Hof Arnhem-Leeuwarden, 03-10-2017, nr. 200.176.110
ECLI:NL:GHARL:2017:8580
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
03-10-2017
- Zaaknummer
200.176.110
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2017:8580, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 03‑10‑2017; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHARL:2017:1627, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 28‑02‑2017; (Hoger beroep)
- Vindplaatsen
PS-Updates.nl 2019-0648
PS-Updates.nl 2019-0643
Uitspraak 03‑10‑2017
Inhoudsindicatie
Niet objectiveerbaar letsel. Zwolsche/De Greef.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.176.110
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 352307)
arrest van 3 oktober 2017
in de zaak van:
de naamloze vennootschapA.S.R. Schadeverzekeringen N.V.,
gevestigd te Utrecht,
appellante in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde het incidenteel hoger beroep,
hierna: ASR,
advocaat: mr. W.A.M. Rupert,
tegen:
[Appellante] ,
wonende [Woonplaats] ,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellante in het incidenteel hoger beroep,
hierna: [Appellante] ,
advocaat: mr. J.V. van Ophem.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 28 februari 2017 hier over.
1.2
Het verdere verloop blijkt uit:
- de akte na tussenarrest van ASR van 23 mei 2017;
- de akte na tussenarrest (uitlaten deskundigen) van [Appellante] van 23 mei 2017.
1.3
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.
2. De verdere beoordeling in hoger beroep
2.1
Gebleven wordt bij hetgeen in het vorige arrest is overwogen en beslist. In dat arrest heeft het hof (rov. 4.7) geoordeeld dat voor de verdere beoordeling in hoger beroep als uitgangspunt zal hebben te gelden dat naast de door neuropsycholoog [Neuropsycholoog] geobjectiveerde cognitieve klachten, ook sprake is van door [Appellante] subjectief beleefde cognitieve klachten (concentratie- en geheugenproblemen, duizeligheid, wazig zien, gebrekkige woordvinding), en dat dit uitgangspunt ertoe leidt dat de te benoemen deskundige verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige bij hun onderzoek zowel van de door [Neuropsycholoog] en neuroloog [Neuroloog] geobjectiveerde klachten als de door [Appellante] geuite klachten hebben uit te gaan (zie vraagstelling 4.10). Het hof heeft partijen verzocht (rov. 4.11 van het vorige arrest) zich uit te laten over de te benoemen deskundigen en aan de deskundigen te stellen vragen. Het hof heeft partijen verzocht tijdig met elkaar in overleg te treden om mogelijk tot een gezamenlijke voordracht te komen, dan wel, door elkaars akte tijdig aan de ander toe te zenden, in de akte in te gaan op de bezwaren tegen de door de ander voorgestelde deskundige.2.2 In het kader van de aan de verzekeringsgeneeskundige te stellen vragen heeft ASR bezwaar gemaakt tegen het hiervoor geformuleerde uitgangspunt dat naast de door [Neuropsycholoog] en [Neuroloog] vastgestelde klachten ook moet worden uitgegaan van de door [Appellante] geuite klachten. Dat [Appellante] gezondheidsklachten heeft wordt erkend, betwist wordt echter dat deze geobjectiveerd kunnen worden. Het hof heeft bij die vaststelling van de ongevalsgerelateerde klachten de verkeerde maatstaf gehanteerd door niet uit te gaan van het Zwolsche Algemeene/De Greef criterium maar van de in rov. 4.6 onder a-c (van het tussenarrest van 28 februari 2017) neergelegde maatstaven. Uitgaande van deze verkeerde maatstaf heeft het hof niet getoetst (aan de hand van een daarop gericht deskundigenbericht) of de door [Appellante] beleefde klachten reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn. Het hof is louter uitgegaan van de door [Appellante] geuite klachten en heeft allerlei aspecten die afbreuk doen aan het realiteitsgehalte van die klachten (opgesomd onder 22 van de akte) niet besproken. Daarom moet aan de verzekeringsarts worden gevraagd enkel uit te gaan van de bevindingen van [Neuroloog] en [Neuropsycholoog] , aldus ASR.
2.3
ASR vraagt het hof hiermee om terug te komen op zijn oordeel dat het onder 4.6 onder a-c neergelegde criterium als uitgangspunt geldt en op zijn oordeel (4.7) dat naast de door [Neuropsycholoog] geobjectiveerde cognitieve klachten, ook sprake is en uitgegaan dient te worden van door [Appellante] subjectief beleefde cognitieve klachten. De eisen van een goede procesorde brengen mee dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerdere door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen (HR 24 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800 en HR 8 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1224). Het hof ziet in hetgeen ASR heeft aangevoerd geen aanleiding om terug te komen op deze beslissingen omdat van een onjuiste juridische of feitelijke grondslag geen sprake is. Het hof heeft, naast het consistente en samenhangende klachtenpatroon dat uit het (medisch) dossier is gebleken, voor de beoordeling van de vraag of de subjectieve klachten van [Appellante] plausibel (een van de aspecten in het onder 4.6 onder a geformuleerde criterium) – en dus: reëel en geloofwaardig – zijn, ook gewicht heeft toegekend aan het op verzoek van ASR door verzekeringsarts [Verzekeringsarts] opgestelde rapport waarin hij nadrukkelijk overweegt dat het ontbreken van medisch-somatische afwijkingen niet uitsluit dat toch sprake kan zijn van (post)whiplashsyndroom en dat [Appellante] een medisch herkenbaar klachtencomplex heeft na een acceleratie-deceleratie gebeurtenis. Het consistente klachtenpatroon tezamen met de objectivering van die klachten door het oordeel van de verzekeringsarts [Verzekeringsarts] dat het hier gaat om een medisch herkenbaar klachtenpatroon, heeft het hof in dit geval beoordeeld als een voldoende plausibel klachtenpatroon. Aan een nader deskundigenoordeel van een neuropsycholoog of een andere deskundige over de vraag of de subjectieve klachten reëel, niet ingebeeld en niet voorgewend zijn, had het hof, gelet op de voorhanden informatie, geen behoefte. Dat ASR het met de weging niet eens is, is geen reden om terug te komen op deze beslissingen.2.4 Dat de verzekeringsgeneeskundige de vrijheid moet hebben om aan te kunnen geven dat ondanks dat er sprake is van ongevalsgerelateerde klachten, aan die klachten geen beperkingen zijn toe te rekenen, zoals ASR onder 12 van haar akte betoogt, is op zichzelf juist maar het hof ziet niet in dat de vaststelling door het hof van de ongevalsgerelateerde klachten de verzekeringsgeneeskundige beperkt in de uitvoering van zijn taak om beperkingen vast te stellen die het gevolg zijn van de ongevalsgerelateerde klachten. Wel ziet het hof in de bezwaren van ASR aanleiding de vraag anders te formuleren zoals hierna in het dictum is opgenomen.
