heeft te gelden dat procesovereenkomsten niet worden aangegaan in afhankelijkheid van een geschil', maar van een rechtsvordering, vezoek of verweer (paragraaf 3.3.2).
Verder wordt in sommige wetsbepalingen vereist dat sprake is van een geschil dat ter vrije bepaling van partijen staat. In dat geval vindt er een dubbele toets plaats aan de openbare orde. Ten eerste kan de procesovereenkomst niet geldig gesloten worden indien sprake is van een rechtsbetrekking die sterk beheerst wordt door recht van openbare orde. Daarnaast mag de overeenkomst van partijen, voor zover zij wel geldig is, niet leiden tot een resultaat dat in strijd is met de openbare orde. De bewijsovereenkomst kan op deze grond in een concreet geval buiten toepassing gelaten worden. Voor andere procesovereenkomsten is op andere wijze gewaarborgd dat zij niet leiden tot een resultaat dat in strijd is met de openbare orde. Aangenomen kan worden dat de 'niet-ter-vrije-bepaling'-beperking ook geldt voor de niet in de wet geregelde procesovereenkomsten waarbij een nauwe band bestaat met de materiële zaak waarover geprocedeerd wordt (paragraaf 3.3.3).
De ratio van het vereiste van een bepaalde rechtsbetrekking' is de bescherming van partijen. Ook in geval van artikel 329 (prorogatie), artikel 333 (uitsluiting hoger beroep) en artikel 153 Rv (bewijsovereenkomst) is een dergelijke bescherming wenselijk, zodat kan worden aangenomen dat dit vereiste hier analoog dient te worden toegepast. Voor de niet in de wet geregelde mogelijkheden om af te wijken van het procesrecht geldt hetzelfde (paragraaf 3.3.4).
Soms worden in de wet bewijs- en vormvoorschriften gesteld. Dergelijke voorschriften gelden niet voor de niet in de wet geregelde procesovereenkomsten, aangezien zonder een uitdrukkelijke wetsbepaling de inhoud van dergelijke bewijs-en vormvoorschriften voor partijen niet duidelijk is (paragraaf 3.3.5). Verder geldt dat het begrip onredelijke vertraging van het geding' nader is ingevuld door de verschillende landelijke rolreglementen. Dit vereiste laat aan de rechter dan ook minder beoordelingsruimte dan in eerste instantie lijkt. Denkbaar is dat dit vereiste ook gesteld wordt aan bepaalde niet in de wet geregelde mogelijkheden om af te wijken van het procesrecht (paragraaf 3.3.6). Voor beperkingen met betrekking tot het moment waarop kan worden afgeweken van het procesrecht geldt dat zij met name zijn ingegeven door de wens (één van) partijen te beschermen. Ook voor eventuele niet in de wet geregelde mogelijkheden om af te wijken van het procesrecht kan dit reden zijn voor een dergelijke beperking (paragraaf 3.3.7). Ten slotte zal een redelijk belang in de zin van artikel 8 lid 1 en 9 sub a Rv vrijwel steeds aanwezig zijn (paragraaf 3.3.8).
Gebleken is dat in die gevallen waarin de wet een bepaalde verklaring of gedraging van partijen vereist om af te wijken van het procesrecht, het een kwestie van uitleg van de wetsbepaling is of deze enkele verklaring of gedraging voor afwijking voldoende is. In sommige gevallen zal moeten blijken dat de wil van partijen ook op afwijking is gericht. In die gevallen is niet steeds een overeenkomst noodzakelijk, maar is een meerzijdige rechtshandeling (niet zijnde een overeenkomst) vaak reeds voldoende (paragraaf 3.4).