Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/IV.3.1
IV.3.1 Inleiding
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460151:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een overzicht van critici voetnoot 5.
Ook kan worden betwijfeld of de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf (in de huidige vorm) zuiver is in het kader van Boek 2-aansprakelijkheid, maar omdat deze aansprakelijkheidsregeling slechts beperkt relevant is in het kader van milieuaansprakelijkheid, laat ik deze kwestie verder in het midden. Uitvoerig hierover Westenbroek 2017, hoofdstuk 3-7.
Westenbroek 2017.
Karapetian 2019.
Andere proefschriften waarin ook de voorwaarden voor bestuurdersaansprakelijkheid aan bod komen, zijn De Valk 2009, Strik 2010 en Perquin-Deelen 2020.
Dit was tot 2006 het geval. Zie bijvoorbeeld, HR 30 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5154, NJ 2006/312, m.nt. Schilfgaarde (Ontvanger/S), r.o. 3.4.3. In de annotatie ontleedt Van Schilfgaarde het arrest op basis van de normale aansprakelijkheidsvoorwaarden van artikel 6:162 BW. Zie hieromtrent uitvoeriger par. IV.2.3.
Dit is precies wat er gebeurde in reactie op Bleeker 2020a. Brack meende dat mijn bespreking van de rechtvaardiging voor de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf onvolledig was, omdat ik niet ben ingegaan op de business judgment rule en de hindsight bias. Brack 2020. Zie voor mijn naschrift Bleeker 2020b.
In dit privaatrechtelijke hoofdstuk onderzoek ik onder welke voorwaarden leidinggevenden persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor het schenden van milieunormen. In het kader van de aansprakelijkheid tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad is gebleken dat niet voor alle leidinggevenden dezelfde vereisten gelden: voor bestuurders van rechtspersonen wordt afgeweken van de gewone regels van de onrechtmatige daad. Volgens de heersende leer is het namelijk voor de aansprakelijkheid van bestuurders die in hoedanigheid hebben gehandeld niet voldoende dat ze de vereisten van artikel 6:162 BW vervullen; daarnaast moet de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt treffen voordat hij aansprakelijk is.
In paragraaf IV.2 heb ik deze ernstig verwijt-maatstaf onder de loep genomen. Bij de nadere bestudering van de totstandkoming, inhoud, plaats en het toepassingsbereik van de ernstig verwijt-maatstaf in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad, is gebleken dat het leerstuk de nodige mankementen vertoont. Ik ben niet de eerste die hierop wijst: al sinds de invoering van de ernstig verwijt-maatstaf in het algemene aansprakelijkheidsrecht is er een aanhoudende stroom van kritiek.1 Desondanks houdt de Hoge Raad vast aan de ernstig verwijtmaatstaf. De vraag rijst waarom deze toets überhaupt wordt toegepast in het kader van de onrechtmatige daad.2
Om die vraag te beantwoorden, is van belang om de onderbouwing van de ernstig verwijt-doctrine in kaart te brengen. In deze paragraaf bespreek en evalueer ik de argumenten die worden aangevoerd ter rechtvaardiging van deze doctrine. In dat kader komen ook de tegenargumenten aan bod. Door het debat rondom het leerstuk in kaart te brengen en de validiteit van de verschillende argumenten te controleren, kan de vraag worden beantwoord of de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad – alle argumenten overziend en afgewogen – gerechtvaardigd is.
Voor het in kaart brengen van het ernstig verwijt-debat en de beoordeling van de kwaliteit van de argumenten, maak ik dankbaar gebruik van- en bouw ik voort op recent verschenen proefschriften over bestuurdersaansprakelijkheid – en dan met name die van Westenbroek3 en Karapetian4 – waarin ook de totstandkoming en de rechtvaardiging van het afwijkende, restrictieve aansprakelijkheidsregime voor bestuurders kritisch is onderzocht.5
Ontbreekt een goede rechtvaardiging, dan is er des te meer reden om voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad weer6 de gewone vereisten van artikel 6:162 BW toe te passen. Dit is relevant in het kader van dit proefschrift, omdat daarmee ook meer duidelijkheid ontstaat over welke vereisten gelden voor de milieuaansprakelijkheid van bestuurders. Zoals ik eerder aangaf in paragraaf IV.1.3 en IV.2.2, is artikel 6:162 BW de aangewezen grondslag voor de milieuaansprakelijkheid van bestuurders en andere leidinggevenden. Het antwoord op de vraag of de ernstig verwijtmaatstaf moet worden toegepast in het kader van externe bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW, is daarom ook bepalend voor de vraag welke vereisten gelden voor de milieuaansprakelijkheid van bestuurders.