2.5
Anders dan ASR betoogt, zal het hof (in plaats van de benoeming van een verzekeringsgeneeskundige) niet uitgaan van de op verzoek van ASR door [Verzekeringsarts] opgemaakte verzekeringsgeneeskundige rapportage, alleen al vanwege het feit dat het hier een papieren rapportage betreft en [Verzekeringsarts] [Appellante] niet heeft onderzocht. Dat de - door ASR niet bestreden - opvattingen van [Verzekeringsarts] over de cognitieve klachten van [Appellante] door het hof mede zijn betrokken in de vraag naar het bestaan van die klachten, brengt niet mee dat het hof dús ook van de door [Verzekeringsarts] geduide beperkingen moet uitgaan, reeds vanwege het hiervoor genoemde aspect.
2.6
Partijen hebben ieder een of meer verzekeringsgeneeskundigen voorgedragen Kennelijk heeft, anders dan het hof aan partijen heeft verzocht, geen overleg plaatsgevonden over de te benoemen personen en hebben partijen evenmin op de door de andere partij voorgedragen deskundige gereageerd. Met bezwaren tegen de voorgedragen deskundigen, die op die wijze aan het licht hadden kunnen komen, is het hof dus niet bekend. Het hof zal verzekeringsgeneeskundige L.J.R.M. Buisman als deskundige benoemen. Hij heeft het hof desgevraagd per e-mail laten weten vrij te staan, dat zijn voorschot € 2.900,- bedraagt (12 uren x € 217,25 incl. btw en 3 uur administratieve werkzaamheden x € 90,75), dat hij [Appellante] eind november/begin december 2017 kan onderzoeken en dat hij naar schatting zes weken nodig heeft voor het opstellen van het rapport.2.7 Nadat [X] zijn onderzoek heeft afgerond en er een definitief rapport ligt, kan de arbeidsdeskundige met het onderzoek beginnen. Ook voor de persoon van de arbeidsdeskundige geldt dat partijen zich niet over elkaars voordracht hebben uitgelaten. Het hof zal E. Audenaerde tot arbeidsdeskundige benoemen. Hij heeft het hof desgevraagd per e-mail laten weten vrij te staan en dat zijn voorschot € 9.500,- bedraagt (40 uren x € 195,- vermeerderd met 21% btw).
2.8
De door partijen voorgestelde vragen aan de arbeidsdeskundige stemmen in grote lijnen overeen en zullen door het hof, deels geherformuleerd worden overgenomen. De vragen e en f van [Appellante] zullen eveneens, geherformuleerd, worden overgenomen.
2.9
Het hof ziet aanleiding ASR met de voorschotten van de deskundigen te belasten.
2.10
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
benoemt tot deskundige:
verzekeringsgeneeskundige L.J.R.M. Buisman[Postbus][Postcode en plaatsnaam][Telefoonnummer]
en
arbeidsdeskundige E. Audenaerde[Postbus][Postcode en plaatsnaam][Telefoonnummer][E-mailadres]
om een onderzoek in te stellen en schriftelijk bericht uit te brengen omtrent de volgende vragen:
Verzekeringsgeneeskundige: 1. Wilt u, uitgaande van de deskundigenrapporten van [Neuropsycholoog] en [Neuroloog] en van de door [Appellante] geuite ongevalsgerelateerde klachten (concentratie- geheugenklachten, hoofdpijn, duizeligheid, wazig zien, woordvindingsproblemen) een beperkingenprofiel opstellen ten behoeve van een arbeidsdeskundig onderzoek?2. Wilt u de door u vastgestelde beperkingen zo duidelijk mogelijk omschrijven en zo nodig toelichten?Arbeidsdeskundige:Voor de periode 2002 tot de pensioengerechtigde leeftijd van [Appellante] : 1. Wilt u, uitgaande van het door de verzekeringsarts vervaardigde beperkingenprofiel, rapporteren over de vraag of [Appellante] als gevolg van het haar overkomen ongeval in staat was en is de werkzaamheden te verrichten, verbonden aan het door haar voor het ongeval uitgeoefende beroep? Wilt u, indien [Appellante] daartoe niet geheel meer in staat is, aangeven in welke mate dat het geval was c.q. is? 2. Voor het geval [Appellante] niet geheel in staat is tot uitoefening van haar eigen functie: was en is zij in staat andere werkzaamheden te verrichten die, gelet op de opleiding en ervaring van betrokkene, als passend zijn aan te merken? Kunt u aangeven welke beroepen in aanmerking kwamen c.q. komen en voor hoeveel uren betrokkene per week geschikt zou zijn geweest? Wat is de loonwaarde van die beroepen? 3. Kunt u, indien sprake is van restverdiencapaciteit, vaststellen hoe groot de kans zou zijn geweest/zal zijn in de bedoelde periode voor [Appellante] om daadwerkelijk weer een baan te vinden, gegeven haar leeftijd, een periode van arbeidsongeschiktheid en haar beperkingen? Wilt u daarbij ook ingaan op haar kansen wanneer [Appellante] solliciteert vanuit een werkloosheidssituatie en wanneer een aangeschreven werkgever bekend raakt met het ongeval, de als gevolg van het ongeval ervaren klachten (rov. 4.7 van het arrest van 28 februari 2017) en de daarop volgende uitval voor haar eigen functie? 4. Geeft het onderzoek overigens nog aanleiding tot het maken van opmerkingen, die in verband met de beslissing van dit geschil van belang zouden kunnen zijn?
bepaalt dat de deskundigen tijdens het onderzoek partijen in de gelegenheid zullen stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en dat daarvan uit het schriftelijk bericht zal blijken;
bepaalt dat de deskundigen een concept-deskundigenbericht aan partijen zullen toesturen en partijen in de gelegenheid zullen stellen op dat concept te reageren alvorens een definitief bericht uit te brengen. In het definitieve deskundigenbericht zullen de deskundigen de reacties van partijen op het concept bespreken;
bepaalt dat [Appellante] aan de deskundigen een kopie van het volledige procesdossier ter beschikking zal stellen, eerst aan Buisman en na afronding van zijn rapport, aan Audenaerde dit inclusief het rapport van Buisman;
beveelt partijen om aan de deskundigen alle door dezen gewenste inlichtingen te verstrekken;
bepaalt dat deskundige Buisman het ondertekende deskundigenbericht vóór 30 januari 2018 toestuurt aan de griffie van dit hof (Postbus 9030, 6800 EM Arnhem);
bepaalt het voorschot van de kosten van de deskundigen op € 2.900,- en € 9.500,- (incl. btw);
bepaalt dat ASR het voorschot dient te betalen, conform de nota met betaalinstructies die ASR zal ontvangen van het Landelijke Dienstencentrum voor de Rechtspraak;
bepaalt dat dit voorschot (in beginsel) binnen vier weken na dagtekening van de nota van het Landelijk Dienstencentrum moet zijn voldaan;
bepaalt dat de deskundigen niet met het onderzoek zullen starten voordat de griffier heeft laten weten dat het voorschot is betaald;
bepaalt dat de deskundigen zich - door tussenkomst van de griffie - met vragen en opmerkingen kunnen wenden tot mr. S.C.P. Giesen, die hierbij wordt benoemd tot raadsheer-commissaris;
draagt de griffier op een afschrift van dit arrest aan de deskundigen te verzenden;
verwijst de zaak naar de rol van 29 mei 2018 voor memorie na deskundigenrapporten (van zowel Buisman als Audenaerde) aan de zijde van [Appellante] ;
houdt iedere verdere beslissing aan;
Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, A.E.B. ter Heide en S.C.P. Giesen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2017.
