HR, 23-09-2022, nr. 22/02732
ECLI:NL:PHR:2022:853
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
23-09-2022
- Zaaknummer
22/02732
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Juridische beroepen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2022:1310, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 23‑09‑2022; (Raadkamer)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2022:853
ECLI:NL:PHR:2022:853, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 23‑09‑2022
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2022:1310
- Vindplaatsen
Uitspraak 23‑09‑2022
Inhoudsindicatie
Uitspraak vierde kamer. Vordering PG tot ontslag van rechterlijk ambtenaar o.g.v. arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, art. 46i.1 en 46o Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
VIERDE KAMER
Nummer 22/02732
Datum 23 september 2022
ARREST
op een vordering, als bedoeld in artikel 46o van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden van 13 juli 2022, tot ontslag als rechterlijk ambtenaar van:
[betrokkene] , geboren op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats] (hierna: de betrokkene).
1. De vordering van de Procureur-Generaal
De Procureur-Generaal heeft op 13 juli 2022 schriftelijk gevorderd dat de Hoge Raad de betrokkene op de voet van artikel 46i, lid 1, Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (hierna: Wrra) zal ontslaan met ingang van 1 oktober 2022.
Bij de vordering heeft de Procureur-Generaal de volgende stukken overgelegd:
a. de brief van het rechterlijk lid van het bestuur van de Rechtbank Amsterdam (hierna ook: de rechtbank) van 7 maart 2022, aan de Procureur-Generaal, houdende een verzoek tot vordering van ontslag van de betrokkene, met vijf bijlagen:(1) het Koninklijk Besluit van benoeming tot rechter van de betrokkene in de rechtbank;(2) het rapport van de arbeidsdeskundige van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het UWV) van 6 september 2021 en de beslissing ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: WIA-beslissing) van het UWV van 8 oktober 2021;(3) de WIA-beslissing van het UWV van 26 september 2017;(4) de brief van het gerechtsbestuur van 28 november 2017 aan de betrokkene over de arbeidsongeschiktheid;(5) de verklaring van de bedrijfsarts over de situatie van de betrokkene op 7 februari 2022;
b. de brief van de president van de rechtbank van 13 mei 2022 met de bevestiging van het verzoek tot ontslag;
c. de brief van de Procureur-Generaal van 8 juni 2022 aan de betrokkene over het voornemen tot het instellen van een vordering bij de Hoge Raad en het bieden van de mogelijkheid aan de betrokkene om haar zienswijze daarover mondeling of schriftelijk kenbaar te maken;
d. de brief van de betrokkene van 27 juni 2022 aan de Procureur-Generaal waarin zij haar zienswijze kenbaar maakt.
2. De raadkamer
Op 22 september 2022 is door de Hoge Raad in raadkamer het onderzoek, als bedoeld in artikel 46p, lid 1, Wrra, ingesteld.
De betrokkene is bij brief van 21 juli 2022 meegedeeld dat zij in de gelegenheid zal worden gesteld bij het onderzoek aanwezig te zijn en, zo gewenst, haar mening kenbaar te maken. Daarbij is vermeld dat het niet noodzakelijk is aanwezig te zijn in raadkamer, wanneer zij de vordering niet wenst te weerspreken.
De betrokkene heeft de griffier van de Hoge Raad op 28 juli 2022 bericht de vordering van de Procureur-Generaal niet te weerspreken en geen behoefte te hebben aan het bijwonen van het onderzoek in raadkamer.
De Procureur-Generaal heeft de vordering in raadkamer mondeling toegelicht.
3. Beoordeling
3.1
De betrokkene is rechter in de Rechtbank Amsterdam en derhalve een voor het leven benoemd rechterlijk ambtenaar als bedoeld in artikel 46b Wrra.