Hierna ga ik eerst in op het streven om over de gehele linie van het (civiele) bestuurdersaansprakelijkheidsrecht dezelfde maatstaf toe te passen, wat ik aanduid als het ‘normatieve convergentie’-argument (par. IV.3.2). Daarna sta ik stil bij de gedachte dat er bij bestuurdersaansprakelijkheid ‘primair sprake is van handelingen van de rechtspersoon’ (par. IV.3.3). Vervolgens komt het bekende ‘bange bestuurders’argument aan bod (par. IV.3.4). Daaropvolgend bespreek ik of de beleidsvrijheid die een bestuurder toekomt bij het vervullen van zijn taak, en het risico van een zogenoemde hindsight bias bij de rechterlijke beoordeling van bestuurlijk gedrag, de toepassing van de ernstig verwijt-toets kunnen rechtvaardigen (par. IV.3.5). Ten slotte ga ik in op de opvatting dat het afwijken van de gewone vereisten van de onrechtmatige daad voor bestuurdersaansprakelijkheid een rechtspolitieke keuze is (par. IV.3.6).
In paragraaf IV.4 geef ik een beknopte samenvatting van de bestudeerde argumenten, maak ik de balans op en doe ik aanbevelingen voor de oplossingsrichting. Ik pleit ervoor om de ernstig verwijt-maatstaf buiten toepassing te laten voor bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad.
In dit hoofdstuk komt de argumentatieve onderbouwing van de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf in bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad uitvoerig- en van veel verschillende invalshoeken aan bod. Daarmee rijst de vraag waarom het nodig is om – in een proefschrift dat gaat over de milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden – al deze argumenten zo uitvoerig te bespreken? Ik heb hiervoor twee redenen. Allereerst ben ik me ervan bewust dat mijn conclusie – die strekt tot het buiten toepassing laten van de ernstig verwijtmaatstaf – tegen de lijn van de Hoge Raad en tegen de heersende opvatting in de literatuur ingaat. Deze conclusie vraagt om een grondige onderbouwing die recht doet aan de argumenten die worden gebezigd om de ernstig verwijt-maatstaf te rechtvaardigen. Daarom heb ik getracht om het bestuurdersaansprakelijkheidsdebat zo compleet mogelijk in kaart te brengen, waarbij ik de gebezigde argumenten en tegenargumenten zo goed en volledig mogelijk tegen het licht houd.
De tweede reden waarom ik deze uitvoerige bespreking noodzakelijk achtte, is dat de ernstig verwijt-doctrine voor meerdere ankers ligt: de rechtvaardigende argumenten zijn nevengeschikt. Dat betekent logischerwijs dat zelfs als ik zou kunnen aantonen dat een specifiek argument – of zelfs een aantal argumenten – niet steekhoudend is, de overige argumenten voor de toepassing van de ernstig verwijtmaatstaf overeind blijven. Bijvoorbeeld, als ik kan beargumenteren dat de ernstig verwijt-doctrine rechtstheoretisch ongefundeerd is en dat het bange bestuurdersargument berust op een misverstand, dan zou een voorstander van de doctrine daar tegenin kunnen brengen dat de ernstig verwijt-maatstaf toch noodzakelijk is om de beleidsruimte van bestuurders te bewaken en het risico op hindsight bias van de rechter te beperken.7 Dus er zijn een hoop (nevengeschikte) slakken waarop zout moet worden gelegd, voordat het mogelijk is de ogenschijnlijk simpele vraag te beantwoorden welke vereisten gelden voor externe bestuurdersaansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad (en daarmee samenhangend, voor de milieuaansprakelijkheid van bestuurders).