Uitspraak 28‑02‑2017
Inhoudsindicatie
Niet objectiveerbaar letsel. Zwolsche/De Greef.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.176.110
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 352307)
arrest van 28 februari 2017
in de zaak van:
de naamloze vennootschapA.S.R. Schadeverzekeringen N.V.,
gevestigd te Utrecht,
appellante in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde het incidenteel hoger beroep,
hierna: ASR,
advocaat: mr. W.A.M. Rupert,
tegen:
[Geïntimeerde] ,
wonende [Woonplaats] ,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellante in het incidenteel hoger beroep,
hierna: [Geïntimeerde] ,
advocaat: mr. J.V. van Ophem.
1. Het geding in eerste aanleg
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 20 november 2013, 2 april 2014, 24 september 2014, 29 oktober 2014, 22 juli 2015 die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, heeft gewezen.
2. Het geding in hoger beroep
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 28 augustus 2015;- de memorie van grieven met producties;- de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel hoger beroep;
- de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep;
- de akte overlegging aanvullende producties van [Geïntimeerde] van 13 december 2016;
- de pleidooien, waarbij aan beide zijden is gepleit aan de hand van pleitnotities, en
waarvan het proces-verbaal van de openbare terechtzitting van 13 december 2016 is
opgemaakt.
2.2
Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.
3. De vaststaande feiten
3.1
Het hof gaat uit van de volgende, merendeels met de vaststelling door de rechtbank overeenstemmende, feiten.
3.2
[Geïntimeerde] is op 29 juli 2002 als bestuurder van haar auto van achteren aangereden door een verzekerde van (een rechtsvoorganger van) ASR. Hierna zal/zullen de rechtsvoorganger(s) van ASR eveneens worden aangeduid als ASR. ASR heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend.
3.3
Ten tijde van het ongeval werkte [Geïntimeerde] bij GCA Schoonmaakdiensten (hierna: GCA). Zij is bij deze werkgever in dienst getreden op 14 januari 2001 voor een periode van 6 maanden. De arbeidsovereenkomst is met ingang van 13 juli 2002 verlengd voor een periode van een jaar. [Geïntimeerde] heeft zich op 2 september 2002 ziek gemeld. Het tijdelijk dienstverband dat eindigde met ingang van 13 juli 2003, is niet verlengd.
3.4
Op 30 juni 2004 heeft de verzekeringsarts [Verzekeringsarts 1] van het Uitkeringsorgaan Werknemersverzekeringen (UWV) [Geïntimeerde] onderzocht in het kader van de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de (voormalige) Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). [Verzekeringsarts 1] vermeldt als diagnose “postwhiplash-syndroom” en heeft in een Functionele Mogelijkheden Lijst de beperkingen van [Geïntimeerde] aangegeven.
3.5
Op 9 augustus 2004 heeft de arbeidsdeskundige [Arbeidsdeskundige 1] , in opdracht van het UWV, de mate van arbeidsongeschiktheid van [Geïntimeerde] beoordeeld. [Arbeidsdeskundige 1] heeft geconcludeerd dat [Geïntimeerde] ongeschikt is voor de maatgevende arbeid en dat zij onveranderd 80 tot 100% arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd.
3.6
In 2004 heeft [Geïntimeerde] bij CIR (“Centrum Integrale Rugzorg”) het programma “CIR-Intens-wad” doorlopen.
3.7
De neuroloog [Neuroloog 1] heeft op verzoek van de ongevallenverzekeraar Aegon op 21 september 2004 een rapport uitgebracht. [Neuroloog 1] heeft de door Aegon gestelde vragen beantwoord als volgt:
1. Bij elementair neurologisch onderzoek vind ik bij mevrouw [Geïntimeerde] geen afwijkingen. De nekbewegingen worden in uiterste stand voorzichtig uitgevoerd in verband met de klachten. De diagnose is status na whiplashletsel van de nek.
2. De gevonden afwijkingen komen in mijn ogen wel overeen met de klachten, de klachten zijn nu beduidend afgenomen na de therapie bij het CIR.
3. Ik acht de klachten en de lichte afwijkingen die ik vind een gevolg van het ongeval op 29-07-2002
4. Er is sprake van een eindtoestand voor wat betreft de ongevalsgevolgen.
5. Naar de criteria van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie acht ik het percentage invaliditeit hier 2% van de gehele mens.
3.8
Bij brief van 6 februari 2007 heeft de advocaat van [Geïntimeerde] aan ASR meegedeeld dat de schade per 31 december 2006 € 426.503,21 bedraagt, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juli 2002 en (eventueel) met nieuwe schadeposten van na 31 december 2006. In deze brief wordt ASR verzocht over te gaan tot betaling van dit bedrag aan [Geïntimeerde] . In de schadeopstelling is verwezen naar een arbeidsdeskundig advies van registerarbeidsdeskundige [Registerarbeidskundige] van [Zorginstelling] over de restcapaciteit/arbeidsongeschiktheid en adviezen van 1 juli 2006 van [Medewerker firma X] van [Firma 1] over de inkomensschade en de pensioenschade. Naar aanleiding van deze schadeopstelling heeft correspondentie plaatsgevonden tussen de advocaat van [Geïntimeerde] en ASR en zijn namens [Geïntimeerde] nadere stukken ingediend. Bij brief van 16 juli 2007 heeft ASR haar visie gegeven op de in de brief van 6 februari 2007 genoemde schadeposten en haar conclusie meegedeeld dat er geen aan het ongeval te relateren schade bestaat.
3.9
In 2008 zijn, in opdracht van [Geïntimeerde] , expertises uitgebracht door de verzekeringsarts [Verzekeringsarts 2] , de neuropsycholoog [Neuropsycholoog 1] en de arbeidsdeskundige [Arbeidsdeskundige 2] , allen werkzaam bij “ [Firma 2] ”.
3.10
Op 22 oktober 2009 zijn partijen, ter zitting van een door [Geïntimeerde] aanhangig gemaakt kort geding, overeengekomen mediation te beproeven. In het kader van de mediation zijn partijen overeengekomen neuroloog [Neuroloog 2] een expertise te laten verrichten.