3.2
Artikel 46i, lid 1, Wrra bepaalt dat de rechterlijk ambtenaar, wanneer hij wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid, door de Hoge Raad kan worden ontslagen, indien:a. de ongeschiktheid twee jaar onafgebroken heeft geduurd;b. herstel van zijn ziekte binnen een periode van zes maanden na de in onderdeel a genoemde termijn van twee jaar redelijkerwijs niet is te verwachten; enc. naar het oordeel van de functionele autoriteit duurzame re-integratie in de eigen arbeid, in andere passende arbeid bij een gerecht of binnen het gezagsbereik van de Minister van Justitie en Veiligheid, of in passende arbeid buiten dat gezagsbereik, niet binnen een redelijke termijn is te verwachten.Artikel 46j Wrra bepaalt voorts dat bij de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 46i, lid 1, Wrra de uitslag wordt betrokken van de beoordeling door het UWV.
3.3
Gelet op de door de Procureur-Generaal overgelegde stukken en het in raadkamer ingestelde onderzoek is voldaan aan de in artikel 46i, lid 1, aanhef en onder a, b en c, Wrra genoemde voorwaarden. De Hoge Raad is van oordeel dat voldoende gronden aanwezig zijn om de betrokkene op de voet van artikel 46i Wrra per 1 oktober 2022 als rechterlijk ambtenaar ontslag te verlenen.
4. Beslissing
De Hoge Raad ontslaat [betrokkene] als rechterlijk ambtenaar per 1 oktober 2022.
Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter, de vice-president M.J. Kroeze en de raadsheren J. Wortel, A.L.J. van Strien en G.C. Makkink, in tegenwoordigheid van de griffier J. Storm, en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2022.
Conclusie 23‑09‑2022
Inhoudsindicatie
Uitspraak vierde kamer. Vordering PG tot ontslag van rechterlijk ambtenaar o.g.v. arbeidsongeschiktheid wegens ziekte, art. 46i.1 en 46o Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren.
K/2022/050
Aan de Hoge Raad der Nederlanden, Vierde Meervoudige Kamer
Vordering als bedoeld in artikel 46o van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren
betreffende
[betrokkene]
geboren op [geboortedatum] 1962, wonende aan de [a-straat 1] te [woonplaats].
[betrokkene] (hierna: de betrokkene) is rechter in de rechtbank Amsterdam en aldus een rechterlijk ambtenaar als bedoeld in artikel 46b van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Wrra). Zij is sinds 26 augustus 2019 (volledig) arbeidsongeschikt wegens ziekte. In zijn brief van 7 maart 2022 heeft mr. drs. S.F. van Merwijk, rechterlijk lid van het bestuur van de rechtbank Amsterdam, mij verzocht de betrokkene bij de Hoge Raad voor te dragen voor ontslag op grond van artikel 46i lid 1 Wrra. Mr. Van Merwijk heeft stukken overgelegd ter onderbouwing van de arbeidsongeschiktheid van de betrokkene. Het verzoek is desgevraagd door de president van de rechtbank, mr. C.M. Wiertz-Wezenbeek, bij brief van 13 mei 2022 bevestigd. Daarmee is sprake van een verzoek tot ontslag dat is gedaan door de functionele autoriteit van de betrokkene als bedoeld in artikel 46o lid 2 Wrra.
Artikel 46i lid 1 Wrra bepaalt dat een rechterlijk ambtenaar die wegens ziekte ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid door de Hoge Raad kan worden ontslagen indien a) de ongeschiktheid twee jaar onafgebroken heeft geduurd, b) herstel van zijn ziekte binnen een periode van zes maanden na voornoemde termijn van twee jaar redelijkerwijs niet is te verwachten en c) naar het oordeel van de functionele autoriteit duurzame re-integratie in de eigen arbeid, in andere passende arbeid bij een gerecht of binnen het gezagsbereik van de minister, of in passende arbeid buiten dat gezagsbereik, niet binnen een redelijke termijn is te verwachten.
Artikel 46j Wrra houdt in - kort gezegd - dat de Hoge Raad het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) betrekt bij de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 46i lid 1.