3.11
[Neuroloog 2] heeft [Geïntimeerde] op 24 januari 2011 onderzocht en op 28 juli 2011 een definitief rapport uitgebracht. Over de medische voorgeschiedenis heeft [Neuroloog 2] vermeld:
“De voorgeschiedenis vermeldt behandeling van een hazenlip op jonge leeftijd en een betrekkelijk lange periode van klachten van haar linker arm in 1995/1996, waarvoor zij toen ook enige tijd in de WAO is geweest. Het aanvullende MRI-CWK onderzoek in het kader van die klachten toonde toen een asymptomatische HNP C5-C6 rechts en de neurologische conclusie luidde dat er voor haar klachten geen neurologische verklaring was. Het huisartsendossier maakt melding van psychische stress in die periode (mede)gerelateerd aan het overlijden van haar moeder in 1974. In de periode 1996 - 2002 heeft zij, zonder uitval door ziekte, goed gefunctioneerd. In 1999 gebruikte zij nog regelmatig Frisium. ”
Onder het kopje “beschouwing” vermeldt [Neuroloog 2] :
“Hoewel de ernst van het ongeluk niet goed bekend is, kan op grond van de aard van het ongeval en het inzicht dat ook bij relatief lage aanrijdingssnelheid van bijv. 20 km/uur een whiplash-syndroom/cervicaal wekedelenletsel kan ontstaan (zie de NVvN richtlijn “Diagnostiek en behandeling whiplashklachten) redelijkerwijs worden aangenomen dat bij het ongeval de mogelijkheid voor het ontstaan van een cervicaal wekedelenletsel aanwezig was”
(…)
Uit de verschillende verslagen volgt derhalve dat de nekklachten van mevr. [Geïntimeerde] misschien niet direct na het ongeval op de voorgrond stonden, maar een toename van nekpijnklachten in de volgende dagen valt m.i. wel goed te rijmen met een cervicaal wekedelenletsel”.
(…)
De bevindingen bij het huidig neurologisch onderzoek van locale cervicale pijn met gering asymmetrische, pijnlijke linksrotatie beperking en segmentaal samenhangende gevoeligheid bij de insertie van de nekspieren op het achterhoofd, wijzen op een locale irritatie, maar waarvan niet duidelijk is of deze veroorzaakt is door het ongeval of degeneratief is bepaald.
Op grond van deze gegevens is m.i. niet duidelijk sprake van een consistent (daarmee ook bedoeld: van aard wisselende, maar bij de verschillende onderzoeken steeds aanwezige) beperkte cervicale beweeglijkheid. Het beloop van de pijnklachten in de nek (…) wijzen m.i. op een thans niet meer aanwezige primair traumatische, somatische achtergrond voor haar chronische nek- en schouderpijn. Hoewel een relatie met het onderhavige ongeval niet uitgesloten kan worden, kan de bij het huidige onderzoek gevonden pijnlijke bewegingsbeperking, die past bij een lokale arthrogene irritatie, m.i. niet meer als een waarschijnlijk gevolg van het onderhavige ongeval worden gezien. (Hier wreekt zich echter dat er na het ongeval geen beeldvormende diagnostiek heeft plaatsgevonden) De aannemelijke pijn vanuit het linker AC-gewricht kan m.n. als een aspecifieke bevinding beschouwd worden.
(…)
Het ontstaan van cognitieve klachten en beperkingen ten tijde van een periode van heftige nek- schouder- en hoofdpijn is voorstelbaar als een met pijnbeleving samenhangend verschijnsel, maar het blijven bestaan van cognitieve klachten in een periode dat de pijnklachten aanzienlijk zijn afgenomen, zoal t.t.v. de intakebeoordeling door het CIR, en het eveneens thans op de voorgrond staan daarvan wijst op een althans niet volledig causaal verband.
(…).”
Onder het kopje “diagnose en conclusie” vermeldt [Neuroloog 2] :
“Het betreft chronische somatische en mentale klachten na een achteraanrijding met, naast verspreide kneuzingen ter plaatse van haar veiligheidsgordel, een aannemelijk dan wel mogelijk initieel cervicaal wekedelenletsel en in het kader van pijnklachten aanvankelijk grotendeels te begrijpen cognitieve stoornissen waarbij haar klachten zijn overgegaan in een chronisch pijnsyndroom zonder herkenbaar of aannemelijk posttraumatisch (cervicaal) somatisch substraat, met toegenomen cognitief dysfunctioneren dat bij het huidige aanvullende neuropsychologisch onderzoek in zeer lichte mate wordt geobjectiveerd, waarbij de gevonden lichte cognitieve stoornissen geen aannemelijk gevolg zijn van een hersenbeschadiging, maar mogelijk lijken samen te hangen met haar stemmingsontregeling, zoals die bij de psychologische beoordeling is gevonden. Daarbij wijzen bepaalde aspecten van het cognitieve functioneren ook op een niet-somatische achtergrond hiervan.
De door de mevr. [Geïntimeerde] ervaren beperkingen in haar functioneren kunnen daarmee m.i. niet worden verklaard als een medisch-somatisch gevolg van het onderhavige ongeval”
Op vraag 1d naar de onderlinge samenhang tussen de informatie die [Neuroloog 2] heeft verkregen van [Geïntimeerde] zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en zijn eigen bevindingen heeft [Neuroloog 2] geantwoord:
“(…). De huidige anamnese van haar pijnklachten en mentale klachten stemt grotendeels overeen met anamneses bij eerdere beoordelingen. Wat betreft de beweeglijkheid van de nek lopen de (wisselende) bevindingen bij eerdere lichamelijke onderzoeken en het huidige neurologische onderzoek enigszins uiteen. De verschillende beoordeling van haar mentale functioneren lopen uiteen, met o.a. een aantal bevestigende dan wel herkennende beoordelingen door behandelaars, verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen en een ontkennende danwel niet bevestigende eerdere en huidige neuropsychologische en huidige neurologische beoordeling.
(…)”
Naar aanleiding van de vraag naar differentiaal diagnostische overwegingen (vraag 1f)
heeft [Neuroloog 2] opgemerkt:
“Differentiaal diagnostische overwegingen zijn enerzijds een genuin postwhiplashsyndroom met cognitieve klachten die verklaard kunnen worden vanuit chronische, somatische pijn en anderzijds verdere differentiatie binnen niet-somatisch bepaalde chronische pijn zoals een somatoforme stoornis, hypochondrie of een (gedeeltelijk) nagebootste stoornis, e.e.a. te beoordeling van een psycholoog dan wel psychiater.”
De vraag welke mate van functieverlies (impairment) op zijn vakgebied kan worden vastgesteld (vraag 1g) heeft [Neuroloog 2] als volgt beantwoord:
“Bij ontbreken van een aannemelijk of aangetoond somatisch substraat voor haar chronische pijnklachten en bij ontbreken van een aannemelijk somatisch substraat voor haar cognitieve stoornissen, ontbreekt m.i. een grond voor het aangeven van een percentage blijvende functionele invaliditeit op neurologisch terrein.
Volgens de AMA gids 5e editie ie er m.i. sprake van DRE Cervical Spine category I, overeenkomend met 0% BI. Volgens de AMA 6e editie kan op grond van haar subjectieve pijnscore 2% blijvende invaliditeit worden overwogen. De hoge pijnscore van de PDQ was bij het neurologische onderzoek echter niet goed herkenbaar of invoelbaar.”
Op de vraag of sprake is van een medische eindsituatie of dat er nog verbetering of verslechtering mogelijk is (vraag 1i en 1j)heeft [Neuroloog 2] geantwoord:
“(…)
Op grond van mijn beoordeling dat haar huidige chronische pijnklachten en cognitieve klachten niet somatisch bepaald zijn, de beoordeling bij het NPO/PO dat haar cognitieve klachten wellicht samenhangen met een stemmingsstoornis en de anamnese van mevr. [Geïntimeerde] die wijst op een stresserende invloed van de onderhavige juridische procedure, acht ik wat betreft haar klachten en daarmee samenhangende subjectieve beperkingen echter nog wel enige verandering mogelijk.
(…)
Zowel wat betreft haar pijnklachten als wat betreft haar cognitieve klachten en beperkingen acht ik een verbetering mogelijk.”
Op vraag 2c en 2d, waarin wordt gevraagd naar het ontstaan van klachten en beperkingen zonder ongeval heeft [Neuroloog 2] geantwoord:
“De voorgeschiedenis van langdurige, niet neurologisch-somatisch verklaarde armklachten, suggereert m.i. de mogelijkheid van het ontstaan van chronische klachten op neurologisch terrein zonder het onderhavige ongeval.
(…)
Het bij mijn beantwoording van uw vraag 2c aangegeven risico op het ontstaan van chronische, niet somatisch bepaalde klachten als reactie op andere somatische of mentale, traumatische of stresserende gebeurtenissen kan ik niet verder in tijd of omvang kwantificeren.”
3.12
In het kader van de neurologische expertise heeft neuropsycholoog [Neuropsycholoog 2] [Geïntimeerde] op 17 februari 2011 onderzocht.
De eerste vraag of er stoornissen aantoonbaar zijn in het mentale functioneren, taalgebruik, de regulatie van emoties en gedrag of in de helderheid van het bewustzijn, heeft [Neuropsycholoog 2] als volgt beantwoord:
“Er zijn zeer lichte stoornissen aantoonbaar in het mentale functioneren, in de vorm van een bemoeilijkte aandacht bij een langdurige verdeelde aandachtstaak onder tijdsdruk, een wat vertraagd tempo bij een langdurige visuele zoektaak en een wat traag tempo bij het kleurbenoemen. Verder afwijkingen op ons vakgebied zijn er niet, en meer specifiek een vertraagd leestempo hebben we thans niet kunnen vaststellen. Er zou destijds sprake kunnen zijn geweest van een meetartefact. Of dat ook geldt voor de Fingertapping is niet zeker, het paradoxale resultaat daarvan zou kunnen berusten op perifere invloeden vanuit schouder of nek”.
Op de tweede vraag of het aannemelijk is dat de aangetoonde stoornissen veroorzaakt worden door een hersenbeschadiging of een gevolg zijn van bepaalde gebeurtenissen of aandoeningen, heeft [Neuropsycholoog 2] geantwoord dat het niet aannemelijk lijkt dat bovengenoemde stoornissen worden veroorzaakt door een structurele beschadiging van het cerebrum.
De derde vraag of er wellicht ander oorzaken, dan die bepaalde gebeurtenissen of aandoeningen zijn (al dan niet daarmee samenhangend) die een verklaring vormen voor de aangetoonde stoornissen, heeft [Neuropsycholoog 2] als volgt beantwoord:
“Ook uit de correspondentie wordt al wel duidelijk dat betrokkene uit balans is geraakt door een verandering in bejegening destijds van de zijde van de verzekeraar. Dit, gevoegd bij het gewijzigde levensperspectief waaronder het verlies van baan en carrière tegen de achtergrond van een carrièrelijn die betrekkelijk ambitieus aandoet. Het is dus mogelijk dat die emotionele dysbalans, waar betrokkene ook zelf nog steeds gewag van maakt, mede van invloed is geweest op haar concentratie, functionele stoornissen op dat niveau worden immers ook als criterium genoemd in DSM IV systematiek bij meerdere vormen van depressiviteit. Het zou dus kunnen dat de thans gemeten tekorten mede hun verklaring vinden in voornoemde stemmingsontregeling.”
Vraag vier betreft de vraag naar de beperkingen indien er sprake zou zijn van stoornissen die kunnen worden toegeschreven aan een hersenbeschadiging. Deze vraag heeft [Neuropsycholoog 2] als volgt beantwoord:
“Gezien het onder ad 2 gestelde hebben we in deze sfeer geen opmerkingen. Er zijn ongetwijfeld beperkingen, maar die liggen dan niet in het verlengde van een structurele beschadiging van het cerebrum.”
3.13
Op verzoek van ASR heeft [Verzekeringsarts 3] , verzekeringsarts, op 2 mei 2014 op basis van het rapport van [Neuroloog 2] en [Neuropsycholoog 2] het volgende gerapporteerd:5. Overwegingen 5.1. AlgemeenMevrouw maakte een – naar het lijkt – betrekkelijk lichte aanrijding in juli 2002 mee. Ze raakte niet bewusteloos en had geen zichtbaar letsel. Diverse behandeling hadden een gedeeltelijk, geen of slechts tijdelijk effect. Ze hield last van chronische lichamelijke en cognitieve klachten. Hoewel ‘erna’ nog geen ‘erdoor’ impliceert is weinig aannemelijk dat deze klachten en daarbij door haar ervaren belemmeringen niets (meer) met het ongeval te maken zouden hebben. Het volstaat niet daarvoor te betogen dat er geen medisch-somatische verklaring of oorzaak van de klachten aanwijsbaar is, zoals bij neurologisch deskundigen onderzoek is gebeurd. Het medische domein omvat meer dan alleen het lichamelijke waarbij de relatie tussen lichamelijke afwijkingen enerzijds en klachten en ervaren belemmeringen anderzijds per individu sterk kan verschillen. De geneeskunde – en ook de neurologie – kent bovendien vele beelden waarbij dergelijke afwijkingen geheel ontbreken maar niettemin duidelijk is dat er klachten en beperkingen bestaan. De Gezondheidsraad (…) wijst erop dat de persoonlijke en sociale context een belangrijke rol kan spelen bij het ervaren van belemmeringen. Medische (specialistische) kennis alleen is vaak onvoldoende om dit te kunnen beoordelen. Daarom moet deze context telkens bij de verzekeringsgeneeskundig beoordeling betrokken worden. (…) Het ontbreken van medisch-somatische afwijkingen sluit bovendien niet uit dat toch sprake kan zijn van (post)whiplashsyndroom. (…) Concluderend heeft mevrouw een medisch herkenbaar klachtencomplex na een acceleratie-deceleratie gebeurtenis. (…)5.2 CausaliteitDat wil niet zeggen dat alle door mevrouw ervaren belemmeringen als ongevalsgevolg opgevat kunnen worden. Er is een evidente predispositie met langdurig verzuim in 1995/1996 wegens lichamelijk onverklaarde klachten. Er is in die jaren ook sprake van psychische problemen met gebruik van een angstdempend middel, dat mevrouw na het ongeval opnieuw – of nog steeds – blijkt te gebruiken. Kennelijk bestonden er nog steeds psychische problemen als voor het ongeval. In dat geval is er ook pre-existentie. Het langdurig gebruik van dat middel kan bijgedragen hebben aan traagheid en tempoverlies die bij diverse onderzoeken is geobserveerd. Bij de interpretatie van beide neuropsychologische onderzoeken lijkt daar geen rekening mee gehouden. Dat geldt ook het gebruik van tramadol vanwege latere enkelklachten ten tijde van het laatste onderzoek, dat evenmin als ongevalsgevolg beschouwd kan worden. Bij doornemen van de sociale context valt op dat één jaar vóór het ongeval sprake was van werkloosheid na ontslag met vergoeding via de kantonrechter. Mevrouw verrichtte ten tijde van het ongeval verder onduidelijk blijvende werkzaamheden voor een ‘stamrecht-BV’. Mogelijk verkeerde haar loopbaan al vóór het ongeval in een impasse, die dan dus niet aan het ongeval geattribueerd kan worden. De terugval van haar gezondheidstoestand na 