Uit de overgelegde stukken blijkt het volgende.
De betrokkene heeft zich voor het eerst ziek gemeld op 24 september 2015. Na de wachttijd van twee jaar is aan haar een WGA-uitkering toegekend. Volgens de desbetreffende beslissing van het UWV van 26 september 2017 was zij toen voor 68,37% arbeidsongeschikt. Op verzoek van de betrokkene is haar arbeidsduur bij de rechtbank teruggebracht van 25,29 uur per week naar 10 uur per week.
Wegens de toename van haar medische klachten per 26 augustus 2019 - de datum van volledige ziekmelding - heeft de betrokkene een herbeoordeling aangevraagd bij het UWV. De uitkomst van het arbeidsdeskundig onderzoek is vervat in een rapport van 6 september 2021. De arbeidsdeskundige van het UWV stelt vast dat de betrokkene haar eigen arbeid niet meer kan verrichten. Wat betreft algemeen geaccepteerde arbeid is de conclusie dat er onvoldoende functies kunnen worden geduid. De arbeidsdeskundige acht de betrokkene 100% arbeidsongeschikt. De arbeidsdeskundige vermeldt in het rapport dat de verzekeringsarts “een verbetering van de psychische en fysieke beperkingen” van de betrokkene verwacht binnen één tot anderhalf jaar. Bij beslissing van het UWV van 8 oktober 2021 is de arbeidsongeschiktheidsklasse vastgesteld op 80 tot 100%.
De meest recente beoordeling door de bedrijfsarts vond plaats op 7 februari 2022. Het betreft een, op verzoek van de rechtbank, uitgevoerd onderzoek naar de mogelijkheden voor werkhervatting en een prognose om het werk te kunnen hervatten in de eigen (aangepaste) functie. Het rapport van de bedrijfsarts houdt in dat over een periode van 26 weken geen herstel is te verwachten en de betrokkene voor het eigen werk ongeschikt blijft, alsook dat de belastbaarheid van de betrokkene voor het eigen en eventueel aangepast werk de komende 26 weken ongewijzigd blijft.
Op grond van het voorgaande ben ik van oordeel dat ten aanzien van de betrokkene is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor ontslag op grond van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte. Ten tijde van het indienen van deze vordering is de betrokkene bijna drie jaar volledig arbeidsongeschikt. Gelet op de beslissing van het UWV, het rapport van de arbeidsdeskundige en het rapport van de bedrijfsarts is duurzame re-integratie in de eigen arbeid of andere passende arbeid binnen een redelijke termijn niet te verwachten.
Alvorens over te gaan tot het instellen van een vordering bij de Hoge Raad, heb ik - overeenkomstig artikel 46o lid 3 Wrra - de betrokkene bij brief van 8 juni 2022 in de gelegenheid gesteld haar zienswijze naar voren te brengen. Van deze mogelijkheid heeft zij gebruikgemaakt. In haar brief van 27 juni 2022 onderschrijft de betrokkene dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor ontslag wegens ziekte. Ook licht zij toe dat zij niet zelf een verzoek tot ontslag bij koninklijk besluit indient vanwege de afwikkeling van een schadeclaim ter zake van het ongeval waardoor zij arbeidsongeschikt is geworden.
De betrokkene merkt op dat de in het verzoek voorgestelde datum van het ontslag, 1 januari 2022, zou betekenen dat het ontslag met terugwerkende kracht wordt verleend. Zij stelt naar mijn oordeel terecht dat de Wrra deze mogelijkheid niet kent.
De stukken van deze zaak leg ik over overeenkomstig de bijgevoegde inventarislijst.
Gelet op het voorgaande vorder ik dat de Hoge Raad [betrokkene] op de voet van artikel 46i lid 1 Wrra zal ontslaan met ingang van 1 oktober 2022.
’s-Gravenhage, 13 juli 2022
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,