2007 – en kennelijk opnieuw in 2011 – kan een recidief van de depressie (?) in 1996 geweest zijn. Mevrouw beschuldigt de verzekeraar ervan die veroorzaakt te hebben, wat enigszins manipulatief overkomt en in elk geval niet feitelijk vaststelbaar is. Het natuurlijk beloop van herstel na een letsel is in principe geleidelijke verbetering, ook door gewenning en aanpassing – en niet dat klachten en belemmeringen als ongevalsgevolg na zes jaar weer toenemen. Daarom kunnen dergelijke klachten na 2004-2006 en eventuele daarmee samenhangende beperkingen bezwaarlijk als ongevalsgevolg opgevat worden. Een mogelijke werkhypothese wat betreft causaliteit is dat mevrouw jarenlang ambitieus op de grenzen van haar mogelijkheden heeft gefunctioneerd, waarbij de klachten na het ongeval haar uit deze precaire balans hebben gebracht maar eigenlijk meer een luxerende dan oorzakelijke en later meer onderhoudende rol hebben gespeeld. (…) Samenvattend is er een beperkte causaliteit met in elk geval predispositie en mogelijk ook pre-existentie.5.3. BeperkingenNiet alle belemmeringen (zogenaamde claimklachten) die mevrouw ervaart kunnen als beperkingen aanvaard worden. De cognitieve belemmeringen worden bij herhaald neuropsychologisch onderzoek niet of nauwelijks geobjectiveerd. Het lijkt erop (…) dat zij in staat is tot alledaags zelfstandig functioneren. En zelfs meer dan dat: in 2005, drie jaar na het ongeval, was zij kennelijk actief als voorzitter van een stichting en in de politiek; in 2006 kocht ze een restaurant. Dat beeld past niet bij aanmerkelijke cognitieve beperkingen. Beperkingen van normaal persoonlijk en sociaal functioneren conform de definities van de functionele mogelijkhedenlijst – zoals voor aandacht en herinneren – zijn zeer onaannemelijk. Hooguit is denkbaar dat mevrouw beperkt is ten aanzien van eisen op dit terrein die de normaal dagelijkse aanzienlijk te boven gaan – bijvoorbeeld met betrekking tot veelvuldig werken onder tijdsdruk, in hoog tempo of met intensieve taakwisselingen. Het lijkt erop dat haar laatste werk zulke eisen stelde (…). Uitgaand van het bestaan van chronische pijn – zoals de deskundige neuroloog doet – is verder denkbaar dat mevrouw buiten staat is lange dagen of op onregelmatige tijden te functioneren. Pijn maakt moe en minder stressbestendig en vereist daarom regelmaat en tijdige ontspanning en rust. (…) Onder voorwaarde van ruime taakautonomie om van houding te kunnen wisselen zal passend werk zeer waarschijnlijk mogelijk zijn voor zover dat geen fysiek zware inspanning of lang volgehouden statische houdingen vereist. Samenvattend zijn hooguit lichte cognitieve en fysieke beperkingen aannemelijk.6. ConclusieOp grond van de uit beide deskundigenrapporten blijkende feiten en omstandigheden is het bestaan van beperkingen ten aanzien van langdurige en intensieve cognitieve inspanningen als ongevalsgevolg denkbaar. Mogelijk is mevrouw daardoor ongeschikt geworden voor eigen werk (…). Gezien het in elk geval bescheiden karakter van beperkingen die mogelijk als ongevalsgevolg opgevat zouden kunnen worden, is geschiktheid voor passende arbeid aannemelijk, eventueel nader te beoordelen bij arbeidskundig onderzoek.
4. De beoordeling van de grieven en de vordering
4.1
Het gaat in deze zaak om de gevolgen van het [Geïntimeerde] op 29 juli 2002 overkomen ongeval. [Geïntimeerde] stelt dat zij als gevolg van het haar overkomen ongeval klachten heeft ondervonden en ondervindt van verminderde concentratie, aandacht, begrip en gebruik van taal, verminderd geheugen en moeite met rekenen en denken, alsmede hoofd- en nekpijnklachten, wazig zien en verminderd evenwicht. Als gevolg van deze klachten stelt zij dat zij blijvend arbeidsongeschikt was en is en minder zelfredzaam. In deze procedure vordert zij de schade (inkomens- en pensioenschade, smartengeld en diverse kosten) die zij daardoor lijdt en heeft geleden. De rechtbank heeft, na aftrek van betaalde voorschotten, in totaal € 240.316,- in hoofdsom aan schadevergoeding toegewezen.
4.2
Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van 2 april 2014, 24 september 2014, 29 oktober 2014 en 22 juli 2015 (hierna: vonnis 1, 2, 3 en 4).ASR heeft in hoger beroep geconcludeerd tot vernietiging van de genoemde vier vonnissen, en tot (volledige althans in overwegende mate) afwijzing van het door [Geïntimeerde] gevorderde en veroordeling van [Geïntimeerde] tot terugbetaling van het door haar teveel ontvangen bedrag, met veroordeling van [Geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties. [Geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen van 2 april 2014, 24 september 2014 en 22 juli 2015 en ASR te veroordelen tot betaling van- € 273.007,44 wegens verlies van arbeidsvermogen;- € 95.740,42 aan pensioenschade;- € 74.970,- aan kosten van rechtskundige bijstand;- € 42.000,- aan vergoeding van immateriële schade,met veroordeling van ASR in de kosten van beide instanties.
4.3
De grieven van ASR en [Geïntimeerde] stellen de volgende kwesties aan de orde:a) de aard en omvang van de klachten en de vraag of deze ongevalsgerelateerd zijn (grieven 1 en 2 ASR);b) de beperkingen voor het verrichten van loonvormende arbeid als gevolg van de ongevalsgerelateerde klachten (grieven 3 tot en met 10 van ASR);c) de looptijd (grieven 9 en 11 ASR en grief 1 van [Geïntimeerde] );d) de begroting van diverse schadeposten (grieven 12 tot en met 14 van ASR, grieven 2 en 3 [Geïntimeerde] ).
a) aard en omvang ongevalsgerelateerde klachten
4.4
De rechtbank heeft in het vonnis van 2 april 2014 overwogen dat uit de rapporten van [Neuroloog 2] en [Neuropsycholoog 2] , die als uitgangspunt hebben te gelden, de conclusie volgt dat geen sprake is van aannemelijk somatisch letsel dat de gezondheidsklachten kan verklaren en dat voor de door [Neuropsycholoog 2] vastgestelde lichte cognitieve klachten een somatische oorzaak niet aannemelijk is. Volgens de rechtbank kunnen er in het dossier echter voldoende objectieve aanknopingspunten worden gevonden om vast te stellen dat bij [Geïntimeerde] sprake is van werkelijke klachten die het gevolg zijn van het ongeval (rov. 4.7). In dat verband heeft de rechtbank overwogen dat uit het dossier een consistent en samenhangend klachtenpatroon naar voren komt, waarbij nekpijn, hoofdpijn en de cognitieve klachten op de voorgrond staan en ook [Neuroloog 2] heeft geconstateerd dat de huidige anamnese van pijnklachten en cognitieve klachten grotendeels overeenstemt met eerdere beoordelingen (rov. 4.8). Van het bestaan van de door [Geïntimeerde] gestelde klachten wordt dan ook uitgegaan, evenals van het verband tussen die klachten en het ongeval (rov. 4.9 en 4.10).
4.5
De daartegen gerichte grief van ASR komt er in de kern op neer dat ASR alleen aansprakelijk is voor de klachten waarvan objectief is vastgesteld dat die reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn. Daarvan is geen sprake nu geen van de geraadpleegde deskundigen de door [Geïntimeerde] geuite cognitieve klachten heeft bevestigd in de mate waarin [Geïntimeerde] deze klachten stelt te ervaren.
4.6
Het hof stelt het volgende voorop:a. Het is aan de benadeelde om te stellen en, bij gemotiveerde betwisting, te bewijzen dat hij aan gezondheidsklachten lijdt. Het enkele feit dat het klachten betreft die naar hun aard subjectief zijn, betekent niet dat het bewijs ervan niet geleverd kan worden. Wanneer kan worden vastgesteld dat het klachtenpatroon plausibel is, hetgeen doorgaans het geval zal zijn bij een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten, kan van het bestaan van dergelijke subjectieve klachten worden uitgegaan;b. Indien de benadeelde heeft aangetoond dat zijn subjectieve gezondheidsklachten in de hiervoor bedoelde betekenis bestaan, mogen aan het bewijs van het oorzakelijk verband tussen het ongeval en deze klachten geen al te hoge eisen worden gesteld, in die zin dat het ontbreken van een specifieke, medisch aantoonbare verklaring voor de klachten niet in de weg staat aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband geleverd is (vgl. Hoge Raad 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2054). Indien komt vast te staan dat de benadeelde voorafgaand aan het ongeval deze gezondheidsklachten niet had, de gezondheidsklachten op zich door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de gezondheidsklachten ontbreekt, zal het bewijs van oorzakelijk verband daarmee veelal geleverd zijn;c. Indien het causaal verband tussen de subjectieve gezondheidsklachten en het ongeval is vastgesteld, dient te worden beoordeeld of deze gezondheidsklachten ook tot beperkingen leiden. Het gaat bij de beoordeling van de beperkingen niet zozeer om het vaststellen van de meetbare functionele beperkingen van de benadeelde, maar om het vaststellen van de mate van activiteiten en participatie van het slachtoffer. Bij die vaststelling zijn niet alleen de lichaamsfuncties en anatomische eigenschappen relevant, maar dienen ook de persoonlijke en omgevingsfactoren van de benadeelde te worden gewogen. Het enkele feit dat sprake is van subjectieve klachten, waarvoor een neurologisch substraat ontbreekt, staat dan ook nog niet in de weg aan de conclusie dat toch sprake is van beperkingen in de hiervoor weergegeven betekenis.
4.7
Het feit dat de diverse ((para)-medische) deskundigen die [Geïntimeerde] hebben onderzocht niet hebben kunnen vaststellen dat sprake is van de cognitieve klachten die [Geïntimeerde] stelt te ondervinden, rechtvaardigt tegen de achtergrond van de hiervoor onder 4.6 a genoemde maatstaf, niet de conclusie die ASR trekt, te weten dat niet aannemelijk is dat [Geïntimeerde] als gevolg van het ongeval die klachten ondervindt. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat in het dossier voldoende objectieve aanknopingspunten kunnen worden gevonden om aan te nemen dat bij [Geïntimeerde] sprake is van werkelijk bestaande klachten. Het hof verwijst naar hetgeen de rechtbank daartoe in rov. 4.8 van het vonnis van 2 april 2014 heeft overwogen en beslist en neemt dit over. Uit het dossier volgt een consistent en samenhangend klachtenpatroon waarbij de nekpijn en de concentratie-en geheugenproblemen (en daarvan afgeleide problemen zoals woordvindingsproblemen, duizeligheid, wazig zien, hoofdpijn) steeds op de voorgrond stonden en staan. Het hof verwijst in aanvulling hierop ook nog naar het op verzoek van ASR door verzekeringsarts [Verzekeringsarts 3] opgestelde rapport waarin hij nadrukkelijk overweegt dat het ontbreken van medisch-somatische afwijkingen niet uitsluit dat toch sprake kan zijn van (post)whiplashsyndroom. Volgens hem heeft [Geïntimeerde] een medisch herkenbaar klachtencomplex na een acceleratie-deceleratie gebeurtenis. Net als de rechtbank kan naar het oordeel van het hof worden uitgegaan van het bestaan van de door [Geïntimeerde] geuite (subjectieve) klachten. Tegen het oordeel van de rechtbank dat de klachten op grond van voorgaande redenering het gevolg zijn van het ongeval (rov. 4.9 en 4.10 vonnis 1) heeft ASR geen dan wel onvoldoende gemotiveerde grieven gericht zodat van dat oordeel zal worden uitgegaan. Voor de verdere beoordeling in hoger beroep heeft daarmee als uitgangspunt te gelden dat naast de door [Neuropsycholoog 2] geobjectiveerde cognitieve klachten, ook sprake is van door [Geïntimeerde] subjectief beleefde cognitieve klachten (concentratie- en geheugenproblemen, duizeligheid, wazig zien, gebrekkige woordvinding) die het gevolg zijn van het haar op 29 juli 2002 overkomen ongeval.
b) beperkingen
4.8
De rechtbank heeft voor de vaststelling van de uit de klachten voortvloeiende beperkingen in het vonnis van 2 april 2014 overwogen dat in de gegeven omstandigheden geen reden wordt gezien een deskundige te benoemen (rov. 4.12). De rechtbank acht het aannemelijk dat uit de whiplashachtige klachten beperkingen voortvloeien die van invloed zijn op het arbeidsvermogen van [Geïntimeerde] . Mede door acht te slaan op de bevindingen van de verzekeringsarts van het UWV, oordeelt de rechtbank dat sprake is van causaal verband tussen het ongeval en de ziekmelding op 2 september 2002 en de daarop volgende problemen met re-integratie bij haar oude werkgever en na het einde van het dienstverband bij een andere werkgever (rov. 4.13). In rov. 2.9 van het vonnis van 24 september 2014 heeft de rechtbank nog overwogen dat zij aan een oordeel over de mate van arbeidsongeschiktheid niet is toegekomen, omdat het oordeel dat direct verband bestaat tussen het ongeval en het verlies van werk en het onvermogen te re-integreren, impliceert dat [Geïntimeerde] een eventueel resterende verdiencapaciteit, door aan het ongeval te wijten omstandigheden, niet heeft kunnen realiseren. Bij de begroting van de schade is de rechtbank er dan ook van uitgegaan dat het verlies van loonvormende arbeid het gevolg is van de fysieke en cognitieve klachten van [Geïntimeerde] die zijn ontstaan door het ongeval, zij het dat niet van volledige arbeidsongeschiktheid tot aan de pensioengerechtigde leeftijd wordt uitgegaan (rov. 4.16 van het vonnis van 2 april 2014).
4.9
Het bezwaar van ASR tegen deze redenering van de rechtbank is dat zonder vaststelling door een deskundige van de uit de klachten voortvloeiende beperkingen en vervolgens beoordeling van het effect van die beperkingen op de mogelijkheid tot het verrichten van loonvormende arbeid, is aangenomen dat het einde van het dienstverband en het uitblijven van re-integratie het gevolg zijn van het ongeval. Volgens ASR had [Geïntimeerde] op enig moment na het ongeval wel degelijk (deels) weer kunnen werken en zo ook haar schade kunnen beperken. ASR bestrijdt ook dat de mislukte re-integratie verband houdt met aan het ongeval te wijten omstandigheden.
4.10
Voor de beoordeling van de vraag of [Geïntimeerde] als gevolg van het ongeval arbeidsvermogensschade heeft geleden, dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de inkomenssituatie zonder ongeval – tussen partijen is niet in geschil dat daarbij moet worden uitgegaan van de laatste functie van [Geïntimeerde] bij GCA – en de situatie waarin [Geïntimeerde] na het ongeval is komen te verkeren of had kunnen komen te verkeren. Met de grieven wordt door ASR betoogd dat [Geïntimeerde] na het ongeval reële mogelijkheden had om loonvormende arbeid te verrichten en dat zij dat (ook uit oogpunt van schadebeperking) had moeten doen. Anders dan de rechtbank acht het hof zonder nadere voorlichting door een deskundige niet zonder meer gegeven dat het bestaan van de klachten (per definitie) tot beperkingen leidt, althans tot beperkingen in die mate dat [Geïntimeerde] als gevolg daarvan na het ongeval niet heeft kunnen re-integreren c.q. loonvormende arbeid heeft kunnen verrichten. De informatie (van onder andere het UWV) die zich in het dossier bevindt acht het hof onvoldoende onderbouwd en niet vanuit het juiste beoordelingskader opgesteld om als (enige) informatiebron te kunnen dienen. Het hof zal een verzekeringsgeneeskundige en vervolgens een arbeidsdeskundige benoemen om zich te laten voorlichten. Het hof is voornemens de volgende vraag aan de verzekeringsgeneeskundige te stellen:“Kunt u vaststellen welke beperkingen er voortvloeiden en voortvloeien uit de door [Geïntimeerde] als gevolg van het ongeval ondervonden fysieke en cognitieve klachten, zoals die volgen uit de rapporten van [Neuroloog 2] en [Neuropsycholoog 2] en uit de door [Geïntimeerde] geuite en door het hof als bestaand en ongevalsgerelateerd aangemerkte klachten (concentratie- en geheugenklachten, hoofdpijn, duizeligheid, wazig zien, woordvindingsproblemen)?”
4.11
Beide partijen worden in de gelegenheid gesteld om bij gelijktijdig te nemen akte, zowel met betrekking tot het onderzoek door de verzekeringsgeneeskundige als de arbeidsdeskundige, zelf vragen te formuleren en om zich uit te laten over de door het hof voorgestelde vraag, over de personen, hoedanigheden en relevante kwaliteiten van de te benoemen deskundige. Het hof verzoekt aan partijen tijdig met elkaar in overleg te treden over in ieder geval de persoon van de te benoemen deskundigen en zo mogelijk gezamenlijk een persoon voor te dragen. Indien partijen niet slagen in een gezamenlijke voordracht, verzoekt het hof aan partijen in hun tevoren over en weer aan elkaar toe te zenden akten in te gaan op de door de wederpartij voor te dragen personen en op eventuele bezwaren tegen benoeming van bepaalde personen, dan wel mee te delen dat partijen zich op dit punt refereren aan het oordeel van het hof. Het hof zal ASR belasten met het voorschot op de kosten van de deskundige.
c) looptijd
4.12
In de terugval in het herstel van [Geïntimeerde] als gevolg van een brief van ASR van 16 juli 2007, bezien in samenhang met het rapport van [Neuroloog 2] heeft de rechtbank een concrete aanwijzing gezien dat bij [Geïntimeerde] sprake is van een predispositie die er enerzijds toe bijdraagt dat de klachten in stand blijven maar ook dat vanwege deze predispositie een reële kans bestond dat zij zonder ongeval in stressvolle omstandigheden vergelijkbare chronische klachten zonder aantoonbaar medisch substraat zou hebben ontwikkeld en volledig zou zijn uitgevallen. De rechtbank heeft de looptijd van de schade bepaald, rekening houdend met goede en kwade kansen, op 10 jaar, gerekend vanaf het ongeval. Na afloop van die periode kan de schade niet meer aan het ongeval worden toegerekend (rov. 4.16 van het vonnis van 2 april 2014).
4.13
ASR heeft bepleit dat in het dossier voldoende aanknopingspunten zijn dat [Geïntimeerde] , het ongeval weggedacht, veel eerder, in 2007 al, klachten zou hebben ontwikkeld als gevolg waarvan zij volledig zou zijn uitgevallen. [Geïntimeerde] stelt zich daartegenover juist op het standpunt dat er onvoldoende concrete aanwijzingen zijn dat [Geïntimeerde] zonder ongeval ook klachten zou hebben ontwikkeld en volledig arbeidsongeschikt zou zijn geworden. Het hof houdt de beoordeling van deze grieven aan tot na de beoordeling van de deskundigenberichten.
d) begroting diverse schadeposten
4.14
ASR heeft een kritiek geuit op de wijze van begroting van de arbeidsvermogensschade. [Geïntimeerde] komt op tegen de begroting van het smartengeld en de buitengerechtelijke kosten. Daarop zal het hof in een later stadium ingaan.
4.15
Ten slotte overweegt het hof nog dit. Zoals ter zitting is besproken is het ASR vooral te doen om de in haar ogen onjuiste wijze waarop de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat in de feitelijke situatie ervan moet worden uitgegaan dat [Geïntimeerde] (gedurende 10 jaar) na het ongeval niet in staat was loonvormende arbeid te verrichten. Ter zitting is door beide partijen verder uitgesproken dat - mede afgezet tegen het traject dat thans in hoger beroep wordt ingezet en de onzekerheid over de uitkomst daarvan -, de beslissing van de rechtbank voor beide partijen mogelijk een aanvaardbare is maar dat met name de hiervoor genoemde beslissing van de rechtbank een blokkade vormt voor ASR om een minnelijke regeling te treffen. Nu op dit voor ASR meest voorname punt is beslist, geeft het hof partijen in overweging (opnieuw) in overleg te gaan over een minnelijke regeling.
4.16
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
verwijst de zaak naar de roldatum 28 maart 2017 voor akte aan de zijde van beide partijen als bedoeld in rov. 4.11;
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, A.E.B. ter Heide en S.C.P. Giesen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2017.